Wet van 21 december 2009
gepubliceerd op 19 januari 2010
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Wet betreffende het statuut van de betalingsinstellingen, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en de toegang tot betalingssystemen

bron
federale overheidsdienst financien
numac
2009003476
pub.
19/01/2010
prom.
21/12/2009
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

21 DECEMBER 2009. - Wet betreffende het statuut van de betalingsinstellingen, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en de toegang tot betalingssystemen


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt : TITEL 1. - Doel. - Definities Betalingsdienstaanbieders

Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2.Deze wet voorziet in de omzetting van de titels I en II en de artikelen 83, 86 (1) en (2), 88, 92 en 94 van Richtlijn 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, tot wijziging van de Richtlijnen 97/7/EG, 2002/65/EG, 2005/60/EG en 2006/48/EG, en tot intrekking van Richtlijn 97/5/EG.

Art. 3.Deze wet regelt het bedrijf van betalingsdienstaanbieder, het statuut van betalingsinstelling en de toegang tot betalingssystemen, alsook het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen.

Art. 4.Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder : 1° betalingsdienst : elke bedrijfsactiviteit bedoeld in bijlage I; de activiteiten bedoeld in bijlage II vallen niet onder de toepassing van deze wet; 2° betalingstransactie : een door de betaler of de begunstigde geïnitieerde handeling waarbij geldmiddelen worden gedeponeerd, overgemaakt of opgenomen, ongeacht of er onderliggende verplichtingen tussen de betaler en de begunstigde zijn;3° betalingsopdracht : een door een betaler of begunstigde aan zijn betalingsdienstaanbieder gegeven instructie om een betalingstransactie uit te voeren;4° betaalrekening : een op naam van een of meer betalingsdienstgebruikers aangehouden rekening die voor de uitvoering van betalingstransacties wordt gebruikt;5° betalingssysteem : geldovermakingssysteem met formele en gestandaardiseerde regelingen en gemeenschappelijke regels voor de verwerking, verrekening en/of afwikkeling van betalingstransacties;6° betalingsdienstaanbieders : de in artikel 5 bedoelde instellingen en overheden die betalingsdiensten verrichten;7° betalingsdienstgebruiker : natuurlijke of rechtspersoon die in de hoedanigheid van betaler, begunstigde of beide van een betalingsdienst gebruikmaakt;8° betalingsinstelling : een instelling als bedoeld in titel II;9° betaler : hetzij een natuurlijke of rechtspersoon die houder is van een betaalrekening en een betalingstransactie vanaf die betaalrekening toestaat, hetzij bij ontbreken van een betaalrekening, een natuurlijke of rechtspersoon die een betalingsopdracht geeft;10° begunstigde : natuurlijke of rechtspersoon die de beoogde uiteindelijke ontvanger is van de geldmiddelen waarop een betalingstransactie betrekking heeft;11° geldmiddelen : bankbiljetten en muntstukken, giraal geld en elektronisch geld in de zin van artikel 3, § 1, 7°, van de bankwet;12° geldtransfer : een betalingsdienst waarbij, zonder opening van betaalrekeningen op naam van de betaler of de begunstigde, van een betaler geldmiddelen worden ontvangen met als enig doel het daarmee overeenstemmende bedrag over te maken aan een begunstigde of aan een andere, voor rekening van de begunstigde handelende betalingsdienstaanbieder, en/of waarbij de geldmiddelen voor rekening van de begunstigde worden ontvangen en aan de begunstigde beschikbaar worden gesteld; domiciliëring : een betalingsdienst voor het debiteren van de betaalrekening van een betaler, waarbij een betalingstransactie wordt geïnitieerd door de begunstigde op basis van een door de betaler aan de begunstigde, aan de belatingsdienstaanbieder van de begunstigde of aan de betalingsdienstaanbieder van de betaler verstrekte instemming; 13° betaalinstrument : gepersonaliseerd(e) instrument(en) en/of geheel van procedures, overeengekomen tussen de betalingsdienstgebruiker en de betalingsdienstaanbieder, waarvan de betalingsdienstgebruiker gebruikmaakt om de betalingsdienstaanbieder in staat te stellen een betalingsopdracht te initiëren;14° bijkantoor : een bedrijfszetel die niet het hoofdkantoor is en die een onderdeel zonder rechtspersoonlijkheid vormt van een betalingsinstelling, en rechtstreeks, geheel of gedeeltelijk, de handelingen verricht die eigen zijn aan de werkzaamheden van een betalingsinstelling;verscheidene bedrijfszetels in eenzelfde lidstaat van een betalingsinstelling met hoofdkantoor in een andere lidstaat worden als één bijkantoor beschouwd; 15° agent : natuurlijke of rechtspersoon die bij de uitvoering van betalingsdiensten voor rekening van een betalingsinstelling optreedt;16° nauwe banden : a) een situatie waarin een deelnemingsverhouding bestaat, of b) een situatie waarin ondernemingen verbonden ondernemingen zijn, of c) een band van dezelfde aard als bedoeld in de bovenstaande bepalingen onder a) en b) tussen een natuurlijke persoon en een rechtspersoon;17° uitbesteding : een overeenkomst van om het even welke vorm tussen een betalingsinstelling en een dienstverlener op grond waarvan deze dienstverlener een proces, een dienst of een activiteit verricht die anders door de betalingsinstelling zelf zou worden verricht;18° belangrijke operationele taak : een taak die bij een gebrekkige of tekortschietende uitvoering ervan wezenlijk nadelige gevolgen zou hebben voor de voortdurende inachtneming door de betalingsinstelling van de vergunningsvoorwaarden en -verplichtingen of andere verplichtingen waaraan zij uit hoofde van wettelijke verplichtingen onderworpen is, dan wel voor haar financiële resultaten, haar soliditeit of de continuïteit van haar diensten;19° een gereglementeerde onderneming : een gereglementeerde onderneming als bedoeld in artikel 1, 7°, van het koninklijk besluit van 21 november 2005 over het aanvullend groepstoezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen, beleggingsondernemingen en beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging in een financiële dienstengroep, en tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 februari 1991 houdende het algemeen reglement betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen en het koninklijk besluit van 12 augustus 1994 over het toezicht op geconsolideerde basis op kredietinstellingen;20° een groep : een groep als bedoeld in artikel 49bis, § 1, 1°, van de bankwet;21° lidstaat van herkomst : i) de lidstaat waar de statutaire zetel van de betalingsinstelling gelegen is; ii) indien de betalingsinstelling overeenkomstig zijn nationale wetgeving geen statutaire zetel heeft, de lidstaat waar zijn hoofdkantoor gevestigd is; 22° bankwet : wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen;23° wet van 2 augustus 2002 : wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten;24° EER : Europese Economische Ruimte;25° Richtlijn 2007/64/EG : Richtlijn 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, tot wijziging van de Richtlijnen 97/7/EG, 2002/65/EG, 2005/60/EG en 2006/48/EG, en tot intrekking van Richtlijn 97/5/EG;26° CBFA : Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen.

