Etaamb.openjustice.be
Wet van 21 april 2007
gepubliceerd op 01 februari 2008

Wet houdende instemming met Het Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Republiek Albanië inzake politiesamenwerking, ondertekend te Brussel op 22 maart 2005 (2)

bron
federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
numac
2007015069
pub.
01/02/2008
prom.
21/04/2007
ELI
eli/wet/2007/04/21/2007015069/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

21 APRIL 2007. - Wet houdende instemming met Het Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Republiek Albanië inzake politiesamenwerking, ondertekend te Brussel op 22 maart 2005 (1) (2)


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :

Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

Art. 2.Het Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Republiek Albanië inzake politiesamenwerking, ondertekend te Brussel op 22 maart 2005, zal volkomen gevolg hebben.

Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Gegeven te Brussel, 21 april 2007.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Buitenlandse Zaken, K. DE GUCHT De Minister van Justitie, Mevr. L. ONKELINX De Minister van Binnenlandse Zaken, P. DEWAEL Met 's Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie, Mevr. L. ONKELINX _______ Nota's (1) Zitting 2006-2007. Senaat : Parlementaire documenten. - Ontwerp van wet ingediend op 24 november 2006, nr. 3-1947/1. - Verslag, nr. 3-1947/2.

Parlementaire Handelingen. - Bespreking, vergadering van 8 februari 2007. Stemming, vergadering van 8 februari 2007. Kamer van volksvertegenwoordigers : Parlementaires documenten. - Tekst overgezonden door de Senaat, nr. 51-2915/1. - Verslag namens de commissie. - Tekst aangenomen in plenaire vergadering en aan de Koning ter bekrachtiging voorgelegd, nr. 51-2915/2.

Parlementaire Handelingen. - Bespreking, vergadering van 1 maart 2007. - Stemming, vergadering van 1 maart 2007. (2) Dit verdrag zal in werking treden op 1 maart 2008. Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Republiek Albanië inzake Politiesamenwerkingverdrag De Regering van het Koninkrijk België en De Regering van de Republiek Albanië hierna genoemd de « Verdragsluitende Partijen », Zich baserend op de bezorgdheid om de vriendschappelijke betrekkingen en de samenwerking tussen de 2 Staten te bevorderen, en in het bijzonder, op de gemeenschappelijke wens om een nauwere politiesamenwerking tot stand te brengen;

Zich baserend op de wens om deze samenwerking te versterken in het kader van de internationale overeenkomsten die onderschreven zijn door de twee Staten inzake het respect voor de fundamentele rechten en vrijheden, inzonderheid het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, alsook het Verdrag nr. 108 van de Raad van Europa van 28 januari 1981 tot bescherming van personen ten opzichte van de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens;

Overwegende dat de internationale georganiseerde criminaliteit een ernstige bedreiging vormt voor de sociaal-economische ontwikkeling van de Verdragsluitende Staten, en dat de recente ontwikkelingen van de internationale georganiseerde criminaliteit hun institutionele werking in gevaar brengen;

Overwegende dat de strijd tegen mensenhandel en de bestrijding van het illegaal verkeer van en naar het grondgebied van de Staten en van de illegale immigratie, alsook de uitbanning van de georganiseerde netwerken die bij dergelijke illegale handelingen betrokken zijn, deel uitmaken van de bezorgdheden van de respectieve Regeringen en Parlementen van de Verdragsluitende Staten;

Overwegende dat de illegale productie van en de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen een bedreiging vormen voor de gezondheid en de veiligheid van de burgers;

Overwegende dat het louter harmoniseren van de relevante wetgeving niet volstaat om het fenomeen van de illegale immigratie voldoende efficiënt te bestrijden;

Overwegende dat het noodzakelijk is om een efficiënte, internationale politiesamenwerking uit te bouwen op het vlak van de georganiseerde criminaliteit en de illegale immigratie, onder meer door middel van uitwisseling en verwerking van gegevens met het oog op de bestrijding van die criminele activiteiten;

Overwegende dat om dit te verwezenlijken een reeks adequate maatregelen en een nauwe samenwerking tussen de Verdragsluitende Staten is vereist;

Hebben besloten dit Verdrag te sluiten.

