Wet van 20 juli 2015
gepubliceerd op 21 augustus 2015
Informatisering van Justitie. Ja, maar hoe ?

Wet houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken

bron
federale overheidsdienst sociale zekerheid
numac
2015203871
pub.
21/08/2015
prom.
20/07/2015
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

Numac : 2015203871

FEDERALE OVERHEIDSDIENST SOCIALE ZEKERHEID


20 JULI 2015. - Wet houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken (1)


FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : TITEL 1. - Algemene bepaling

Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.

TITEL 2. - Sociale zaken HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders Afdeling 1. - Technische aanpassing van een bepaling betreffende de

kinderbijslag naar aanleiding van de Zesde Staatshervorming

Art. 2.In artikel 2/1, § 1, eerste lid, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, ingevoegd bij de wet van 26 december 2013, worden de woorden ", tot de regeling voor rust- en overlevingspensioenen voor werknemers en tot de kinderbijslagregeling voor werknemers" vervangen door de woorden "en tot de regeling voor rust- en overlevingspensioenen voor werknemers". Afdeling 2. - Beroepstermijn en technische aanpassingen

Art. 3.Artikel 28, § 3, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 27 december 2005, wordt aangevuld met een lid, luidende : « Het beroep tegen deze beslissing van het inningsorganisme van de socialezekerheidsbijdragen inzake vrijstelling of vermindering dient, op straffe van verval, te worden ingesteld binnen drie maanden na de kennisgeving van de beslissing. »

Art. 4.Artikel 29, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 27 december 2005 en gewijzigd bij de wet van 22 december 2008, wordt aangevuld met een lid, luidende : « Het beroep tegen deze beslissing inzake kwijtschelding of vermindering van het inningsorganisme van de socialezekerheidsbijdragen dient, op straffe van verval, te worden ingesteld binnen drie maanden na de kennisgeving van de beslissing. »

Art. 5.Artikel 29bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 januari 1999 en vervangen bij de wet van 27 december 2005, wordt opgeheven.

Art. 6.In artikel 30 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 25 januari 1999 en gewijzigd bij de wet van 22 december 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid worden de woorden "de artikelen 29 en 29bis" vervangen door de woorden "artikel 29";2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende : « Het beroep tegen deze beslissing van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid inzake kwijtschelding of vermindering dient, op straffe van verval, te worden ingesteld binnen drie maanden na de kennisgeving van de beslissing.»

Art. 7.In artikel 30bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 augustus 1978 en vervangen bij de wet van 27 april 2007 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 8 december 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in de Franse tekst wordt het woord "commettant" telkens vervangen door het woord "donneur d'ordre";2° in § 3, zevende lid, worden de woorden "het geheel van de sommen" vervangen door de woorden "de sommen";3° in § 3, zevende lid, worden de woorden "of aan een Fonds voor bestaanszekerheid in de zin van de wet van 7 januari 1958 betreffende de Fondsen voor bestaanszekerheid" ingevoegd tussen de woorden "de Rijksdienst voor de Sociale Zekerheid" en de woorden "in zijn hoedanigheid van werkgever";4° § 3, zevende lid, wordt aangevuld met de volgende zinnen : « Hij kan een bedrag bepalen in bijdragen, opslagen, vaste vergoedingen, verwijlintresten of gerechtskosten onder hetwelk de werkgever niet wordt beschouwd als schuldenaar.Eveneens verduidelijkt Hij welke de gegevens zijn die in het bezit moeten zijn van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en/of het Fonds voor bestaanszekerheid om het bestaan te beoordelen van de betreffende schuld. »; 5° in § 5, eerste lid, worden de woorden "Onverminderd de toepassing van de sancties voorzien in artikel 35, eerste lid, 3, is de" vervangen door het woord "De";6° in § 5, eerste lid, wordt het woord "is," ingevoegd tussen de woorden "niet verricht heeft," en de woorden "benevens de";7° in § 5, tweede lid, worden de woorden "Onverminderd de toepassing van de sancties voorzien in artikel 35, eerste lid, 3, is de" vervangen door het woord "De";8° in § 5, tweede lid, wordt het woord "is," ingevoegd tussen de woorden "niet verricht heeft," en de woorden "benevens de";9° § 5, derde lid, wordt aangevuld met de volgende zin : « Het beroep tegen de beslissing inzake vermindering dient, op straffe van verval, te worden ingesteld binnen drie maanden na de kennisgeving van de beslissing.»; 10° § 9, vierde lid, wordt aangevuld met de volgende zin : « Het beroep tegen de beslissing inzake vermindering of vrijstelling dient, op straffe van verval, te worden ingesteld binnen drie maanden na de kennisgeving van de beslissing.»