Art. 5.Enkel de hiernavolgende instellingen en overheden mogen betalingsdiensten in België aanbieden : 1° de in België gevestigde kredietinstellingen in de zin van de bankwet en de kredietinstellingen die zijn opgericht naar het recht van een andere lidstaat van de EER waarvoor de regeling geldt van artikel 66 van de bankwet;2° de in België gevestigde instellingen voor elektronisch geld in de zin van artikel 1, derde lid, van de bankwet en de instellingen voor elektronisch geld die zijn opgericht naar het recht van een andere lidstaat van de EER waarvoor de regeling geldt van artikel 66bis van de bankwet;3° De Post NV van publiek recht;4° de Nationale Bank van België en de Europese Centrale Bank;5° de Belgische federale, regionale en lokale overheden en de overheden van de gemeenschappen in België;6° de betalingsinstellingen bedoeld in titel II met inbegrip van de rechtspersonen aan wie geheel of gedeeltelijk vrijstelling verleend is als bedoeld in artikel 48. De in het eerste lid, 3°, 4° en 5°, bedoelde overheden en instellingen zijn gerechtigd betalingsdiensten in België aan te bieden, voor zover zij krachtens de wetgeving die hun opdrachten regelt of hun statuten daartoe bevoegd of gerechtigd zijn.

TITEL 2. - De betalingsinstellingen HOOFDSTUK 1. - De betalingsinstellingen naar Belgisch recht Afdeling 1. - Vereiste van bedrijfsvergunning

Art. 6.Iedere rechtspersoon waarvan België de lidstaat van herkomst is en die betalingsdiensten wil aanbieden in de hoedanigheid van betalingsinstelling, moet alvorens zijn werkzaamheden aan te vangen, van de CBFA een vergunning verkrijgen ongeacht de overige plaatsen waar hij werkzaam is.

Art. 7.Bij zijn vergunningsaanvraag voegt de aanvrager de volgende gegevens : 1° een programma van werkzaamheden, met opgaaf van de voorgenomen betalingsdiensten en de in artikel 21, §§ 1 en 2, bedoelde andere werkzaamheden;2° een bedrijfsplan met inbegrip van een financiële planning voor de eerste drie boekjaren, welke aantoont dat de aanvrager beschikt over de voor zijn werkzaamheden en voorgenomen werkzaamheden passende systemen, middelen en procedures om een gezonde bedrijfsvoering inzake betalingsdiensten te garanderen;3° het bewijs dat de aanvrager beschikt over het in artikel 11 bedoelde aanvangskapitaal;4° voor de betalingsinstellingen die naast betalingsdiensten andere werkzaamheden verrichten in de zin van artikel 21, een beschrijving van de maatregelen die de instelling overeenkomstig artikel 22, § 1, heeft genomen ter bescherming van de middelen van de betalingsdienstgebruikers;5° een beschrijving van de door de aanvrager genomen maatregelen op het vlak van goed bestuur en interne controlemechanismen, daarin begrepen de van toepassing zijnde procedures inzake administratieve en boekhoudkundige organisatie en risicobeheer, waaruit de naleving blijkt van artikel 14, §§ 1 tot en met 3;6° een beschrijving van de interne controlemechanismen die de aanvrager heeft opgezet om te voldoen aan de verplichtingen bepaald bij de Verordening (EG) nr.1781/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2006 betreffende bij geldovermakingen te voegen informatie over de betaler en het bepaalde bij de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme; 7° een beschrijving van de organisatiestructuur van het betalingsdienstenbedrijf van de aanvrager, met in voorkomend geval een beschrijving van het voorgenomen gebruik van agenten en bijkantoren en van de regelingen voor uitbesteding, alsmede van zijn deelname aan een nationaal of internationaal betalingssysteem;8° de identiteit van natuurlijke of rechtspersonen die, rechtstreeks of onrechtstreeks, in het kapitaal van de aanvrager, een gekwalificeerde deelneming bezitten in de zin van artikel 3, § 1, 3°, van de bankwet, alsmede de omvang van hun deelneming in kapitaalfracties en stemrechten, en het bewijs van hun geschiktheid gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid van de betalingsinstelling; de stemrechten worden berekend conform de bepalingen van de wet van 2 mei 2007 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in emittenten waarvan aandelen zijn toegelaten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt en houdende diverse bepalingen, alsook conform de bepalingen van haar uitvoeringsbesluiten; 9° de identiteit van de personen die deelnemen aan het bestuur of het beleid van de betalingsinstelling, en van de personen die deelnemen aan de effectieve leiding van het betalingsdienstenbedrijf in een betalingsinstelling, alsmede het bewijs van hun professionele betrouwbaarheid, deskundigheid en passende ervaring in de zin van artikel 13;10° de identiteit van de commissaris-revisor of commissarisen-revisoren;11° de rechtsvorm en de statuten van de aanvrager;12° het bewijs van toetreding tot een buitengerechtelijke klachtenregeling inzake betalingsdiensten.Hij dient ofwel zelf toegetreden te zijn tot een dergelijke klachtenregeling, ofwel lid te zijn van een beroepsvereniging die is toegetreden tot een dergelijke klachtenregeling. Hij dient bij te dragen tot de financiering van bedoelde klachtenregeling; de Koning kan een buitengerechtelijke klachtenregeling oprichten met als opdracht geschillen tussen, enerzijds, betalingsdienstaanbieders en, anderzijds, betalingsdienstgebruikers en andere belanghebbenden, met inbegrip van consumentenverenigingen te helpen oplossen, door hierover advies te verstrekken of op te treden als bemiddelaar; 13° het adres van hoofdbestuur van de aanvrager. Voor de toepassing van het eerste lid, 4°, 5° en 7°, geeft de aanvrager een beschrijving van de regelingen inzake interne audit en organisatie die hij heeft getroffen met het oog op het nemen van alle redelijke maatregelen om de belangen van de betalingsdienstgebruikers te beschermen en de continuïteit en betrouwbaarheid bij het uitvoeren van betalingsdiensten te garanderen.

De aanvrager moet de CBFA op haar vraag alle verdere aanvullende inlichtingen verstrekken om de CBFA toe te laten na te gaan of de aanvrager voldoet aan de voorwaarden bedoeld in het eerste en tweede lid, en haar toe te laten zich een passend oordeel te vormen.

Art. 8.De CBFA verleent de aangevraagde vergunning aan de instellingen die voldoen aan de voorwaarden bepaald bij artikel 7 en afdeling II, en voor zover zij over de gehele lijn tot een positief oordeel komt.

Binnen drie maanden na voorlegging van een volledig dossier spreekt de CBFA zich uit over de aanvraag en brengt zij haar beslissing ter kennis van de aanvrager met een ter post aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs.

De CBFA kan, gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid van de instelling, in haar vergunning voorwaarden stellen aan de uitoefening van bepaalde van de voorgenomen werkzaamheden.

De CBFA informeert onverwijld de Nationale Bank van België telkenmale zij een vergunning aan een betalingsinstelling verleent. Deze informatieverstrekking gebeurt onverminderd artikel 8 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België.

Art. 9.De instellingen die krachtens dit hoofdstuk vergund zijn als betalingsinstelling, worden ingeschreven in een daartoe door de CBFA bijgehouden register. De CBFA maakt de lijst van de vergunningverleende betalingsinstellingen bekend op haar website. De CBFA zorgt voor een regelmatige actualisering van de op de website verstrekte informatie.

De in het eerste lid bedoelde lijst vermeldt voor iedere betalingsinstelling minstens de volgende informatie : - de betalingsdiensten waarvoor een vergunning verleend is; - het adres van haar buitenlandse bijkantoren en de identiteit van haar agenten bedoeld in, respectievelijk, de artikelen 19 en 20. Afdeling 2. - Bedrijfsvergunningsvoorwaarden

Art. 10.De betalingsinstellingen naar Belgisch recht moeten worden opgericht in de rechtsvorm van een handelsvennootschap, met uitzondering van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die is opgericht door één enkele persoon.

