Wet van 19 juni 2011
gepubliceerd op 07 juli 2011
Justitie digitaliseren: Call to Contribution

Wet houdende uitvoering en wijziging van de wet van 19 januari 2010 tot opheffing van de wet van 9 februari 1999 tot oprichting van het Belgisch Overlevingsfonds en tot oprichting van een Belgisch Fonds voor Voedselzekerheid

bron
federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
numac
2011015062
pub.
07/07/2011
prom.
19/06/2011
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

19 JUNI 2011. - Wet houdende uitvoering en wijziging van de wet van 19 januari 2010 tot opheffing van de wet van 9 februari 1999 tot oprichting van het Belgisch Overlevingsfonds en tot oprichting van een Belgisch Fonds voor Voedselzekerheid (1)


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt : HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen

Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2.In deze wet wordt verstaan onder : 1° « de wet van 2010 » : de wet van 19 januari 2010 tot opheffing van de wet van 9 februari 1999 tot oprichting van het Belgisch Overlevingsfonds en tot oprichting van een Belgisch Fonds voor de Voedselzekerheid (BFVZ);2° « het Fonds » : het Belgisch Fonds voor de Voedselzekerheid, opgericht bij de wet;3° « geïntegreerde, multidimensionale benadering van de voedselzekerheid » : benadering die toelaat te werken rond de vier dimensies van de voedselzekerheid, benoemd in artikel 5, § 1, van de wet van 2010, via zich wederzijds versterkende projecten, evenals rond capaciteitsvermeerdering, economische ontwikkeling, sociale voorzieningen, duurzaam beheer van natuurlijke bronnen (inbegrepen het rekening houden met klimaatsverandering) en institutionele ondersteuning;4° « de Strategienota » : strategische nota van het Fonds, waarvan de inhoud wordt vastgesteld in deze wet, en die het wettelijke kader van het Fonds weergeeft, zijn strategische visie, zijn doelstellingen, zijn specificiteit, zijn financieringsmodaliteiten en zijn modaliteiten van uitvoering, van complementariteit, van opvolging-evaluatie en van sensibilisering, evenals van opleiding en van kennisbeheer.De Strategienota wordt goedgekeurd door de minister; 5° « de minister » : het regeringslid tot wiens bevoegdheden Ontwikkelingssamenwerking behoort;6° « de werkgroep » : de werkgroep « Belgisch Fonds voor de Voedselzekerheid », zoals gedefinieerd in artikel 7 van de wet van 2010. HOOFDSTUK 2. - Bepalingen tot uitvoering van de wet van 19 januari 2010 tot opheffing van de wet van 9 februari 1999 tot oprichting van het Belgisch Overlevingsfonds en tot oprichting van een Belgisch Fonds voor de Voedselzekerheid Kenmerken en doelstellingen van het Fonds

Art. 3.De minister waakt, bij het beheer van het Fonds over de kenmerken en de doelstellingen van dit instrument van de Belgische Ontwikkelingssamenwerking, zoals gepreciseerd in de artikelen 2, 5 en 6 van de wet van 2010 : 1° de verbetering van de voedselzekerheid, volgens de vier dimensies, namelijk beschikbaarheid, toegang, stabiliteit en gebruik;2° de integratie van drie dimensies van de strijd tegen de structurele oorzaken van voedselonzekerheid : de sociale basisdiensten;de defensieve capaciteiten van de bevolkingsgroepen; de institutionele capaciteiten van de actoren, zowel op regeringsniveau als bij de gedecentraliseerde territoriale instanties of bij de civiele maatschappij; 3° het focussen op landen van subsaharaans Afrika die worden gekenmerkt door lage ontwikkelingsindicatoren, prioritair in de partnerlanden van de Belgische ontwikkelingssamenwerking en in zones met grote voedselonzekerheid, gericht op de meest kwetsbare bevolkingsgroepen;4° de geïntegreerde multidimensionale programmatorische benadering, die mogelijk wordt door samenwerking tussen gouvernementele, niet-gouvernementele en multilaterale ontwikkelingsactoren, verwijzend naar artikel 6, § 2, van de wet van 2010;5° de betrokkenheid van de overheden van de begunstigde landen, van de lokale gekozenen en van de vertegenwoordigers van de civiele maatschappij, zoals vermeld in artikel 6, § 5, van de wet van 2010;6° een maatschappelijk draagvlak via de betrokkenheid van de Werkgroep en via informatie- en sensibiliseringscampagnes, beoogd in artikel 10, § 3, van de wet van 2010. Met verwijzing naar de §§ 2, 3 en 4 van artikel 5 van de voornoemde wet, ondersteunt het Fonds bovendien de benadering van territoriale ontwikkeling en integreert het zich in het decentralisatieproces, gebaseerd op de nieuwe bevoegdheden van de gedecentraliseerde entiteiten.