Art. 8.In artikel 30ter van dezelfde wet, hersteld bij de wet van 29 maart 2012, en gewijzigd bij de wet van 27 december 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in de Franse tekst wordt het woord "commettant" telkens vervangen door het woord "donneur d'ordre";2° in § 2, zevende lid, worden de woorden "het geheel van de sommen" vervangen door de woorden "de sommen";3° § 2, zevende lid, wordt aangevuld met de volgende zinnen : « Hij kan een bedrag bepalen in bijdragen, opslagen, vaste vergoedingen, verwijlintresten of gerechtskosten onder hetwelk de werkgever niet wordt beschouwd als schuldenaar.Eveneens verduidelijkt Hij welke de gegevens zijn die in het bezit moeten zijn van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en/of het Fonds voor bestaanszekerheid om het bestaan te beoordelen van de betreffende schuld. »; 4° § 5, vierde lid, wordt aangevuld met de volgende zin : « Het beroep tegen de beslissing inzake vermindering dient, op straffe van verval, te worden ingesteld binnen drie maanden na de kennisgeving van de beslissing.»; 5° § 9, tweede lid, wordt aangevuld met de volgende zin : « Het beroep tegen de beslissing inzake vermindering of vrijstelling dient, op straffe van verval, te worden ingesteld binnen drie maanden na de kennisgeving van de beslissing.»

Art. 9.Binnen twaalf maanden na de inwerkingtreding van de artikelen 3, 4, 6, 7 en 8, kan de administratie, teneinde haar verplichtingen na te komen met betrekking tot artikel 2, 4°, van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, overgaan tot een nieuwe kennisgeving van de beslissingen inzake vrijstelling of vermindering, waarvan reeds kennis werd gegeven en waartegen nog geen beroep werd ingesteld, en dit teneinde de termijn voor het indienen van het beroep te doen lopen. Afdeling 3. - Verjaring

Art. 10.In artikel 42, derde lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 december 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden "die betaald worden" worden vervangen door het woord "betaald";2° de woorden "of door P&O Shared Service Center, ingesteld bij het koninklijk besluit van 25 april 2014 houdende de oprichting van het directoraat-generaal P&O Shared Service Center bij de Federale Overheidsdienst Personeel en Organisatie" worden ingevoegd tussen de woorden "op de Rijkscomptabiliteit" en de woorden ", verjaren na 7 jaar". Afdeling 4. - Inwerkingtreding

Art. 11.Dit hoofdstuk treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een termijn van tien dagen te rekenen van de dag volgend op de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad, met uitzondering van het artikel 10, dat in werking zal treden op de dag van inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 25 april 2014 houdende de oprichting van het directoraat-generaal P&O Shared Service Center bij de Federale Overheidsdienst Personeel en Organisatie. HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers Afdeling 1. - Enkel vertrekvakantiegeld van de gesubsidieerde

contractuelen, de vervangers in de openbare sector en de werknemers tewerkgesteld met toepassing van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn

Art. 12.In artikel 23bis van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, ingevoegd bij de wet van 27 december 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) in § 2, eerste lid, worden de woorden "bedienden tewerkgesteld in het kader van een overeenkomst bedoeld bij de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers." vervangen door de woorden " : 1° de bedienden tewerkgesteld in het kader van een overeenkomst bedoeld bij de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers;2° de bedienden tewerkgesteld als gesubsidieerde contractuele onder de voorwaarden van hoofdstuk 2 van titel III van de programmawet van 30 december 1988;3° de bedienden tewerkgesteld ter vervanging van de ambtenaren die de loopbaanonderbreking genieten, ingevoerd door de artikelen 99 tot 107 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen;4° de bedienden bedoeld in artikel 9, § 1, artikel 10quater, § 1, en artikel 12, § 1, van de wet van 10 april 1995 betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector;5° de bedienden tewerkgesteld ter vervanging van de personeelsleden bedoeld in artikel 4 van de wet van 19 juli 2012 betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector;6° de gesubsidieerde contractuelen tewerkgesteld onder de voorwaarden van het koninklijk besluit nr.474 van 28 oktober 1986 tot opzetting van een stelsel van door de Staat gesubsidieerde contractuelen bij sommige plaatselijke besturen; 7° de werknemers tewerkgesteld met toepassing van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn onder de voorwaarden van het koninklijk besluit van 2 april 1998 tot uitvoering van artikel 33 van de wet van 22 december 1995 houdende maatregelen tot uitvoering van het meerjarenplan voor werkgelegenheid.»; b) § 2, tweede lid, wordt vervangen als volgt : « Wanneer de bediende die valt onder de uitzonderingen bedoeld in het eerste lid, vakantie neemt, wordt het normale loon betreffende de vakantiedagen dat door het enkel vertrekvakantiegeld is gedekt, evenwel beschouwd als loon.» c) in § 4, tweede lid, worden de woorden "bedoeld bij de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers" vervangen door de woorden "die vallen onder de uitzonderingen vermeld in paragraaf 2". Afdeling 2. - Solidariteitsbijdrage voor utilitaire bedrijfsvoertuigen

Art. 13.In artikel 38, § 3quater, 1°, van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 20 december 1996 en vervangen bij de wet van 20 juli 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het derde lid wordt het woord "gewone" ingevoegd tussen de woorden "dient te worden verstaan de" en het woord "voertuigen";2° hetzelfde lid wordt aangevuld met de volgende zin : « De zogenaamde utilitaire voertuigen die beantwoorden aan de definitie van lichte vrachtauto's in de zin van artikel 65, WIB 1992, vallen niet binnen de categorie gewone voertuigen.»; 3° in het vierde lid worden de woorden "de woon-werkverplaatsing die" vervangen door de woorden "het traject tussen de woonplaats en de vaste werkplaats dat";4° hetzelfde lid wordt aangevuld als volgt : « , met uitzondering van het traject tussen de woonplaats en de vaste werkplaats indien het wordt afgelegd met een zogenaamd utilitair voertuig.Onder vaste werkplaats wordt verstaan de plaats waar de werknemer effectief prestaties van een bepaalde omvang levert en waarnaar de werknemer zich ten minste 40 dagen per jaar begeeft, ongeacht of het opeenvolgende dagen zijn of niet. Het privégebruik van een zogenaamd utilitair voertuig wordt niet vermoed, maar kan wel worden vastgesteld door de bevoegde inspectiediensten. » Afdeling 3. - Beroepstermijn

Art. 14.Artikel 38, § 3quater, 10°, zesde lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 14 april 2011, wordt aangevuld met de volgende zin : « Het beroep tegen de beslissing van het inningsorganisme van de socialezekerheidsbijdragen inzake vrijstelling of vermindering dient, op straffe van verval, te worden ingesteld binnen drie maanden na de kennisgeving van de beslissing. »

Art. 15.Binnen twaalf maanden na de inwerkingtreding van het artikel 14, kan de administratie, teneinde haar verplichtingen na te komen met betrekking tot artikel 2, 4°, van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, overgaan tot een nieuwe kennisgeving van de beslissingen inzake vrijstelling of vermindering, waarvan reeds kennis werd gegeven en waartegen nog geen beroep werd ingesteld, en dit teneinde de termijn voor het indienen van het beroep te doen lopen. Afdeling 4

Bijzondere compenserende bijdrage op verbrekingsvergoedingen

Art. 16.In artikel 38, § 3quindecies, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 december 2013, worden de woorden ", zoals dit artikel van toepassing was op 30 september 2013" opgeheven. Afdeling 5. - Inwerkingtreding

Art. 17.Dit hoofdstuk treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een termijn van tien dagen te rekenen van de dag volgend op de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad, met uitzondering van artikel 12, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2014. HOOFDSTUK 3. - Wijziging van de programmawet (I) van 24 december 2002, voor wat de eerste aanwervingen betreft