Art. 11.Elke betalingsinstelling moet op het tijdstip waarop haar vergunning wordt verleend, over een aanvangskapitaal beschikken dat : a) ten minste 20.000 euro bedraagt, wanneer de betalingsinstelling enkel de in punt 6 van bijlage I bedoelde betalingsdiensten verricht; b) ten minste 50.000 euro bedraagt, wanneer de betalingsinstelling enkel de in punt 7 of de in punten 6 en 7 van bijlage I bedoelde betalingsdiensten verricht; c) ten minste 125.000 euro bedraagt, wanneer de instelling een of meerdere van de in de punten 1 tot en met 5 van bijlage I bedoelde betalingsdiensten verricht.

Voor de berekening van het in het eerste lid bedoelde aanvangskapitaal komen de volgende bestanddelen in aanmerking : het volstort kapitaal, de uitgiftepremies, de reserves en het overgedragen resultaat, met uitsluiting in voorkomend geval van de cumulatief preferente aandelen en de herwaarderingsreserves, en na aftrek van overgedragen verliezen en goodwill.

Art. 12.De vergunning wordt geweigerd wanneer de CBFA, gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid van de betalingsinstelling, niet overtuigd is van de geschiktheid van de in artikel 7, eerste lid, 8°, bedoelde natuurlijke of rechtspersonen.

Art. 13.§ 1. De effectieve leiding van een betalingsinstelling moet toevertrouwd worden aan ten minste twee natuurlijke personen.

De personen die deelnemen aan het bestuur of het beleid van een betalingsinstelling, en de personen die deelnemen aan de effectieve leiding van het betalingsdienstenbedrijf in een betalingsinstelling, moeten over de voor de uitoefening van hun taken inzake betalingsdiensten vereiste professionele betrouwbaarheid, deskundigheid en passende ervaring beschikken. § 2. Artikel 19 van de bankwet is van toepassing.

Art. 14.§ 1. Iedere betalingsinstelling moet beschikken over een voor haar werkzaamheden of voorgenomen werkzaamheden inzake betalingsdiensten en activiteiten bedoeld in artikel 21, § 2, 1°, passende beleidsstructuur, administratieve en boekhoudkundige organisatie, controle- en beveiligingsmaatregelen met betrekking tot de elektronische informatieverwerking, en interne controle.

Zij houdt daarbij rekening met de aard, de omvang en de complexiteit van deze werkzaamheden en de eraan verbonden risico's. § 2. Iedere betalingsinstelling dient te beschikken over een passende beleidsstructuur, waaronder inzonderheid dient te worden verstaan : een coherente en transparante organisatiestructuur, met inbegrip van een passende functiescheiding; een duidelijk omschreven, transparant en samenhangend geheel van verantwoordelijkheidstoewijzingen; en passende procedures voor de identificatie, de meting, het beheer en de opvolging van en de interne verslaggeving over de belangrijke risico's die de betalingsinstelling loopt ingevolge haar werkzaamheden of voorgenomen werkzaamheden. § 3. Iedere betalingsinstelling dient een passende interne controle te organiseren, waarvan de werking minstens jaarlijks dient te worden beoordeeld. Wat haar administratieve en boekhoudkundige organisatie betreft, dient zij een systeem van interne controle te organiseren dat een redelijke mate van zekerheid verschaft over de betrouwbaarheid van het financiële verslaggevingproces, zodat de jaarrekening in overeenstemming is met de geldende boekhoudreglementering.

Iedere betalingsinstelling neemt de nodige maatregelen om blijvend te kunnen beschikken over een passende onafhankelijke interne auditfunctie.

Iedere betalingsinstelling werkt een passend integriteitsbeleid uit dat geregeld wordt geactualiseerd.

Iedere betalingsinstelling dient te beschikken over een passende onafhankelijke risicobeheerfunctie. § 4. De CBFA kan, onverminderd het bepaalde bij de paragrafen 1, 2 en 3, nader bepalen wat moet worden verstaan onder een passende beleidsstructuur, een passende interne controle, een passende onafhankelijke interne auditfunctie, een passend integriteitsbeleid en een passende risicobeheerfunctie. § 5. Onverminderd de bevoegdheden van het wettelijke bestuursorgaan inzake vaststelling van het algemeen beleid als bepaald bij het Wetboek van Vennootschappen, nemen de personen belast met de effectieve leiding van de betalingsinstelling, in voorkomend geval het directiecomité, onder toezicht van het wettelijke bestuursorgaan de nodige maatregelen voor de naleving van het bepaalde bij de paragrafen 1, 2 en 3.

Het wettelijke bestuursorgaan van de betalingsinstelling, in voorkomend geval via het auditcomité, dient minstens jaarlijks te controleren of de instelling beantwoordt aan het bepaalde bij de paragrafen 1, 2 en 3 en het eerste lid van deze paragraaf, en neemt kennis van de genomen passende maatregelen.

De personen belast met de effectieve leiding, in voorkomend geval het directiecomité, lichten minstens jaarlijks het wettelijke bestuursorgaan, de CBFA en de erkende commissaris in over de naleving van het bepaalde bij het eerste lid van deze paragraaf en over de genomen passende maatregelen.

De informatieverstrekking aan de CBFA en de erkende commissaris gebeurt volgens de modaliteiten die de CBFA bepaalt. § 6. De erkende commissaris brengt bij het wettelijke bestuursorgaan, in voorkomend geval via het auditcomité, tijdig verslag uit over de belangrijke kwesties die aan het licht zijn gekomen bij de wettelijke controleopdracht, in het bijzonder over ernstige tekortkomingen in het financiële verslaggevingproces m.b.t. de werkzaamheden inzake betalingsdiensten en activiteiten bedoeld in artikel 21, § 2, 1°. § 7. Als de betalingsinstelling nauwe banden heeft met andere natuurlijke of rechtspersonen, mogen die banden geen belemmering vormen voor het prudentieel toezicht op de betalingsinstelling.

Als de betalingsinstelling nauwe banden heeft met een natuurlijke of rechtspersoon die ressorteert onder het recht van een Staat die geen lid is van de EER, mogen de voor die persoon geldende wettelijke, reglementaire en bestuursrechtelijke bepalingen of hun uitvoering, geen belemmering vormen voor het prudentieel toezicht op de betalingsinstelling.

Art. 15.Het hoofdbestuur van een betalingsinstelling moet in België gevestigd zijn. Afdeling 3. - Bedrijfsuitoefeningsvoorwaarden

Art. 16.De betalingsinstellingen moeten te allen tijde voldoen aan de voorwaarden bepaald bij de artikelen 10, 13, 14 en 15.

Wanneer de overeenkomstig artikel 7 bij de vergunningsaanvraag verstrekte gegevens wijzigen of gewijzigd zijn, brengt de betalingsinstelling de CBFA hiervan onverwijld op de hoogte.

Art. 17.§ 1. Het eigen vermogen van een betalingsinstelling mag op geen enkel moment dalen onder het bedrag van het bij artikel 11 vastgestelde aanvangskapitaal. § 2. De CFBA bepaalt, overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 2007/64/EG, bij reglement de verplichtingen inzake solvabiliteit die door alle betalingsinstellingen of per categorie van betalingsinstellingen moeten nageleefd worden. Het reglement kan voorzien in verschillende methodes om de na te leven solvabiliteitsverplichtingen te berekenen. De CBFA is gemachtigd om te bepalen welke methode van toepassing is op een of meerdere betalingsinstellingen of categorieën van betalingsinstellingen.

Wanneer een betalingsinstelling samen met andere betalingsinstellingen of gereglementeerde ondernemingen deel uitmaakt van een groep, neemt de CBFA maatregelen om het meervoudig gebruik van eigen vermogen binnen de groep te vermijden. De CBFA kan nader bepalen volgens welke methodes het meervoudig gebruik van eigen vermogen berekend wordt. Het bepaalde bij dit lid is van overeenkomstige toepassing in het geval een betalingsinstelling rechtstreeks of onrechtstreeks andere werkzaamheden dan betalingsdiensten verricht als bedoeld in artikel 21.