Het Fonds versterkt de rol, zowel van de regering als van de gedecentraliseerde entiteiten en van de civiele maatschappij in de definitie en de uitvoering van de nationale strategieën voor de verbetering van de voedselzekerheid van de bevolkingsgroepen. Het ziet toe op het eigenaarschap van die lokale actoren, op de afstemming op hun prioriteiten en ontwikkelt een participatief proces dat een rechtvaardige en duurzame lokale economische en sociale ontwikkeling waarborgt.

Regelmatige evaluaties en kennisbeheer, zoals bepaald bij artikel 10, § 1, van de wet van 2010, maken deel uit van de nadere uitvoeringsregels van het Fonds.

De Strategienota werkt de bovenstaande kenmerken en doelstellingen verder in detail uit.

De Strategienota zal ook speciale aandacht besteden aan de volgende transversale thema's : 1° gender;2° het milieu, in het bijzonder aan de effecten van klimaatsverandering op de voedselzekerheid en aan de strategieën om de effecten ervan te verminderen. Partnerorganisaties van het Fonds

Art. 4.Elke partnerorganisatie van het Fonds legt een samenwerkingsakkoord ter goedkeuring voor aan de minister, waarin het volgende staat beschreven : 1° de visie van de organisatie om zich in de strategie van het Fonds zoals beschreven in de Strategienota te integreren;2° het verband tussen het mandaat van de organisatie en één of meer dimensies van voedselzekerheid, zoals beoogd in artikel 5, § 1, van de wet van 2010;3° de comparatieve voordelen van de organisatie in de context van de kenmerken en de doelstellingen van het Fonds;4° een overzicht van de landen waarin de organisatie wenst deel te nemen aan een programma. Bij het Fonds betrokken externe actoren

Art. 5.Via de partnerorganisaties kunnen ook externe actoren worden gesubsidieerd, zoals voorzien in artikel 6, § 2, van de wet van 2010.

De vereiste lokale aanwezigheid van de externe actor en van expertise betreffende de verbetering van de voedselzekerheid wordt gemotiveerd door de partnerorganisatie.

De aard van deze expertise wordt bepaald in de Strategienota en betreft de ervaring van de externe actor op het gebied van de versterking van de rol van de boerenorganisaties of de uitvoering van de strategieën voor het verbeteren van de voedselzekerheid of de dialoog tussen de prioriteiten van de regeringen en deze van de civiele maatschappij of de steun aan de beroepsopleiding in de landbouwsector of het denkwerk over strategieën en de impact betreffende sommige specifieke aspecten van de voedselzekerheid.

Interventielanden en -zones van het Fonds

Art. 6.De keuze en de jaarlijkse planning van de landen zijn onderworpen aan de beslissing van de minister, op voorstel van de Werkgroep.

De wijze waarop de selectie van de zones van voedselonzekerheid wordt uitgevoerd, wordt vastgelegd volgens een participatief proces, dat wordt beschreven in de Strategienota.

Complementariteit en synergie

Art. 7.Het Fonds financiert projecten die zich inschrijven in programma's met een geïntegreerde multidimensionale benadering van voedselzekerheid, zoals beoogd in artikel 2 van de wet van 2010 en gedefinieerd in artikel 3 van deze wet, dankzij samenwerkingsverbanden met haar partnerorganisaties en eventueel met externe actoren met oog op de complementariteit en synergie bedoeld in artikel 6, § 2, van de wet van 2010.