Art. 18.In artikel 343 van de programmawet (I) van 24 december 2002, gewijzigd bij de wet van 26 december 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1 worden de woorden ", gelegenheidsarbeiders bedoeld in het artikel 8bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders" vervangen door de woorden "en gelegenheidsarbeiders bedoeld in artikel 2/1 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders";2° in de paragrafen 2, 3 en 3/1 worden de woorden « , gelegenheidsarbeiders bedoeld in het artikel 8bis van het voornoemde besluit van 28 november 1969" telkens vervangen door de woorden "en gelegenheidsarbeiders bedoeld in artikel 2/1 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders";3° in paragraaf 3/2 worden de woorden ", gelegenheidsarbeiders bedoeld in artikel 8bis van voornoemd koninklijk besluit van 28 november 1969" vervangen door de woorden "en gelegenheidsarbeiders bedoeld in artikel 2/1 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders";4° in de paragrafen 1, 2, 3, 3/1 en 3/2 worden de woorden "en gelegenheidswerknemers bedoeld in artikel 8ter van het voornoemd koninklijk besluit van 28 november 1969" telkens opgeheven.

Art. 19.Dit hoofdstuk treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een termijn van tien dagen te rekenen van de dag volgend op de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad. HOOFDSTUK 4 Bepalingen tot herstelling van het sociaal statuut der kunstenaars

Art. 20.Artikel 172, § 1, eerste lid, van de programmawet (I) van 24 december 2002, wordt vervangen als volgt : «

Art. 172.§ 1. Binnen de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid wordt een commissie Kunstenaars opgericht, hierna "de Commissie" genoemd, samengesteld uit ambtenaren van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, van het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen en van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, evenals vertegenwoordigers aangeduid door de syndicale organisaties op interprofessioneel niveau, werkgeversorganisaties en de artistieke sector; zij wordt voorgezeten door een onafhankelijk persoon. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de samenstelling van de Commissie uitbreiden. »

Art. 21.In artikel 1bis van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, laatstelijk gewijzigd bij de programmawet van 26 december 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1 worden tussen het eerste en het tweede lid twee leden ingevoegd, luidende : « Onder "het leveren van artistieke prestaties en/of het produceren van artistieke werken" dient te worden verstaan "de creatie en/of uitvoering of interpretatie van artistieke oeuvres in de audiovisuele en de beeldende kunsten, in de muziek, de literatuur, het spektakel, het theater en de choreografie ». De Commissie Kunstenaars beoordeelt, op basis van de in het eerste lid bedoelde definitie en op basis van een methodologie vastgelegd in haar huishoudelijk reglement bekrachtigd bij koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, of de betrokkene prestaties levert of werken produceert van artistieke aard in de zin van dit artikel. »; 2° in paragraaf 1, in het vroegere derde lid, dat het vijfde lid wordt, wordt het woord "vorige" vervangen door het woord "eerste";3° in paragraaf 1 wordt het vroegere vierde lid dat het zesde lid wordt, aangevuld met de volgende zin : « In dit geval geeft de erkenning van de artistieke aard van de activiteit waarvoor de verklaring van zelfstandige activiteiten werd toegekend, geen aanleiding tot de aflevering van een visum kunstenaar. »; 4° paragraaf 2 wordt opgeheven;5° in paragraaf 3 worden de woorden "zoals bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr.38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen" vervangen door de woorden "zoals bedoeld in artikel 3, § 1, vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen".

Art. 22.Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 juli 2015, met uitzondering van artikel 20, dat uitwerking heeft met ingang van 7 augustus 2014. HOOFDSTUK 5 Bijzondere sociale zekerheidsbijdrage voor de aanvullende pensioenen

Art. 23.Artikel 34 van de programmawet van 22 juni 2012 wordt vervangen als volgt : «

Art. 34.Artikel 30 treedt in werking op 1 januari 2017. »

Art. 24.Artikel 67 van de programmawet van 27 december 2012 wordt vervangen als volgt : «

Art. 67.Artikel 66 treedt in werking op 1 januari 2017. » HOOFDSTUK 6. - Wijziging van het Gerechtelijk Wetboek

Art. 25.In artikel 580 van het Gerechtelijk Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 juni 2010, worden de volgende wijzingen aangebracht : a) de bepaling onder 16°, ingevoegd bij de wet van 20 juli 1991 en gewijzigd bij de wet van 22 december 2003, wordt vervangen als volgt : « 16° van geschillen betreffende de verplichtingen van de opdrachtgevers, aannemers, onderaannemers en diegenen die met hen worden gelijkgesteld, bedoeld bij de artikelen 30bis en 30ter van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.»; b) het artikel wordt aangevuld met de bepaling onder 19°, luidende : « 19° van de gevallen waarin beroep wordt ingesteld tegen de beslissingen genomen door de bij artikel 172 van de programmawet (I) van 24 december 2002 opgerichte Commissie Kunstenaars, met toepassing van artikel 1bis van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.»