Onverminderd de solvabiliteitsverplichtingen bepaald bij paragraaf 1 en bij het eerste en tweede lid, kan de CBFA aanvullende maatregelen nemen in het geval van een betalingsinstelling die rechtstreeks of onrechtstreeks andere werkzaamheden dan betalingdiensten verricht als bedoeld in artikel 21, wanneer deze andere werkzaamheden afbreuk doen of dreigen te doen aan de financiële soliditeit van de betalingsinstelling.

In bijzondere gevallen kan de CBFA met redenen omklede afwijkingen toestaan van de bepalingen van de met toepassing van dit artikel genomen reglementen.

De in het eerste lid bedoelde reglementen worden genomen overeenkomstig artikel 64 van de wet van 2 augustus 2002, na advies van de Nationale Bank van België.

Art. 18.De toestemming van de CBFA is vereist voor fusies tussen betalingsinstellingen of voor fusies tussen betalingsinstellingen en andere financiële instellingen.

Worden voor de toepassing van dit artikel met fusies gelijkgesteld, overdrachten van het bedrijf en integrale of gedeeltelijke overdrachten van het net.

De CBFA kan haar toestemming enkel weigeren binnen drie maanden nadat zij van het project in kennis is gesteld met voorlegging van een volledig dossier, om redenen die verband houden met het gezond en voorzichtig beleid van de betalingsinstelling. Als zij niet binnen voornoemde termijn optreedt, wordt de toestemming geacht te zijn verkregen.

Art. 19.Iedere betalingsinstelling die op het grondgebied van een andere lidstaat van de EER, hetzij een bijkantoor wenst te vestigen om er alle of een deel van de als bijlage I opgesomde betalingsdiensten te verrichten die haar in België zijn toegestaan, hetzij voornemens is, zonder er een bijkantoor te vestigen, alle of een deel van de als bijlage I opgesomde betalingsdiensten te verrichten die haar in België zijn toegestaan, stelt de CBFA daarvan in kennis.

Bij deze kennisgeving wordt een programma van werkzaamheden gevoegd waarin met name de aard van de voorgenomen betalingsdiensten en andere werkzaamheden bedoeld bij artikel 21, § 2, vermeld wordt, alsook in geval van oprichting van een bijkantoor, de gegevens over de organisatiestructuur van het bijkantoor, de domiciliëring van de correspondentie in de betrokken lidstaat en de naam van de leiders van het bijkantoor.

De CBFA kan zich verzetten tegen de uitvoering van het project bij beslissing die is ingegeven door de nadelige gevolgen van de opening van een bijkantoor op de organisatie, de financiële positie of de controle van de betalingsinstelling.

De beslissing van de CBFA wordt uiterlijk vier weken na ontvangst van het volledige dossier met alle in het tweede lid bedoelde gegevens, met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs ter kennis gebracht van de betalingsinstelling.

De CBFA deelt, voor zover zij zich niet verzet, binnen een maand na ontvangst van de in het eerste bedoelde kennisgeving, de in het tweede lid bedoelde informatie mee aan de toezichthoudende autoriteit voor betalingsinstellingen in het betrokken land.

Dit artikel geldt, met uitzondering van het derde lid, eveneens voor de opening van bijkantoren in een Staat die geen lid is van de EER, welke ook de geplande werkzaamheden van deze bijkantoren zijn. In dit geval kan de CBFA in overleg met de toezichthoudende autoriteiten voor betalingsinstellingen van dat land, regels vaststellen voor de opening en het toezicht op het bijkantoor alsook voor de wenselijke informatie-uitwisseling tussen de beide autoriteiten.

Iedere betalingsinstelling die in het buitenland een bijkantoor heeft geopend, stelt de CBFA ten minste één maand op voorhand in kennis van alle wijzigingen in de conform het tweede lid verstrekte gegevens.

Art. 20.§ 1. Onverminderd artikel 8, derde lid, is het de betalingsinstellingen toegelaten betalingsdiensten te verrichten via een agent.

Wanneer een betalingsinstelling voornemens is betalingsdiensten te verrichten via een agent, verstrekt zij de CBFA voorafgaandelijk de volgende gegevens in verband met de agent : a) de naam, voornamen, woon- en verblijfplaats en geboortedatum van de agent die een fysiek persoon is;b) de maatschappelijke benaming, de rechtsvorm en het adres van de maatschappelijke zetel of het hoofdbestuur van de agent die een rechtspersoon is;c) de voorgenomen betalingsdiensten;d) een beschrijving van de interne controlemechanismen die de agent heeft opgezet om te voldoen aan de verplichtingen bepaald bij de Verordening (EG) nr.1781/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2006 betreffende bij geldovermakingen te voegen informatie over de betaler en het bepaalde bij de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financieel stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme; e) de naam, voornamen, woon- en verblijfplaats en geboortedatum van de personen belast met het bestuur en de effectieve leiding;f) het bewijs van de vereiste professionele betrouwbaarheid en de voor de uitoefening van hun taak vereiste deskundigheid voor de in a) en e) bedoelde personen;g) de organisatiestructuur. De betalingsinstellingen verstrekken de CBFA op diens verzoek alle nuttige informatie teneinde haar toe te laten de juistheid en volledigheid van de in het eerste lid bedoelde gegevens te verifiëren. § 2. Na ontvangst en verificatie van de in paragraaf 1 bedoelde gegevens, en voor zover deze geen bemerkingen inzake juistheid en volledigheid oproepen, schrijft de CBFA de agent in in het in artikel 9 bedoelde register. Het bepaalde bij artikel 9, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.

Een agent mag niet optreden zonder te zijn ingeschreven in het in het eerste lid bedoelde register. § 3. In geval een betalingsinstelling in een ander land betalingsdiensten wil verrichten, via een agent gevestigd in dat land, is artikel 19 van overeenkomstige toepassing. Zo nodig houdt de CBFA rekening met het standpunt van de toezichthoudende autoriteit voor betalingsinstellingen in het betrokken land alvorens de agent in te schrijven overeenkomstig paragraaf 2. § 4. De betalingsinstellingen mogen enkel beroep doen op agenten die zijn ingeschreven in de zin van paragraaf 2. De betalingsinstellingen zijn volledig verantwoordelijk voor de handelingen die door hun agenten worden gesteld.

Indien betalingsinstellingen niettegenstaande het in het eerste lid bedoelde verbod beroep zouden doen op niet ingeschreven agenten zijn zij burgerrechtelijk aansprakelijk voor de handelingen van deze laatsten.

De betalingsinstellingen zorgen ervoor dat de agenten die voor hun rekening handelen, de betalingsdienstgebruikers hierover duidelijk informeren. § 5. De betalingsinstellingen brengen de CBFA op de hoogte zodra zich een wijziging voordoet met betrekking tot de in paragraaf 1, tweede lid, bedoelde gegevens.

Wanneer een betalingsinstelling geen beroep meer doet op een ingeschreven agent, informeert zij onmiddellijk de CBFA die de inschrijving van de betrokken agent in het in artikel 9 bedoelde register schrapt.