Het opzetten van interventies

Art. 8.Om de programma's waarvan sprake in artikel 6, § 2, van de wet van 2010 op te zetten, worden de interventies van het Fonds opgezet volgens de volgende stappen : 1° op initiatief van de autoriteiten van het geselecteerde partnerland en de Directie-generaal Ontwikkelingssamenwerking wordt in de geselecteerde interventiezones een externe analyse uitgevoerd die de oorzaken van de voedselonzekerheid, de problemen en de ontwikkelingsopportuniteiten van de betrokken bevolkingsgroepen en de uitvoerbaarheid van een interventie vaststelt;die analyse wordt goedgekeurd door beide initiatiefnemende instanties en leidt tot de uitwerking van een voorafgaand algemeen strategisch kader voor een multidimensionaal geïntegreerd programma. In de loop van deze fase worden de lokale actoren nauw betrokken; 2° het resultaat van deze analyse wordt dan door de Directie-generaal Ontwikkelingssamenwerking ter kennis gebracht van de partnerorganisaties, die uitgenodigd worden hun engagement om aan het programma deel te nemen, schriftelijk te bevestigen;3° onder de coördinatie van de Directie-generaal Ontwikkelingssamenwerking bereiden minstens twee partnerorganisaties een voorafgaand gemeenschappelijk partnerschapkader voor, in de zin van artikel 6, § 2, van de wet van 2010, voor de uitvoering van een geïntegreerd multidimensionaal programma;dit voorafgaand gemeenschappelijk partnerschapskader wordt gevalideerd door de Directie-generaal Ontwikkelingssamenwerking na een participatief proces, beschreven in de Strategienota. Dit participatief proces wordt gevoerd zowel in België met de betrokken partnerorganisaties als in het veld, op initiatief van de attaché bij Internationale Samenwerking, met alle lokale betrokken actoren, vertegenwoordigers van de regering, de begunstigden en de andere ontwikkelingspartners; bij het uitwerken van het algemeen strategisch kader wordt gestreefd naar maximale synergie en complementariteit met andere acties van ontwikkelingssamenwerking, in het bijzonder die van het Indicatief Programma van de Belgische gouvernementele samenwerking; 4° de partnerorganisaties identificeren en bereiden het technische en financiële dossier van hun project voor;5° om de vooropgestelde doelstellingen op gecoördineerde wijze te realiseren en om de samenwerkingsverbanden te bepalen, ondertekenen de partnerorganisaties die deelnemen aan de uitvoering van het programma samen, zoals bepaald in artikel 6, § 2, van de wet van 2010, een gemeenschappelijk partnerschapskader.Dit kader beschrijft het overkoepelend logisch kader van het programma evenals een indicatief budget, de taakverdeling tussen de partnerorganisaties, de algemene tijdslijn van het programma, en bewijst dat het globale programma rekening houdt met de verschillende dimensies van de voedselzekerheid en het bereik van de kwetsbare groepen; de minimale vereisten nodig voor de uitwerking van dit gemeenschappelijk partnerschapskader worden in de Strategienota vastgelegd; 6° de geïnteresseerde partnerorganisaties dienen gezamenlijk of afzonderlijk een projectvoorstel in ter goedkeuring van de minister, via de Directie-generaal Ontwikkelingssamenwerking, voor de componenten van het programma dat ze wensen te realiseren.De projectvoorstellen volgen het indicatief schema.

De beleidsdialoog en de coördinatie

Art. 9.De Directie-generaal Ontwikkelingssamenwerking, in het bijzonder haar personeel in het veld, waakt erover dat de coördinatie van de interventies van het Fonds wordt verzekerd, namelijk dankzij het stuurcomité waarvan sprake in artikel 13 van deze wet, en dat een algemeen rapporteringsysteem van het programma opgezet wordt. Deze coördinatie omvat : 1° de dialoog met de centrale en gedecentraliseerde overheden alsook met de civiele maatschappij in het interventieland, zich inschrijvend in het kader van de nationale ontwikkelingsstrategieën;2° het overleg tussen partnerorganisaties betrokken bij een programma;3° het waken over de coherentie en de synergie met de andere acties van de Belgische Ontwikkelingssamenwerking of van andere technische en financiële partners. Die dialoog met de lokale actoren heeft als doel hen het « leiderschap » van de programma's te laten nemen door het aanvaarden van structurele en duurzame oplossingen betreffende de verbetering van de voedselzekerheid.