Art. 26.Dit hoofdstuk treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een termijn van tien dagen te rekenen van de dag volgend op de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad. HOOFDSTUK 7 Wijziging van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971

Art. 27.In artikel 59, 2°, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 10 augustus 2001, wordt de de eerste zin vervangen als volgt : « 2° een bijdrage, geheven op het bedrag van de door de verzekeringsondernemingen geïnde premies, voor de door de Koning bepaalde categorieën van personen tot wie de toepassing van de wet wordt uitgebreid krachtens artikel 3. »

Art. 28.Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2016. HOOFDSTUK 8. - Wijzigingen van de wet van 30 december 2009 houdende diverse bepalingen

Art. 29.In het opschrift van hoofdstuk 6 van titel 12 en de artikelen 184, § 1, 184/1 en 185 van de wet van 30 december 2009 houdende diverse bepalingen, gewijzigd bij de wet van 15 december 2013, wordt het woord "maaltijdcheques" telkens vervangen door de woorden "maaltijd- en/of ecocheques".

Art. 30.In de artikelen 183 en 184, § 2, van dezelfde wet, worden de woorden "maaltijdcheques" en "maaltijdcheque" telkens vervangen door, respectievelijk, de woorden "maaltijd- en ecocheques" en "maaltijd- en ecocheque". HOOFDSTUK 9 Fonds voor collectieve uitrustingen en diensten

Art. 31.De reserves op 31 december 2014 van het Fonds voor collectieve uitrustingen en diensten, opgericht bij het Federaal Agentschap voor de Kinderbijslag, worden overgedragen aan de RSZ-Globaal Beheer, na aanzuivering van de schulden en opeising van de schuldvorderingen van dit Fonds en rekening houdend met de opgebouwde en niet vervallen bijdragen op 31 december 2014.

Een bedrag van 31.500.000 Eur, dat overeenstemt met de aanvullende bedragen toegekend aan het Fonds in 2005 en 2006 krachtens artikel 48 van de programmawet van 27 december 2004 maar niet toegewezen, wordt uiterlijk op 28 februari 2015 teruggegeven aan de RSZ-Globaal Beheer als voorschot op de overdracht bedoeld in het eerste lid.

Art. 32.Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 31 december 2014. HOOFDSTUK 10 Reserves van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening

Art. 33.De reserves op 31 december 2014 betreffende de betalingen in het kader van het stelsel inzake opleidingen ten laste van het Opleidingsfonds Dienstencheques, opgericht bij het koninklijk besluit van 7 juni 2007 betreffende het opleidingsfonds dienstencheques, worden ter beschikking gesteld van de tak "Globaal Beheer" in de opdrachtenbegroting van de RVA na de boekhoudkundige afsluiting van de federale activiteiten bij de RVA.

Art. 34.De reserves op 31 december 2014 betreffende de betalingen van het betaald educatief verlof, zoals bedoeld in artikel 7, § 1, derde lid, h), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, worden ter beschikking gesteld van de tak "Globaal Beheer" in de opdrachtenbegroting van de RVA, na de boekhoudkundige afsluiting van de federale activiteiten bij de RVA.

Art. 35.De reserves op 31 december 2014 betreffende de betalingen van de startbaanovereenkomsten, zoals bedoeld in artikel 7, § 1, derde lid, r), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en artikel 43 van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid (1), worden ter beschikking gesteld van de tak "Globaal Beheer" in de opdrachtenbegroting van de RVA, na de boekhoudkundige afsluiting van de federale activiteiten bij de RVA.