Definities Artikel 1 In dit Verdrag wordt verstaan onder : Internationale mensenhandel, elk opzettelijk gedrag zoals hierna beschreven : a) het betreden van het grondgebied van een Verdragsluitende Partij vereenvoudigen, de doorreis, het verblijf op of het verlaten van het grondgebied indien er gebruik wordt gemaakt van dwang, meer bepaald geweld of bedreiging, of wanneer er gebruik wordt gemaakt van bedrog, misbruik van gezag of andere vormen van onder druk zetten van een persoon, in die mate dat de persoon geen andere reële of aanvaardbare keuze heeft dan zich te onderwerpen aan die druk;b) het uitbuiten op eender welke wijze van een persoon, wetende dat hij het grondgebied van een Verdragsluitende Partij is binnengekomen, er doorreist of er verblijft in omstandigheden die vermeld werden onder punt a). Seksueel misbruik van kinderen : De inbreuken die opgenomen zijn in artikel 34 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de Rechten van het Kind van 20 november 1989 met inbegrip van de productie, de verkoop, het verdelen of andere vormen van handel in pornografisch materiaal waarbij kinderen betrokken zijn, en het persoonlijk bezit van dit materiaal.

Technische ondersteuning : De bijstand die wordt verleend aan de politie- en immigratiediensten onder de vorm van logistieke steun.

Criminaliteit in verband met nucleair en radioactief materiaal : De inbreuken opgesomd in artikel 7, § 1, van het Verdrag inzake de fysieke bescherming van nucleair materiaal, ondertekend in Wenen en in New York op 3 maart 1980.

Witwassen van geld : De inbreuken zoals opgesomd in artikel 6, paragrafen 1 tot 3, van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagname en de verbeurdverklaring van de opbrengsten van misdrijven, ondertekend te Straatsburg op 8 november 1990.

Georganiseerde misdaad : Elke inbreuk zoals opgenomen in artikel 2 van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen transnationale georganiseerde misdaad van 12 december 2000.

Verwerking van persoonsgegevens : Onder « persoonsgegevens » wordt verstaan : elke informatie betreffende een natuurlijke persoon die is of kan worden geïdentificeerd (betrokken persoon); wordt geacht een persoon te zijn die kan worden geïdentificeerd, de persoon die direct of indirect te identificeren is, meer bepaald door verwijzing naar een identificatienummer of naar één of meerdere specifieke kenmerken die eigen zijn aan zijn fysische, fysiologische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit.

Onder « verwerking van persoonsgegevens » wordt verstaan : elke bewerking of geheel van bewerkingen, die al dan niet met behulp van geautomatiseerde procédés uitgevoerd en toegepast worden op persoonsgegevens, zoals het verzamelen, de registratie, het organiseren, de bewaring, de aanpassing of wijziging, het maken van een uittreksel, de raadpleging, het gebruik, het meedelen door overbrenging, de verspreiding of andere vormen van het ter beschikking stellen, het bijeenbrengen, het verbinden, alsook het beveiligen, het wissen of het vernietigen.

Verdovende middelen : Alle stoffen, zowel van natuurlijke als synthetische oorsprong, die voorkomen in Tabel I of Tabel II van het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen dat op 30 maart 1961 in New York werd ondertekend.

Psychotrope stoffen : Elke stof van natuurlijke of synthetische aard, of elk natuurlijk product vermeld in Tabel I, II, III of IV van het Verdrag van 21 februari 1971 inzake psychotrope stoffen.

Sluikhandel in verdovende middelen of psychotrope stoffen : De teelt, de vervaardiging of handel in verdovende middelen of psychotrope stoffen die strijdig zijn met de doelstellingen van het Verdrag van 30 maart 1961 inzake verdovende middelen, het Verdrag van 21 februari 1971 inzake psychotrope stoffen of het Verdrag van de Verenigde Naties van 20 december 1988 tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Dringend Verzoek : Een verzoek is dringend indien de naleving van de formele administratieve procedure, via de centrale organen, de preventieve actie of opsporingsactie kan hinderen of schaden.