Art. 21.§ 1. De betalingsinstellingen mogen andere werkzaamheden dan betalingsdiensten verrichten, mits de voorafgaande toestemming van de CBFA. Indien de CBFA er in toestemt dat een betalingsinstelling andere werkzaamheden dan betalingsdiensten verricht, kan zij, gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid en een passende risicobeheersing door of de vereisten voor een passend prudentieel toezicht op de betalingsinstelling, de uitoefening van het bedrijf van betalingsdiensten of van de in paragraaf 2 bedoelde werkzaamheden aan aanvullende voorwaarden onderwerpen. De CBFA kan met name eisen dat het verrichten van betalingsdiensten ondergebracht wordt in een afzonderlijke juridische entiteit, afgescheiden van deze die andere werkzaamheden uitoefent. § 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, en onverminderd artikel 8, voorlaatste lid, mogen betalingsinstellingen eveneens de volgende werkzaamheden uitoefenen : 1° het verrichten van operationele en daarmee nauw samenhangende nevendiensten van betalingsdiensten, zoals de afhandeling van betalingstransacties, valutawisseldiensten, bewaringsactiviteiten en de opslag en verwerking van gegevens;2° het exploiteren van betalingssystemen, onverminderd artikel 49. § 3. Betalingsinstellingen mogen met betrekking tot de in de punten 4, 5 en 7 van bijlage I bedoelde betalingsdiensten alleen onder de hiernavolgende voorwaarden een krediet verlenen : a) het krediet is aanvullend en uitsluitend verstrekt in uitvoering van een betalingstransactie;b) niettegenstaande andere bepalingen inzake kredietverlening via kredietkaarten, wordt een krediet dat wordt uitbetaald in het kader van het vrij verrichten van diensten of de vrijheid van vestiging in een andere lidstaat van de EER, terugbetaald binnen een termijn die niet meer dan twaalf maanden mag bedragen;c) het krediet wordt niet verleend uit middelen die zijn ontvangen of die worden aangehouden voor het uitvoeren van toekomstige betalingstransacties;d) het eigen vermogen van de betalingsinstelling staat te allen tijde, naar tevredenheid van de CBFA, in redelijke verhouding tot het totale bedrag van het verleende krediet. De in het eerste lid bedoelde kredieten zijn onderworpen aan de wetgeving inzake het consumentenkrediet. § 4. Betalingsinstellingen mogen in het kader van betalingsdiensten enkel betaalrekeningen aanhouden die uitsluitend voor betalingstransacties gebruikt worden. de geldmiddelen die betalingsinstellingen in het kader van betalingsdiensten van betalingsdienstgebruikers ontvangen, zijn geen gelddeposito's of andere terugbetaalbare gelden in de zin van artikel 1 van de bankwet, noch elektronisch geld in de zin van artikel 3, 7°, van de bankwet. § 5. Betalingsinstellingen mogen geen gelddeposito's of andere terugbetaalbare gelden in de zin van artikel 1 van de bankwet ontvangen, of betaalinstrumenten in de vorm van elektronisch geld in de zin van artikel 3, 7°, van de bankwet uitgeven. § 6. Betalingsinstellingen mogen geen deelnemingen bezitten in handelsvennootschappen of vennootschappen die de vorm van een handelsvennootschap hebben aangenomen, tenzij met de voorafgaande toestemming van de CBFA. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet voor deelnemingen in vennootschappen die alle of een deel van de in paragrafen 1 en 2 bedoelde werkzaamheden inzake betalingsdiensten, nevendiensten van betalingsdiensten en exploiteren van betalingsystemen uitoefenen, of in vennootschappen waarvan het doel in hoofdzaak bestaat in het aanhouden van participaties in dergelijke vennootschappen.

Gelet op de noodzaak van een gezond en voorzichtig beleid en een passende risicobeheersing kan de CBFA het nemen van deelnemingen aan voorwaarden onderwerpen. § 7. Wanneer een betalingsinstelling deviezenverrichtingen aanbiedt of verricht, als bedoeld bij artikel 137, 2e lid, van de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, is artikel 139 van die wet niet op haar van toepassing.

Onverminderd het eerste lid, worden bedoelde betalingsinstellingen voor wat het voormelde bedrijf van deviezenverrichtingen betreft, opgenomen op de lijst van de wisselkantoren geregistreerd in België met de vermelding « betalingsinstelling die verrichtingen doet als bedoeld in artikel 137, 2e lid, van de wet van 6 april 1995 ». § 8. Wanneer een betalingsinstelling andere werkzaamheden dan betalingsdiensten verricht, is artikel 25, laatste lid, van toepassing.

Art. 22.§ 1. Wanneer een betalingsinstelling andere werkzaamheden verricht dan betalingsdiensten en de bij artikel 21, § 2, 1°, bedoelde diensten, dienen de geldmiddelen die zij van betalingsdienstgebruikers rechtstreeks of via andere betalingsdienstaanbieders voor de uitvoering van betalingstransacties ontvangt : a) in haar boekhouding afzonderlijk te kunnen worden geïdentificeerd en op geen enkel tijdstip te worden vermengd met andere geldmiddelen, en b) wanneer deze geldmiddelen op het einde van de werkdag volgend op de dag waarop zij zijn ontvangen nog steeds door de betalingsinstelling worden aangehouden en nog niet aan de begunstigde of een andere betalingsdienstaanbieder zijn overgemaakt, te worden gedeponeerd op een afzonderlijke gezamenlijke of geïndividualiseerde rekening bij een of meer entiteiten die de hoedanigheid hebben van : 1° kredietinstelling die ressorteert onder het recht van een lidstaat van de EER, of 2° kredietinstelling met vestiging in de EER die ressorteert onder het recht van een staat die geen lid is van de EER, of 3° erkend geldmarktfonds in de zin van artikel 77, § 2, van de wet van 6 april 1995 inzake het statuut en het toezicht op de beleggingsondernemingen;c) ofwel naar tevredenheid van de CBFA gedekt te zijn door een verzekering, garantie of waarborg van een verzekeringsonderneming of kredietinstelling, die ressorteert onder het recht van een lidstaat van de EER of met vestiging in de EER en ressorterend onder het recht van een staat die geen lid is van de EER, en welke verzekeringsonderneming of kredietinstelling niet tot dezelfde groep behoort als de betalingsinstelling, voor een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat afgescheiden zou zijn bij afwezigheid van een verzekering, garantie of waarborg, betaalbaar ingeval de betalingsinstelling niet in staat is haar financiële verplichtingen na te komen. De in het eerste lid, b), bedoelde entiteiten mogen op de gelden die op een afzonderlijke rekening zijn geplaatst geen recht doen gelden ingevolge eigen vorderingen op de betalingsinstelling die deze rekening heeft geopend. Beslag onder derden door de schuldeisers van de betalingsinstelling op deze rekeningen en hun saldo is evenmin toegestaan.

De CBFA kan toestaan dat de in het eerste lid, b), bedoelde geldmiddelen gedeponeerd worden bij een kredietinstelling die ressorteert onder het recht van een staat die geen lid is van de EER en zonder vestiging in de EER, of dat de in het eerste lid, c) bedoelde verzekeringen, garanties en waarborgen verstrekt worden door een verzekeringsonderneming of kredietinstelling, die ressorteert onder het recht van staat die geen lid is van de EER en zonder vestiging in de EER, indien deze kredietinstelling of verzekeringsonderneming onderworpen is aan een door een toezichthoudende autoriteit van buiten de EER uitgeoefend toezicht dat gelijkwaardig is met het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en verzekeringsondernemingen zoals bepaald in de Europese regelgeving. § 2. Wanneer een gedeelte van de in paragraaf 1 bedoelde geldmiddelen bestemd is voor toekomstige betalingstransacties terwijl het resterende bedrag voor andere diensten dan betalingsdiensten gebruikt moet worden, zijn de vereisten van paragraaf 1 ook van toepassing op het voor toekomstige betalingstransacties ontvangen gedeelte van de geldmiddelen. Wanneer dat gedeelte variabel of niet tevoren bekend is, kunnen de betalingsinstellingen dit bedrag berekenen op basis van een representatief gedeelte dat geacht wordt voor betalingsdiensten te worden gebruikt, mits een dergelijk representatief gedeelte naar tevredenheid van de CBFA redelijkerwijs op basis van historische gegevens kan worden geraamd. § 3. Indien een insolventieprocedure wordt geopend tegen de betalingsinstelling, worden de gelden die met toepassing van paragraaf 1, eerste lid, a) en b), op een afzonderlijke rekening zijn gedeponeerd, bij bijzonder voorrecht aangewend voor de terugbetaling van de geldmiddelen die zijn ontvangen voor de uitvoering van betalingstransacties.