Art. 36.De reserves op 31 december 2014 betreffende de betalingen van de sociale economie, zoals bedoeld in artikel 7, § 1, derde lid, v), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, worden ter beschikking gesteld van de tak "Globaal Beheer" in de opdrachtenbegroting van de RVA, na de boekhoudkundige afsluiting van de federale activiteiten bij de RVA.

Art. 37.De reserves op 31 december 2014 betreffende de betalingen van de start- en stagebonus, zoals bedoeld in de artikelen 58 tot 61 van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact en het koninklijk besluit van 1 september 2006 inzake de start- en stagebonus, worden ter beschikking gesteld van de tak "Globaal Beheer" in de opdrachtenbegroting van de RVA, na de boekhoudkundige afsluiting van de federale activiteiten bij de RVA.

Art. 38.De reserves op 31 december 2014 betreffende de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen, zoals bedoeld in artikel 8 van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, worden ter beschikking gesteld van de tak "Globaal Beheer" in de opdrachtenbegroting van de RVA, na de boekhoudkundige afsluiting van de federale activiteiten bij de RVA.

Art. 39.De artikelen 33 tot 38 hebben uitwerking na 31 december 2014, op het ogenblik van de boekhoudkundige afsluiting van de federale activiteiten van de RVA. De reserves op 31 december 2014 na de boekhoudkundige afsluitingen van de federale activiteiten bij de RVA opgenomen in de artikelen 33 tot 38 kunnen op verschillende tijdstippen worden overgedragen naar de eigen inkomsten, in de zin van artikel 22, § 2, b), van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, van de tak "Globaal Beheer" van de opdrachtenbegroting van de RVA. HOOFDSTUK 11 Administratiekosten van het Schadeloosstellingsfonds voor asbestslachtoffers

Art. 40.In artikel 114 van de programmawet (I) van 27 december 2006 worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt : « § 1.Het Asbestfonds is organiek opgenomen in het Fonds voor de beroepsziekten.

De administratiekosten nodig voor de opdrachten van het Asbestfonds komen ten laste van ditzelfde fonds. »; 2° paragraaf 2 wordt opgeheven.»

Art. 41.Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2015. HOOFDSTUK 1 2. - Bijzondere kinderbijslagfondsen

Art. 42.Artikel 1, 1°, van het koninklijk besluit van 3 december 1930 houdende instelling en inrichting van bijzondere kassen voor gezinsvergoedingen wordt opgeheven.

Art. 43.In artikel 1, categorie D, van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, laatstelijk gewijzigd door het koninklijk besluit van 11 december 2013, wordt de zin "- Bijzondere Verrekenkas voor gezinsvergoedingen ten bate van de arbeiders gebezigd door ladings- en lossingsondernemingen en door de stuwadoors in de havens, losplaatsen, stapelplaatsen en stations (gewoonlijk genoemd "Bijzondere Compensatiekas voor kindertoeslagen van de zeevaartgewesten");" opgeheven.

Art. 44.De middelen van het reservefonds en de middelen van de administratieve reserve van het bijzonder kinderbijslagfonds ten bate van de arbeiders gebezigd door ladings- en lossingsondernemingen en door de stuwadoors in de havens, losplaatsen, stapelplaatsen en stations, samengesteld respectievelijk met toepassing van de artikelen 91, §§ 1 en 2, en 94, §§ 1 en 2, van de algemene kinderbijslagwet van 19 december 1939 worden overgedragen respectievelijk aan het reservefonds en aan de administratieve reserve van het vrije kinderbijslagfonds "Mensura Kinderbijslag VZW".

Art. 45.De middelen van het reservefonds en de middelen van de administratieve reserve van het bijzonder kinderbijslagfonds ten bate van de arbeiders der ondernemingen voor binnenscheepvaart, samengesteld respectievelijk met toepassing van de artikelen 91, §§ 1 en 2, en 94, §§ 1 en 2, van de algemene kinderbijslagwet en die voortkomen uit activiteiten inzake kinderbijslag van 19 december 1939, worden overgedragen respectievelijk aan het reservefonds en aan de administratieve reserve van het vrije kinderbijslagfonds "Group S - Kinderbijslag vzw". HOOFDSTUK 1 3. - Aanpassingen van de werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid van de zeevarenden ten gevolge van de Zesde Staatshervorming