Gebieden van samenwerking Artikel 2 1. Iedere Verdragsluitende Partij verbindt er zich toe om aan de andere Partij de meest ruime samenwerking te bieden op het terrein van de politiesamenwerking, overeenkomstig de regels en voorwaarden vastgelegd in dit Verdrag.2. De Verdragsluitende Partijen zullen samenwerken op het vlak van de voorkoming, de bestrijding en de vervolging van zware misdrijven met betrekking tot de georganiseerde criminaliteit, en in het bijzonder : - inbreuken tegen het leven, de gezondheid en de fysieke integriteit van personen; - inbreuken in verband met de illegale productie en de sluikhandel van verdovende middelen, psychotrope stoffen en precursoren; - illegale immigratie en mensensmokkel; - proxenetisme, mensenhandel en seksueel misbruik van kinderen; - afpersing van geld; - diefstal, sluikhandel en illegale handel in wapens, munitie, explosieven, radioactieve, nucleaire en andere gevaarlijke stoffen; - vervalsingen (vervaardiging, namaak, verandering en verdeling) van identiteitsdocumenten, betaalmiddelen, cheques en waardepapieren; - economische en financiële criminaliteit; - inbreuken tegen goederen, onder meer diefstal, illegale handel in kunstwerken en historische voorwerpen (diefstal met geweld, diefstal met braak); - diefstal met of zonder geweld, illegale handel en sluikhandel in motorvoertuigen en vervalsing en gebruik van vervalste documenten voor voertuigen; - witwassen van geld. 3. De zware misdrijven met betrekking tot de georganiseerde criminaliteit en die niet worden opgesomd in artikel 1, worden beoordeeld door de bevoegde overheden van de Verdagsluitende Partijen volgens het nationale recht van de Staten waartoe zij behoren. Artikel 3 De samenwerking tussen de Verdragsluitende Partijen zal eveneens betrekking hebben op : - de opsporing van verdwenen personen en hulp bij identificatie van niet-geïdentificeerde lijken; - de opsporing op het grondgebied van de Staat van een Verdragsluitende Partij van gestolen, verdwenen, verduisterde of verloren voorwerpen op het grondgebied van de andere Staat.

Artikel 4 De Verdragsluitende Partijen zullen samenwerken op de onder de artikelen 2 en 3 vermelde gebieden via : - uitwisseling van informatie met betrekking tot materies die tot de bevoegdheid van de politie- en immigratieoverheden behoren; - uitwisseling van materiaal; - technische en wetenschappelijke ondersteuning, expertises en de levering van gespecialiseerd technisch materiaal; - uitwisseling van ervaringen; - samenwerking op het vlak van de beroepsopleiding; - hulp bij de voorbereiding ter uitvoering van verzoeken tot rechtshulp; met inachtneming van de hieronder vermelde bepalingen.

Informatie-uitwisseling Artikel 5 De Verdragsluitende Partijen zullen elkaar bijstaan en instaan voor een nauwe en permanente samenwerking. Zij zullen onder meer alle relevante en belangrijke gegevens uitwisselen.

Deze samenwerking kan de vorm aannemen van een permanent contact via aan te stellen verbindingsofficieren.

Artikel 6 1. De Verdragsluitende Partijen verbinden zich ertoe dat hun politieoverheden, overeenkomstig het nationale recht en binnen de perken van hun bevoegdheden, elkaar bijstand verlenen met het oog op de voorkoming en de opsporing van strafbare feiten, op voorwaarde dat het nationale recht van de aangezochte Verdragsluitende Partij het verzoek of de uitvoering ervan niet voorbehoudt aan de gerechtelijke overheden.2. Elke Verdragsluitende Partij kan, overeenkomstig het nationale recht in bijzondere gevallen, en zonder een daartoe strekkend verzoek, aan de betrokken Verdragsluitende Partij gegevens meedelen die voor laatstgenoemde belangrijk kunnen zijn met het oog op het verlenen van bijstand inzake de voorkoming en de bestrijding van misdrijven bedoeld in artikel 2 van dit Verdrag of ter voorkoming van bedreigingen voor de openbare orde en veiligheid. Artikel 7 Elke informatie die door de aangezochte Verdragsluitende Partij wordt verstrekt, kan door de verzoekende Verdragsluitende Partij slechts als bewijsmiddel voor ten laste gelegde feiten worden aangewend, na een verzoek om rechtshulp krachtens de toepasselijke internationale regels.