Beoordeling van de projectvoorstellen

Art. 10.Het projectvoorstel wordt beoordeeld bij de Directie-generaal Ontwikkelingssamenwerking door een beoordelingscomité, waarbij rekening wordt gehouden met het advies van de attaché voor Internationale Samenwerking van het betrokken land. De samenstelling en het mandaat van dit comité worden vastgelegd in de Strategienota.

De projectvoorstellen die voldoen aan het algemeen kader voor medefinanciering van het Fonds, zoals bepaald in artikelen 5 en 6 van de wet van 2010, worden beoordeeld met inachtneming van de criteria van relevantie, doeltreffendheid, doelmatigheid en duurzaamheid, zoals gedefinieerd door het Comité voor Ontwikkelingshulp van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling.

Om deze criteria te beoordelen, wordt rekening gehouden met volgende elementen : de algemene context, de interventielogica (algemene en specifieke doelstellingen, verwachte resultaten, voorgestelde activiteiten enzovoort) het institutioneel kader, de doelgroepbepaling, het budget en de nadere opvolgings- en evaluatieregels van het deelproject en het globaal programma.

De beoordeling van de projectvoorstellen wordt verder beschreven in de Strategienota.

Nadere regels voor de toekenning van subsidies

Art. 11.Het Fonds draagt bij tot de financiering van projecten en programma's met een percentage van het totale budget, dat als volgt wordt vastgelegd : 1° maximum 85 % voor de projecten voorgelegd door Belgische NGO's;2° maximum 60 % voor de projecten voorgelegd door Fondsen of Programma's van de Verenigde Naties die werken met giften;3° maximum 85 % voor de projecten voorgelegd door gespecialiseerde instellingen van de Verenigde Naties die werken met giften;4° maximum 45 % voor de projecten voorgelegd door multilaterale partnerorganisaties die werken met leningen;5° maximum 90 % voor de projecten voorgelegd door de « Belgische Technische Coöperatie ». Voor de projecten die aan de « Belgische Technische Coöperatie », vennootschap van publiek recht opgericht bij de wet van 21 december 1998, worden toevertrouwd, zijn de nadere beheersregels waarin is voorzien krachtens het beheerscontract tussen de Belgische Staat en de « Belgische Technische Coöperatie » dat van kracht is op het moment van de toewijzing van de subsidie.

Structuurkosten en beheerskosten

Art. 12.In uitvoering van artikel 6, § 6, van de wet van 2010 worden de verschillende structuurkosten, beheerskosten of administratieve kosten van de projecten als volgt beperkt. Dit zal in de Strategienota gedetailleerd worden. § 1. Projecten uitgevoerd door de NGO's : De structuurkosten zijn de kosten die verbonden zijn aan de realisatie van het maatschappelijk doel van de organisatie en die, hoewel beïnvloed door de uitvoering van het project, niet afscheidbaar zijn noch direct op het budget van het project kunnen worden aangerekend.

De beheerskosten zijn afscheidbare kosten, verbonden aan het beheer, de omkadering, de coördinatie, de opvolging en de evaluatie nodig voor de uitvoering van het project.

De operationele kosten zijn de kosten verbonden aan de resultaten van het project die overeenkomen met de uitgaven eigen aan de uitgevoerde activiteiten. Zij kunnen geen enkele vorm van beheerskosten inhouden.

Het maximum toegestane percentage voor de structuurkosten en de beheerskosten wordt berekend volgens de regels van het koninklijk besluit van 24 september 2006 betreffende de subsidiëring van programma's en projecten voorgelegd door de erkende niet-gouvernementele ontwikkelingsorganisaties, van kracht op het moment van de toewijzing van de subsidie. § 2. Projecten uitgevoerd door de « Belgische Technische Coöperatie » : De beheerskosten voor projecten uitgevoerd door de BTC worden gedefinieerd en bepaald in het beheerscontract tussen de Belgische Staat en de « Belgische Technische Coöperatie ».