Art. 46.In artikel 3 van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij, vervangen bij het koninklijk besluit nr. 96 van 28 september 1982 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 29 maart 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt : « § 3.De bijdragen van de reder worden als volgt vastgesteld : 1° een basiswerkgeversbijdrage van 27,04 pct.van het loon van de zeeman is verschuldigd voor alle zeelieden onderworpen aan deze besluitwet. 2° 15,72 pct.van het bedrag van het loon van de zeeman, bestemd voor de regeling van de jaarlijkse vakantie. Deze bijdrage is enkel verschuldigd voor de zeelieden andere dan de zeevarende officieren en ermee gelijkgestelden. Een gedeelte van 9,72 pct. begrepen in de bijdrage van 15,72 pct. wordt slechts jaarlijks gestort in de loop van het jaar dat volgt op het vakantiedienstjaar, op de datum vastgesteld door de Koning en volgens de nadere regels die Hij bepaalt. § 3/1. Het percentage van de werkgeversbijdrage, bestemd voor de regeling inzake arbeidsvoorziening en werkloosheid (1,60 pct.) en begrepen in de basisbijdrage vermeld in artikel 3, § 3/1, 1°, van deze besluitwet, is verschuldigd door elke reder op wie de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971, van toepassing zijn.

Van deze bijdrage van 1,60 pct. zijn vrijgesteld, de werkgevers die op 30 juni van het voorgaande jaar minder dan 10 werknemers te werk stelden.

Voor deze bijdrage wordt onder werknemers verstaan de werknemers verbonden door een arbeidsovereenkomst, alsmede de erkende leerlingen en de werknemers die uitsluitend aan de sector der geneeskundige verzorging onderworpen zijn. Bij het bepalen van het aantal werknemers moet ook rekening worden gehouden met de werknemers wier arbeid geschorst is wegens ziekte of ongeval voor zover de schorsing niet meer dan twaalf maanden beloopt, met rust bij zwangerschap of bevalling, met gedeeltelijke of tijdelijke werkloosheid en met wederoproeping onder de wapens.

Voor de personen die werkgever zijn geworden na 30 juni van het referentiejaar wordt voor de toepassing van deze vrijstelling verwezen naar het aantal werknemers tewerkgesteld op de laatste dag van het trimester waarbinnen de eerste tewerkstelling plaatsgreep. » 2° in paragraaf 3quater, ingevoegd bij de wet van 22 februari 1998, worden tussen de woorden "1 januari 1999" en de woorden "ten laste van" de woorden "voor een periode die afloopt op 31 december 2014" ingevoegd.3° paragraaf 6 wordt vervangen als volgt : « § 6.Na voorafneming van de bestuurskosten stort de Hulp- en Voorzorgskas voor Zeevarenden : 1° de opbrengst van de basiswerkgeversbijdrage, bedoeld in artikel 3, § 3, 1°, van deze besluitwet, aan de RSZ-Globaal Beheer;2° de opbrengst van de bijdrage, bedoeld in artikel 3, § 3, 2°, van deze besluitwet, aan de Compensatiedienst voor betaald verlof der zeelieden;3° het gedeelte bestemd voor de samenstelling van het vakantiegeld voor de werknemers, bedoeld in artikel 2quater van deze besluitwet, aan de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie.»

Art. 47.Als overgangsmaatregel stort de Hulp- en Voorzorgskas voor Zeevarenden de inkomsten van de bijdragen bestemd voor het Fonds voor collectieve uitrustingen en diensten (0,05 pct.) en het Fonds betaald educatief verlof (0,05 pct.) die betrekking hebben op de periode tot 31 december 2014 maar die de Voorzorgskas na 1 januari 2015 ontvangt, vanaf 1 januari 2015 door aan de RSZ-Globaal Beheer.