Artikel 8 1. Verzoeken om bijstand en de antwoorden daarop moeten worden uitgewisseld tussen de centrale organen die door iedere Verdragsluitende Partij worden belast met de internationale politiesamenwerking en immigratie. Indien het onmogelijk is om het verzoek via de voornoemde weg tijdig te stellen, kan bij wijze van uitzondering en slechts in dringende gevallen de bevoegde overheid van de verzoekende Partij de vraag rechtstreeks aan de bevoegde overheid van de aangezochte Partij stellen. Deze laatste kan dan onmiddellijk antwoorden. In deze uitzonderlijke gevallen dient de verzoekende overheid zo vlug mogelijk het centrale orgaan belast met de internationale samenwerking van de aangezochte Verdragsluitende Partij op de hoogte te brengen van het rechtstreekse verzoek waarbij het dringende karakter wordt gemotiveerd. 2. De aanstelling van de centrale organen die met de internationale samenwerking zijn belast en de modaliteiten van de wederzijdse bijstand worden geregeld door overeenkomsten gesloten tussen de bevoegde Ministers van de Verdragsluitende Partijen. artikel 9 De verzoekende bevoegde overheid moet de graad van vertrouwelijkheid waarborgen die de aangezochte bevoegde overheid van de andere Verdragsluitende Partij aan de informatie heeft toegekend. De veiligheidsgraden zijn dezelfde als deze gebruikt door INTERPOL. Artikel 10 1. De Verdragsluitende Partijen kunnen verbindingsofficieren van de ene Verdragsluitende Partij voor bepaalde of onbepaalde tijd bij de andere Verdragsluitende Partij detacheren.2. Het detacheren van verbindingsofficieren voor bepaalde of onbepaalde tijd heeft als doel de samenwerking tussen de Verdragsluitende Partijen te bevorderen en te versnellen, onder meer door toe te stemmen in de ondersteuning : a) in de vorm van informatie-uitwisseling, zowel ter voorkoming als ter bestrijding van de criminaliteit;b) bij de uitvoering van verzoeken om rechtshulp in strafzaken;c) voor de noden van de uitvoering van de opdrachten van de overheden die belast zijn met het toezicht op de buitengrenzen en de immigratie;d) voor de noden van de uitvoering van de opdrachten van de overheden die belast zijn met de voorkoming van de bedreigingen voor de openbare orde.3. De verbindingsofficieren hebben een adviserende en ondersteunende taak.Zij zijn niet bevoegd om autonoom politiemaatregelen uit te voeren. Ze verstrekken informatie en voeren hun taken uit binnen het geheel van instructies die hun werden gegeven door de Verdragsluitende Partij waarvan ze afkomstig zijn en door de Verdragsluitende Partij waarbij ze gedetacheerd zijn. Ze brengen regelmatig verslag uit bij het centrale orgaan dat belast is met de politiesamenwerking van de Verdragsluitende Partij waarbij ze gedetacheerd zijn. 4. De bevoegde Ministers van de Verdragsluitende Partijen kunnen overeenkomen dat de verbindingsofficieren van een Verdragsluitende Partij, gedetacheerd bij derde landen, eveneens de belangen van de andere Verdragsluitende Partij vertegenwoordigen.5. De verbindingsofficier kan met een derde diplomatieke zending van een Staat van de Europese Unie verbonden zijn en erbij worden geaccrediteerd. Bescherming van persoonsgegevens Artikel 11 1. In toepassing van dit Verdrag is de verwerking van persoonsgegevens onderworpen aan het respectieve nationale recht van elke Verdragsluitende Partij.2. Wat de verwerking van persoonsgegevens in toepassing van dit Verdrag betreft, verbinden de Verdragsluitende Partijen er zich toe de persoonsgegevens te beschermen volgens de beginselen van het Verdrag van de Raad van Europa van 28 januari 1981 tot bescherming van personen ten opzichte van de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens en van de Aanbeveling A (87) 15 van 17 september 1987 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa dat het gebruik van persoonsgegevens voor