Voorts mag het gedeelte van de algemene middelen verbonden met de werking van de projectunit, 10 % van het totale budget van het project niet overschrijden. § 3. Projecten uitgevoerd door de multilaterale organisaties : Forfaitaire administratieve kosten worden toegekend, in overeenstemming met die welke door de diensten van de multilaterale samenwerking van de Directie-generaal Ontwikkelingssamenwerking worden aanvaard.

Voorts mag het gedeelte van de algemene middelen verbonden aan de werking van de projectunit, 10 % van het totale budget van het project niet overschrijden.

Alomvattende samenhang van het programma

Art. 13.Elk programma bezit een lokaal stuurcomité, samengesteld uit de betrokken lokale autoriteiten, de verschillende betrokken lokale actoren en de vertegenwoordigers van de projecten die het programma samenstellen, evenals een vertegenwoordiger van de Directie-generaal van Ontwikkelingssamenwerking.

Om zich in de principes van de Verklaring van Parijs in te schrijven, wordt een bedrag van maximum 5 % van het globaal budget van het programma gereserveerd voor de samenhang van dit programma. Dit niet vooraf gedetailleerde budget zal door de Directie-generaal Ontwikkelingssamenwerking, op verzoek van het stuurcomité van het programma, kunnen vastgelegd worden voor specifieke activiteiten om de samenhang van het programma te verbeteren en voor de rapportage in het kader van het alomvattende programma.

Dit bijzondere aspect wordt gedefinieerd in de Strategienota.

Verantwoording

Art. 14.De partnerorganisatie die een subsidie ontvangt, is persoonlijk verantwoordelijk voor de aanwending en de rechtvaardiging ervan, zelfs als de partnerorganisatie volledig of gedeeltelijk een beroep doet op externe actoren.

De partnerorganisatie dient jaarlijks een narratief en financieel verslag in, dat de staat van vooruitgang per resultaat van het project en haar bijdrage aan het programma beschrijft. Het narratief en financieel eindverslag wordt door de partnerorganisatie ingediend binnen een termijn van maximum 180 dagen die volgen op de einddatum van het project, zoals gedefinieerd in het ministerieel besluit tot toekenning van de subsidie.

De aanvraag, de vrijgave van de kredieten, de opvolging en de controle van de subsidie evenals de ontvankelijkheid van de kosten volgen de boekhoudkundige regels opgelegd door de Belgische Ontwikkelingssamenwerking.

Evaluatie en kennisbeheer

Art. 15.De nadere regels voor een regelmatige, betrouwbare en controleerbare opvolging-evaluatie zijn gebaseerd op het beheer gericht op ontwikkelingsresultaten en worden toegepast vanaf de formulering van het alomvattend programma. Ze worden vastgelegd in de Strategienota.

Het alomvattend strategisch kader van het programma en de technische dossiers van de projecten die het programma samenstellen, beschrijven het opvolgings-evaluatiesysteem dat zal worden gebruikt.

Het kennisbeheer binnen het Fonds zal versterkt worden teneinde rekening te houden met de vooruitgang en de geleerde lessen van de voorafgaande projecten en om de goede praktijken tussen de verschillende programma's van het Fonds te veralgemenen. In de financiering van die activiteiten wordt voorzien in artikel 10, § 1, van de wet van 2010. De nadere regels terzake worden bepaald in de Strategienota.

De tussentijdse evaluaties van projecten zullen op de budgettaire enveloppe van de projecten gefinancierd worden en besteld worden door de partnerorganisaties.

De tussentijdse evaluatie van het programma zal georganiseerd worden door het stuurcomité.

De eindevaluaties of de thematische evaluaties zullen besteld en gefinancierd worden door het Fonds, zoals bedoeld in artikel 10, § 1, van de wet van 2010.