Art. 48.Artikel 194/1, van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I), ingevoegd bij de wet van 25 april 2014, wordt aangevuld met een lid, luidende : « Deze afdeling houdt met ingang van 1 juli 2015 op uitwerking te hebben voor de werkgevers op wie de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij van toepassing is. »

Art. 49.Artikel 1 van het koninklijk besluit van 27 november 1996 tot instelling van een bijzondere werkgeversbijdrage ter financiering van het stelsel van de tijdelijke werkloosheid en de anciënniteitstoeslag voor oudere werklozen, met toepassing van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, bekrachtigd bij de wet van 13 juni 1997, wordt vervangen als volgt : «

Artikel 1.Dit besluit is van toepassing op de werkgevers die vallen onder de toepassing van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. »

Art. 50.Artikel 57, eerste lid, van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970, vervangen bij de wet van 24 december 2002, wordt aangevuld met de volgende zin : « De laatst vermelde bijdrage van 1,10 pct. wordt vanaf 1 juli 2015 opgenomen in de basiswerkgeversbijdrage, bedoeld in artikel 3, § 3, 1°, van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij. »

Art. 51.In artikel 59ter, § 2, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, ingevoegd bij het koninklijk besluit nr. 530 van 31 maart 1987 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 24 december 2002, worden de woorden "tot 30 juni 2015" ingevoegd tussen de woorden "De bijdrage, bedoeld in artikel 59, 1°, is" en de woorden "aan het Fonds voor arbeidsongevallen verschuldigd".

Art. 52.Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 juli 2015, met uitzondering van de artikelen 46, 2° en 47 die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2015. HOOFDSTUK 1 4. - Nationaal College voor Socialeverzekeringsgeneeskunde inzake arbeidsongeschiktheid

Art. 53.In artikel 89/1 van de wet van 13 juli 2006 houdende diverse bepalingen inzake beroepsziekten en arbeidsongevallen en inzake beroepsherinschakeling, ingevoegd bij de wet van 24 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het tweede lid wordt aangevuld met de volgende zin : « De Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap zal geraadpleegd worden over de voorstellen en aanbevelingen van het College voor de onderwerpen die deze Raad aanbelangen.»; 2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende : « Er wordt een bureau opgericht, dat is belast met de technische en administratieve coördinatie van de werkzaamheden van het College en de verschillende werkgroepen of commissies.Het bureau verzorgt het secretariaat van het College en de verschillende werkgroepen of commissies. De Koning bepaalt de samenstelling van het bureau. » TITEL 3. - Werk ENIG HOOFDSTUK. - Aangifte van de sociale risico's

Art. 54.In artikel 4 van de wet van 24 februari 2003 betreffende de modernisering van het beheer van de sociale zekerheid en betreffende de elektronische communicatie tussen ondernemingen en de federale overheid, wordt een paragraaf 2bis ingevoegd luidende : « § 2bis. In afwijking van § 2, eerste lid, bepaalt het beheerscomité, na overleg met de bevoegde instellingen van sociale zekerheid, het tijdstip vanaf wanneer de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber de gegevens meedeelt door middel van een elektronische techniek. »

Art. 55.Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2016.

TITEL 4. - Uitkeringen ENIG HOOFDSTUK. - Wijziging van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994

Art. 56.Artikel 80 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende : « § 2. Het Beheerscomité van de dienst voor uitkeringen kan overeenkomsten voor studies, onderzoeken of de ontwikkeling van opleidingen sluiten die de kennis inzake arbeidsongeschiktheid, de medische evaluatie en de beroepsherscholing beogen te verbeteren. De uitgaven die erop betrekking hebben, zijn ten laste van de begroting van de uitkeringsverzekering. »

Art. 57.In de Franse tekst van artikel 100, § 1, derde lid, van dezelfde gecoördineerde wet, gewijzigd bij de wet van 13 juli 2006, wordt het woord "rééducation" vervangen door het woord "réadaptation".

Art. 58.Artikel 101, § 2, eerste lid, van dezelfde gecoördineerde wet, wordt aangevuld met de volgende zin : « Als de gerechtigde evenwel op zondag een niet toegelaten arbeid heeft verricht, wordt telkens de uitkering teruggevorderd die is toegekend voor de eerste voorafgaande vergoedbare dag waarop de gerechtigde geen arbeid heeft verricht. » Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Gegeven te Brussel, 20 juli 2015.

FILIP Van Koningswege : De Minister van Werk, Economie en Consumenten, K. PEETERS De Minister van Sociale Zaken, Mevr. M. DE BLOCK De Minister van Middenstand, Zelfstandigen, K.M.O.'s, W. BORSUS Met 's Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie, K. GEENS _______ Nota (1) Zitting 2014/2015. Kamer van volksvertegenwoordigers Stukken. - DOC 54-1135


begin


Publicatie : 2015-08-

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^