politiedoeleinden regelt.3. Wat de verwerking van de overgebrachte persoonsgegevens in toepassing van dit Verdrag betreft, zijn de volgende bepalingen van toepassing : a) de ontvangende Verdragsluitende Partij mag de gegevens enkel gebruiken voor de doeleinden waarvoor dit Verdrag in de overbrenging van dergelijke gegevens voorziet.Het gebruik van de gegevens voor andere doeleinden is alleen mogelijk na voorafgaande toestemming vanwege de Verdragsluitende Partij die de gegevens overbrengt en met inachtneming van de wetgeving van de ontvangende Verdragsluitende Partij; b) de gegevens mogen alleen worden gebruikt door de gerechtelijke overheden, de diensten en organen die een taak of functie uitvoeren binnen het geheel van de doeleinden bepaald in dit Verdrag, meer bepaald in de artikelen 2 en 3.De Partijen dienen de lijst van de gebruikers mee te delen; c) de Verdragsluitende Partij die de gegevens overbrengt, dient erop toe te zien dat ze juist en volledig zijn.Zij moet er eveneens op toezien dat deze gegevens niet langer dan nodig worden bewaard. Indien zij op eigen initiatief of als gevolg van een vraag van de betrokken persoon vaststelt dat de verstrekte gegevens onjuist zijn of niet overgebracht dienden te worden, moet(en) de ontvangende Verdragsluitende Partij(en) daarvan onmiddellijk op de hoogte worden gebracht. Deze Verdragsluitende Partij(en) dient (dienen) de gegevens te corrigeren of te vernietigen, of erbij te vermelden dat ze onjuist zijn of niet dienden te worden overgebracht; d) een Verdragsluitende Partij mag zich niet beroepen op het feit dat de andere Verdragsluitende Partij onjuiste gegevens zou hebben overgebracht om zich jegens een benadeeld persoon te ontlasten van haar aansprakelijkheid naar nationaal recht;e) de overbrenging en ontvangst van persoonsgegevens dienen te worden geregistreerd.De Verdragsluitende Partijen dienen de lijst uit te wisselen van de overheden of diensten die de toestemming hebben om de registraties te raadplegen; f) de toegang tot de gegevens wordt geregeld door het nationale recht van de Verdragsluitende Partij waaraan de betrokken persoon zijn vraag richt.De gegevens worden slechts verstrekt nadat daartoe toestemming werd gegeven door de Verdragsluitende Partij waarvan de gegevens afkomstig zijn; g) de ontvangende Verdragsluitende Partij mag de gegevens enkel gebruiken voor de doeleinden bepaald door de Verdragsluitende Partij die de gegevens verstrekt en overeenkomstig de voorwaarden die deze Verdragsluitende Partij oplegt.4. Bovendien zijn wat de overbrenging betreft, de hiernavolgende bepalingen van toepassing : a) de gegevens mogen enkel worden overgebracht aan politie- en immigratiediensten en -overheden.De mededeling ervan aan andere organen, die dezelfde doeleinden beogen als deze diensten en overheden en die handelen binnen hetzelfde kader, kan enkel geschieden na voorafgaande toestemming van de Verdragsluitende Partij die de persoonsgegevens verstrekt; b) de ontvangende Verdragsluitende Partij deelt, indien gevraagd, aan de verstrekkende Verdragsluitende Partij mee waarvoor de gegevens werden gebruikt en welke resultaten de overgebrachte gegevens opleverden.5. Elke Verdragsluitende Partij duidt een controleoverheid aan die, overeenkomstig het nationale recht, belast is met de uitoefening, op haar grondgebied, van een onafhankelijke controle op de verwerking van persoonsgegevens uitgevoerd op basis van dit Verdrag en die moet bevestigen of de bovengenoemde verwerking de rechten van de betrokken persoon niet schendt.De controleoverheden zijn eveneens bevoegd om de problemen omtrent de toepassing en interpretatie van dit Verdrag in verband met de verwerking van persoonsgegevens te onderzoeken. Deze controleoverheden kunnen overeenkomen samen te werken in het kader van de opdrachten die hen door dit Verdrag worden toegekend.