Art. 23.De betalingsinstellingen kunnen belangrijke operationele taken met betrekking tot betalingsdiensten slechts uitbesteden onder de hiernavolgende voorwaarden : a) zij stellen de CBFA hiervan voorafgaandelijk in kennis;b) de uitbesteding leidt er niet toe dat de hoogste leiding van de betalingsinstelling haar verantwoordelijkheden delegeert;c) de relatie en verplichtingen van de betalingsinstelling jegens betalingsdienstgebruikers uit hoofde van deze wet en de in uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen en van de andere wettelijke bepalingen houdende omzetting van de Richtlijn 2007/64/EG worden niet gewijzigd;d) de naleving van de voorwaarden waaraan de betalingsinstelling moet voldoen om een vergunning te verkrijgen en te behouden, mag niet worden ondermijnd;e) geen van de andere voorwaarden waaronder de vergunning aan de betalingsinstelling is verleend, mag worden opgeheven of gewijzigd;f) de uitbesteding mag geen wezenlijke afbreuk doen aan de kwaliteit van de interne controle van de betalingsinstelling en aan het vermogen van de CBFA om de naleving door de betalingsinstelling van haar verplichtingen te controleren. Bij de uitbesteding van werkzaamheden blijven de betalingsinstellingen volledig verantwoordelijk voor de handelingen die gesteld zijn door de dienstverlener.

Art. 24.De betalingsinstellingen leggen periodiek aan de Nationale Bank van België en aan de CBFA een gedetailleerde financiële staat voor. Die staat wordt opgemaakt overeenkomstig de regels die, na advies van de Nationale Bank van België, zijn vastgesteld door de CBFA die ook de rapporteringsfrequentie bepaalt. Bovendien kan de CBFA voorschrijven dat haar geregeld andere cijfergegevens of uitleg worden verstrekt om te kunnen nagaan of de voorschriften van deze wet of de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen zijn nageleefd.

De effectieve leiding van de betalingsinstelling, in voorkomend geval het directiecomité, verklaart aan de CBFA dat voornoemde periodieke staten die zij in voorkomend geval aan het einde van het eerste halfjaar overmaakt en aan het einde van het boekjaar overmaakt, in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen. Daartoe is vereist dat de periodieke staten volledig zijn, d.i. alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld, en juist zijn, d.i. de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld. Zij bevestigt het nodige gedaan te hebben opdat de voornoemde staten volgens de geldende richtlijnen van de CBFA opgemaakt zijn, en opgesteld zijn met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening, of, voor de periodieke rapporteringsstaten die geen betrekking hebben op het einde van het boekjaar, met toepassing van de boekings- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening met betrekking tot het laatste boekjaar.

De Koning bepaalt, na advies van de CBFA en van de Nationale Bank van België, volgens welke regels alle betalingsinstellingen of categorieën van betalingsinstellingen : 1° hun boekhouding voeren, inventarisramingen verrichten en hun jaarrekening opmaken en openbaar maken;2° hun geconsolideerde jaarrekening opmaken, controleren en openbaar maken en het jaar- en controleverslag over deze geconsolideerde jaarrekening opmaken en openbaar maken. Voor bepaalde categorieën van betalingsinstellingen of in bijzondere gevallen kan de CBFA met redenen omklede afwijkingen toestaan van de in het eerste en derde lid bedoelde besluiten en reglementen, voor alle betalingsinstellingen die zich in vergelijkbare omstandigheden bevinden.

Afwijkingen voor bepaalde categorieën van betalingsinstellingen worden pas na advies van de Nationale Bank van België toegestaan.

De betalingsinstellingen leggen hun jaarrekening en hun geconsolideerde jaarrekening neer bij de Nationale Bank van België.

De in dit artikel bedoelde besluiten en reglementen worden genomen na raadpleging van de betalingsinstellingen, in voorkomend geval via hun represen-tatieve beroepsverenigingen. Afdeling 4. - Toezicht op betalingsinstellingen

Art. 25.De betalingsinstellingen zijn onderworpen aan het toezicht van de CBFA. De CBFA ziet erop toe dat elke betalingsinstelling doorlopend werkt overeenkomstig de bepalingen van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen. Het toezicht door de CBFA dient evenredig en passend te zijn, in het licht van de aard, de omvang en de complexiteit van de door de betalingsinstelling verrichte betalingsdiensten, en de eraan verbonden risico's.

De CBFA kan zich door de betalingsinstellingen alle inlichtingen doen verstrekken over hun organisatie, werking, financiële positie en verrichtingen. Met dat doel kan de CBFA zich ook inlichtingen doen verstrekken door agenten van betalingsinstellingen, dienstverleners als bedoeld in artikel 4 (17°) en andere entiteiten waaraan taken zijn uitbesteed.

De CBFA kan bij betalingsinstellingen ter plaatse inspecties verrichten en ter plaatse kennis nemen en een kopie maken van elk gegeven in het bezit van de betalingsinstelling, 1° om na te gaan of de wettelijke en reglementaire bepalingen op het statuut van de betalingsinstellingen zijn nageleefd en of de boekhouding en jaarrekening, alsmede de haar door de betalingsinstelling voorgelegde staten en andere inlichtingen, juist en waarheidsgetrouw zijn;2° om het passende karakter te toetsen van de beleidsstructuren, de administratieve en boekhoudkundige organisatie en de interne controle van de betalingsinstelling;3° om zich ervan te vergewissen dat het beleid van de betalingsinstelling gezond en voorzichtig is, en dat haar positie of haar verrichtingen haar liquiditeit, rendabiliteit of solvabiliteit niet in gevaar kunnen brengen. Met dat doel kan de CBFA ook ter plaatse inspecties verrichten bij agenten van betalingsinstellingen, dienstverleners als bedoeld in artikel 4 (17°) en andere entiteiten waaraan taken zijn uitbesteed, en ter plaatse kennis nemen en een kopie maken van elk gegeven in hun bezit.

Het toezicht van de CBFA slaat evenwel niet op de door een betalingsinstelling verrichte andere werkzaamheden dan betalingsdiensten, activiteiten bedoeld in artikel 21, § 2, 1°, en aandelenbezit bedoeld in artikel 21, § 6, tenzij dit vereist is voor het toezicht op de naleving door de betalingsinstelling van de bepalingen van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen.

Art. 26.Relaties tussen een betalingsinstelling of haar agent en een bepaalde cliënt behoren niet tot de bevoegdheid van de CBFA, tenzij het toezicht op de betalingsinstelling dit vergt.