De planning van de te realiseren evaluaties wordt jaarlijks door de Werkgroep bekrachtigd.

Samenstelling van de Werkgroep

Art. 16.De leden van de Werkgroep zijn : 1° de minister of zijn vertegenwoordiger;2° leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers;3° drie afgevaardigden van de Directie-generaal Ontwikkelingssamenwerking;4° een vertegenwoordiger van elk van de multilaterale partnerorganisaties van het Fonds;5° twee vertegenwoordigers van elk van de twee Belgische federaties van niet-gouvernementele organisaties : de « Vlaamse Federatie van NGO's voor Ontwikkelingssamenwerking » (COPROGRAM) en de « Fédération francophone et germanophone des Associations de Coopération au Développement », (ACODEV);6° twee vertegenwoordigers van de « Belgische Technische Coöperatie ». De Werkgroep kan andere personen uitnodigen om deel te nemen aan haar werkzaamheden teneinde een beroep te doen op externe expertise.

De Werkgroep komt minstens één maal per jaar samen.

De Directie-generaal Ontwikkelingssamenwerking verzorgt het secretariaat van de Werkgroep.

Informatie en sensibilisering

Art. 17.De minister legt het programma van de bij artikel 10, § 3, van de wet van 2010 bepaalde sensibiliserings- en informatiecampagne vast, zulks uiterlijk op 15 november van het jaar voorafgaand aan dat waarin het gerealiseerd wordt. De opvolging van de uitvoering van die sensibiliseringscampagne alsook het kennisbeheer binnen het Fonds worden verzekerd door de Directie-generaal Ontwikkelingssamenwerking.

De sensibiliserings- en informatiecampagnes van het vorige Fonds zullen geëvalueerd worden, teneinde de doelstellingen en nadere uitvoeringsregels van de campagnes van het nieuwe Fonds te bepalen. HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van de wet van 19 februari 2010 tot opheffing van de wet van 9 februari 1999 tot oprichting van het Belgisch Overlevingsfonds en tot oprichting van een Belgisch Fonds voor de Voedselzekerheid

Art. 18.Artikel 4 van de wet van 2010 wordt vervangen als volgt : «

Art. 4.Onverminderd hetgeen bepaald is in deze wet is de Koning gemachtigd de toekomstige nadere regels voor het beheer en de bestemming van de middelen van het BFVZ te bepalen, evenals de toekomstige nadere regels voor de uitvoering van de evaluaties, de daarbij te hanteren criteria en de toekomstige steun die andere instellingen kunnen verstrekken. »

Art. 19.In artikel 6, § 2, eerste lid, van dezelfde wet worden de woorden « Volgens de door de Koning bepaalde nadere regels » vervangen door de woorden « Volgens de nadere regels die de Koning op grond van deze wet gemachtigd is te bepalen. » HOOFDSTUK 4. - Slotbepalingen Overgangsbepaling

Art. 20.Het Fonds kan consolidatiefases subsidiëren van lopende projecten en programma's, gefinancierd door het Belgisch Overlevingsfonds, zoals bepaald bij artikel 12 van de wet van 2010.

Dergelijke projecten of programma's zijn onderhevig aan de bepalingen van deze wet, met uitzondering van de artikelen 6, 7 en 8 van deze wet.

Uitvoering

Art. 21.De Minister is belast met de uitvoering van deze wet.

Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Gegeven te Brussel, 19 juni 2011.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Ontwikkelingssamenwerking, belast met Europese Zaken, O. CHASTEL Met 's Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie, S. DE CLERCK _______ Nota (1) Stukken van de Kamer van volksvertegenwoordigers : 53-1215 - 2010/2011 Nr.1 : Wetsvoorstel van M. Moriau c.s.

Nr. 2 : Amendementen.

Nr. 3 : Verslag.

Nr. 4 : Tekst aangenomen door de Commissie.

Nr. 5 : Addendum.

Nr. 6 : Tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgezonden aan de Senaat.

Integraal verslag : 7 april 2011.

Stukken van de Senaat : 5-946 - 2010/2011.

Nr. 1 : Ontwerp niet geëvoceerd door de Senaat.

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^