Artikel 12 Wanneer de persoonsgegevens worden overgebracht via een verbindingsofficier, zoals bedoeld in artikel 10, worden de bepalingen van dit Verdrag enkel toegepast wanneer deze verbindingsambtenaar die gegevens overbrengt aan de Verdragsluitende Partij waarbij hij werd gedetacheerd.

Uitzondering Artikel 13 Elk van de Verdragsluitende Partijen weigert bijstand wanneer het gaat om politieke of militaire misdrijven of wanneer die bijstand strijdig blijkt te zijn met de wettelijke bepalingen die van kracht zijn op haar grondgebied.

Elk van de Verdragsluitende Partijen kan bijstand weigeren of deze aan voorwaarden onderwerpen wanneer het gaat om met politieke of militaire misdrijven samenhangende misdrijven of wanneer de bijstandsverlening de soevereiniteit, de veiligheid, de openbare orde of andere essentiële belangen van de Staat in gevaar zou kunnen brengen.

Andere vormen van samenwerking Artikel 14 1. De Verdragsluitende Partijen komen overeen om elkaar wederzijds bijstand te verlenen op het vlak van beroepsopleiding en technische bijstand voor problemen met betrekking tot het functioneren van de politiediensten.2. De Verdragsluitende Partijen komen overeen om hun praktische ervaringen uit te wisselen omtrent alle voornoemde gebieden van dit Verdrag.3. De wijze waarop de wederzijdse bijstand zal worden verleend, wordt geregeld door overeenkomsten tussen de bevoegde Ministers van de Verdragsluitende Partijen. Overleg Artikel 15 1. De bevoegde Ministers van de Verdragsluitende Partijen kunnen permanente of tijdelijke werkgroepen oprichten die belast zijn met het onderzoek van de gemeenschappelijke problemen met betrekking tot de voorkoming en de bestrijding van de criminaliteit zoals bepaald in artikel 2, en de gebieden van samenwerking zoals bepaald in artikel 3 en, in voorkomend geval, met de uitwerking van voorstellen om, indien nodig, de praktische en technische aspecten van de samenwerking tussen de Verdragsluitende Partijen te verbeteren.2. De onkosten die worden gemaakt in het kader van de samenwerking, zullen respectievelijk door elke Verdragsluitende Partij worden gedragen, behalve wanneer de vertegenwoordigers van de Verdragsluitende Partijen, daartoe behoorlijk gemachtigd, daar anders over beslissen.3. De bevoegde Ministers van de Verdragsluitende Partijen richten een evaluatiegroep op die om de drie jaar een rapport zal voorleggen aan de Ministers. Geschillenregeling Artikel 16 Alle geschillen betreffende de interpretatie of de toepassing van dit Verdrag zullen worden beslecht door een gemengde adviescommissie.

Er wordt een gemengde adviescommissie opgericht, samengesteld uit vertegenwoordigers van de Ministeries van Buitenlandse Zaken, Binnenlandse Zaken en Justitie. Zij zal samenkomen op verzoek van de ene of andere Staat of elke keer indien nodig, om de regeling van problemen inzake de interpretatie of de toepassing van dit Verdrag te vergemakkelijken.

Slotbepalingen Artikel 17 De bepalingen van dit Verdrag zijn enkel van toepassing indien zij verenigbaar zijn met het nationale recht.

Het toezicht op de uitvoering van dit Verdrag wordt uitgeoefend overeenkomstig het nationale recht van elke Verdragsluitende Partij.

Artikel 18 De Verdragsluitende Partijen zullen elkaar schriftelijk en langs diplomatieke weg kennis geven van de vervulling van de wettelijke vormvoorschriften, vereist voor de inwerkingtreding van dit Verdrag.

Het Verdrag zal in werking treden op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de datum waarop de laatste kennisgeving wordt ontvangen.

Dit Verdrag wordt gesloten voor onbeperkte tijd. Elke Verdragsluitende Partij kan het Verdrag opzeggen door middel van een schriftelijke kennisgeving die langs diplomatieke weg aan de andere Verdragsluitende Partij wordt gericht. De opzegging heeft uitwerking 6 maanden na datum van ontvangst.

Artikel 19 Elke Verdragsluitende Partij kan aan de andere Verdragsluitende Partij voorstellen doen toekomen die een wijziging van dit Verdrag beogen. De wijzigingen van dit Verdrag worden door de Verdragsluitende Partijen in onderlinge overeenstemming besloten.

Ten blijke waarvan, de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.

Gedaan te Brussel, op 22 maart 2005, in twee oorspronkelijke exemplaren, elk in de Albanese, de Franse en de Nederlandse taal, de drie teksten zijnde gelijkelijk authentiek.

^