Art. 27.De CBFA kan bij de bijkantoren van de betalingsinstellingen naar Belgisch recht, de agenten, dienstverleners bedoeld in artikel 4 (17°) en andere entiteiten waaraan taken zijn uitbesteed, die in het buitenland zijn gevestigd, na voorafgaande kennisgeving aan de autoriteiten die toezicht houden op de betalingsinstellingen van het betrokken land, de in artikel 25, vierde lid, bedoelde inspecties verrichten, alsook alle inspecties met als doel ter plaatse gegevens te verzamelen of te toetsen over de leiding en het beleid van het bijkantoor, alsook alle gegevens die het toezicht op de betalingsinstelling kunnen vergemakkelijken, inzonderheid op het vlak van haar financiële positie, administratieve en boekhoudkundige organisatie en interne controle.

Met hetzelfde doel en na kennisgeving aan de in het eerste lid bedoelde autoriteiten, kan zij een door haar aangestelde deskundige gelasten met alle nuttige controles en onderzoeken. De bezoldiging en de kosten van deze deskundige worden door de betalingsinstelling gedragen.

Evenzo kan zij deze autoriteiten verzoeken bepaalde van de in het eerste lid bedoelde controles en onderzoeken te verrichten.

Art. 28.De opdracht van commissaris zoals bedoeld in het Wetboek van Vennootschappen mag in een betalingsinstelling enkel worden toevertrouwd aan één of meer revisoren of één of meer revisorenvennootschappen die daartoe door de CBFA erkend zijn overeenkomstig artikel 52 van de bankwet.

Artikel 141, 2°, van het Wetboek van Vennootschappen is niet van toepassing op betalingsinstellingen.

De betalingsinstellingen mogen plaatsvervangende commissarissen aanstellen, die in geval van langdurige verhindering van de commissaris diens taak waarnemen. De voorschriften van dit artikel en van artikel 29 zijn van toepassing op deze plaatsvervangers.

De overeenkomstig dit artikel aangestelde commissarissen certificeren de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van de betalingsinstellingen. Wanneer een betalingsinstelling andere werkzaamheden verricht dan betalingsdiensten, besteden de commissarissen in hun schriftelijk verslag, bedoeld in de artikelen 144 en 148 van het Wetboek van Vennootschappen, afzonderlijke aandacht aan de bedrijvigheid inzake betalingsdiensten.

Art. 29.Een erkende revisorenvennootschap doet, voor de uitoefening van de opdracht van de commissaris bedoeld in artikel 28, een beroep op een erkende revisor die zij aanstelt overeenkomstig artikel 132 van het Wetboek van Vennootschappen. De bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, die de aanstelling, de taak, de verplichtingen en verbodsbepalingen voor commissarissen, alsmede de voor hen geldende andere dan strafrechtelijke sancties regelen, gelden zowel voor de revisorenvennootschappen als voor de erkende revisoren die hen vertegenwoordigen.

Een erkende revisorenvennootschap mag een plaatsvervangend vertegenwoordiger aanstellen onder haar leden die voldoen aan de aanstellingsvoorwaarden.

Art. 30.Het Instituut der Bedrijfsrevisoren brengt de CBFA op de hoogte telkens als een tuchtprocedure wordt ingeleid tegen een erkende revisor of een erkende revisorenvennootschap wegens een tekortkoming in de uitoefening van zijn taak bij een betalingsinstelling, alsook telkens als een tuchtmaatregel wordt genomen tegen een erkende revisor of een erkende revisorenvennootschap, met opgave van de motivering.

Art. 31.Voor de aanstelling van commissarissen en plaatsvervangende commissarissen bij betalingsinstellingen is de voorafgaande instemming vereist van de CBFA. Deze instemming moet worden gevraagd door het vennootschapsorgaan dat de aanstelling voorstelt. Bij aanstelling van een erkende revisorenvennootschap slaat deze instemming zowel op de vennootschap als op haar vertegenwoordiger.

Deze instemming is ook vereist voor de hernieuwing van een opdracht.

Wanneer de aanstelling van de commissaris krachtens de wet geschiedt door de voorzitter van de rechtbank van koophandel of het hof van beroep, kiest hij uit een lijst van erkende revisoren, die door de CBFA is goedgekeurd.

Art. 32.De CBFA kan haar instemming met een commissaris, plaatsvervangend commissaris, een erkende revisorenvennootschap of vertegenwoordiger of plaatsvervangende vertegenwoordiger van zo een vennootschap, steeds herroepen bij beslissing die gemotiveerd is door redenen die verband houden met hun statuut of hun opdracht als erkende revisor of erkende revisorenvennootschap, zoals bepaald door of krachtens deze wet. Met deze herroeping eindigt de opdracht van revisor.

Vooraleer een commissaris ontslag neemt, worden de CBFA en de betalingsinstelling hiervan vooraf in kennis gesteld, met opgave van de motivering.

Het erkenningsreglement bedoeld in artikel 52 van de bankwet regelt de procedure.

Bij afwezigheid van een plaatsvervangende commissaris of een plaatsvervangende vertegenwoordiger van een erkende revisorenvennootschap, zorgt de betalingsinstelling, met naleving van artikel 31, binnen twee maanden voor zijn vervanging.

Het voorstel om een commissaris in een betalingsinstelling van zijn opdracht te ontslaan, zoals geregeld bij de artikelen 135 en 136 van het Wetboek van Vennootschappen wordt ter advies voorgelegd aan de CBFA. Dit advies wordt meegedeeld aan de algemene vergadering.

Art. 33.De commissarissen verlenen hun medewerking aan het toezicht van de CBFA op hun eigen en uitsluitende verantwoordelijkheid en overeenkomstig dit artikel, volgens de regels van het vak en de richtlijnen van de CBFA. Daartoe : 1° beoordelen zij de interne controlemaatregelen die de betalingsinstellingen hebben getroffen overeenkomstig artikel 14, § 3, eerste lid, en delen zij hun bevindingen mee aan de CBFA;2° brengen zij verslag uit bij de CBFA over : a) de resultaten van het beperkt nazicht van de periodieke staten die de betalingsinstellingen aan het einde van het eerste halfjaar aan de CBFA bezorgen waarin bevestigd wordt dat zij geen kennis hebben van feiten waaruit zou blijken dat de periodieke staten per einde halfjaar niet in alle materieel belangrijke opzichten volgens de geldende richtlijnen van de CBFA werden opgesteld.Bovendien bevestigen zij dat de periodieke staten per einde halfjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen, inzake volledigheid, d.i. alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld, en juistheid, d.i. de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld; en bevestigen zij geen kennis te hebben van feiten waaruit zou blijken dat de periodieke staten per einde halfjaar niet zijn opgesteld met toepassing van de boeking- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening met betrekking tot het laatste boekjaar; de CBFA kan de hier bedoelde periodieke staten nader bepalen; b) de resultaten van de controle van de periodieke staten die de betalingsinstellingen aan het einde van het boekjaar aan de CBFA bezorgen waarin bevestigd wordt dat de periodieke staten in alle materieel belangrijke opzichten werden opgesteld volgens de geldende richtlijnen van de CBFA.Bovendien bevestigen zij dat de periodieke staten per einde van het boekjaar, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen, inzake volledigheid, d.i. alle gegevens bevatten uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld, en juistheid, d.i. de gegevens correct weergeven uit de boekhouding en de inventarissen op basis waarvan de periodieke staten worden opgesteld; en bevestigen zij dat de periodieke staten per einde van het boekjaar werden opgesteld met toepassing van de boeking- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening; de CBFA kan de hier bedoelde periodieke staten nader bepalen; 3° brengen zij bij de CBFA op haar verzoek een bijzonder verslag uit over de organisatie, de werkzaamheden en de financiële structuur van de betalingsinstelling;de kosten voor de opstelling van dit verslag worden door de betalingsinstelling gedragen; 4° brengen zij, in het kader van hun opdracht bij de betalingsinstelling of een revisorale opdracht bij een met de betalingsinstelling verbonden onderneming, op eigen initiatief verslag uit bij de CBFA, zodra zij kennis krijgen van : a) beslissingen, feiten of ontwikkelingen die de positie van de betalingsinstelling financieel of op het vlak van haar administratieve en boekhoudkundige organisatie of van haar interne controle, op betekenisvolle wijze beïnvloeden of kunnen beïnvloeden;b) beslissingen of feiten die kunnen wijzen op een overtreding van het Wetboek van Vennootschappen, de statuten, de wetten, besluiten en reglementen over het statuut van de betalingsinstellingen;c) andere beslissingen of feiten die kunnen leiden tot een weigering van de certificering van de jaarrekening of tot het formuleren van voorbehoud;5° brengen zij de CBFA minstens eens per jaar verslag uit over de deugdelijkheid van de maatregelen die de betalingsinstelling heeft getroffen ter vrijwaring van de geldmiddelen die zij van betalingsdienstgebruikers ontvangt, in toepassing van artikel 22, §§ 1 en 2. Tegen erkende commissarissen-revisoren die te goeder trouw informatie hebben verstrekt als bedoeld in het eerste lid, 4°, kunnen geen burgerrechtelijke, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke vorderingen worden ingesteld, noch professionele sancties worden uitgesproken.

De commissarissen delen aan de leiders van de betalingsinstelling de verslagen mee die zij aan de CBFA richten overeenkomstig het eerste lid, 3°. Voor deze mededeling geldt de geheimhoudingsplicht zoals geregeld bij artikel 74 van de wet van 2 augustus 2002. Zij bezorgen de CBFA een kopie van hun mededelingen die zij aan deze leiders richten en die betrekking hebben op zaken die van belang kunnen zijn voor het toezicht dat zij uitoefent.

De commissarissen en de erkende revisorenvennootschappen mogen bij de buitenlandse bijkantoren van de betalingsinstelling waarop zij toezicht houden, het toezicht uitoefenen en de onderzoeken verrichten die bij hun opdracht horen.

Zij kunnen door de CBFA, op verzoek van de Nationale Bank van België of van de Europese Centrale Bank, worden gelast te bevestigen dat de gegevens die deze betalingsinstellingen aan deze autoriteiten moeten verstrekken, volledig, juist en conform de geldende regels zijn opgesteld. Afdeling 5. - Uitzonderlijke maatregelen en sancties

ten aanzien van betalingsinstellingen

Art. 34.Bij beslissing die met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs ter kennis wordt gebracht, trekt de CBFA de vergunning in van betalingsinstellingen die hun bedrijf niet binnen twaalf maanden na het verlenen van de vergunning hebben aangevat, afstand doen van hun vergunning, hun werkzaamheden gedurende meer dan zes maanden hebben gestaakt, failliet zijn verklaard of hun bedrijf hebben stopgezet.

De CBFA maakt haar beslissing tot intrekking van een vergunning bekend op haar website.

Art. 35.§ 1. Wanneer de CBFA vaststelt dat een betalingsinstelling niet werkt overeenkomstig de bepalingen van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen, dat haar beleid of financiële positie de goede afloop van haar verbintenissen in het gedrang dreigt te brengen of niet voldoende waarborgen biedt voor haar solvabiliteit, liquiditeit of rendabiliteit, dat haar beleidsstructuren, haar administratieve of boekhoudkundige organisatie, haar agenten- of bijkantorennet, of interne controle ernstige leemten vertonen, of dat de voortzetting van haar bedrijf een bedreiging vormt voor de stabiliteit van het betalingssysteem, stelt zij de termijn vast waarbinnen deze toestand moet worden verholpen.

Indien de toestand na deze termijn niet is verholpen, kan de CBFA : 1° voor de termijn die zij bepaalt, de rechtstreekse of onrechtstreekse uitoefening van het bedrijf van de betalingsinstelling geheel of ten dele schorsen dan wel verbieden. De leden van de bestuurs- en beleidsorganen en de personen die instaan voor het beleid, die handelingen stellen of beslissingen nemen ondanks de schorsing, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het nadeel dat hieruit voor de betalingsinstelling of voor derden voortvloeit.

Indien de CBFA de schorsing in het Belgisch Staatsblad heeft bekendgemaakt, zijn alle hiermee strijdige handelingen en beslissingen nietig.

De CBFA kan een betalingsinstelling tevens gelasten de aandelen over te dragen die zij in voorkomend geval bezit overeenkomstig artikel 21, § 6; 2° inzake solvabiliteit, strengere vereisten opleggen dan deze bedoeld in artikel 17;3° de vervanging gelasten van bestuurders of zaakvoerders van de betalingsinstelling binnen een termijn die zij bepaalt en, zo binnen deze termijn geen vervanging geschiedt, in de plaats van de voltallige bestuurs- en beleidsorganen van de instelling een of meer voorlopige bestuurders of zaakvoerders aanstellen die alleen of collegiaal, naar gelang van het geval, de bevoegdheden hebben van de vervangen personen.De CBFA maakt haar beslissing bekend in het Belgisch Staatsblad.

De bezoldiging van de voorlopige bestuurder(s) of zaakvoerder(s) wordt vastgesteld door de CBFA en gedragen door de betalingsinstelling.

De CBFA kan op elk tijdstip de voorlopige bestuurder(s) of zaakvoerder(s) vervangen, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een meerderheid van aandeelhouders of vennoten, wanneer zij aantonen dat het beleid van de betrokkenen niet meer de nodige waarborgen biedt; 4° de vergunning herroepen.Alvorens de vergunning van een betalingsinstelling te herroepen om reden dat de voortzetting van het bedrijf een bedreiging vormt voor de stabiliteit van het betalingssysteem, raadpleegt de CBFA de Nationale Bank van België. De CBFA maakt haar beslissing tot herroeping van een vergunning bekend op haar website. § 2. De in paragraaf 1 bedoelde beslissingen van de CBFA hebben voor de betalingsinstelling uitwerking vanaf de datum van hun kennisgeving met een aangetekende brief of een brief met ontvangstbewijs en, voor derden, vanaf de datum van hun bekendmaking overeenkomstig paragraaf 1. § 3. Wanneer de CBFA kennis heeft van het feit dat een betalingsinstelling of haar agenten een bijzonder mechanisme heeft ingesteld met als doel of gevolg fiscale fraude door derden te bevorderen, zijn paragraaf 1, eerste en tweede lid, 1°, en paragraaf 2 van toepassing.

Wanneer de CBFA vaststelt dat de bij artikel 20, § 1, bedoelde gegevens die haar verstrekt zijn, onjuist of onvolledig zijn, kan zij de inschrijving van de agent in het register schorsen of schrappen. § 4. De paragrafen 1, eerste lid, en 2 zijn niet van toepassing bij intrekking van de vergunning van een failliet verklaarde betalingsinstelling.

Art. 36.Wanneer de autoriteiten die toezicht houden op betalingsinstellingen in een andere lidstaat van de EER, waar een betalingsinstelling naar Belgisch recht een bijkantoor heeft gevestigd, beroep doet op een agent of er werkzaamheden uitoefent in het kader van het vrij verrichten van diensten, of voornemens is dit te doen, de CBFA ervan in kennis stellen dat zij goede redenen hebben om te vermoeden dat geld wordt of werd witgewassen of dat gepoogd wordt of gepoogd werd geld wit te wassen of terrorisme te financieren in de zin van Richtlijn 2005/60/EG, of het risico op witwassen van geld of financiering van terrorisme zou verhogen, neemt de CBFA zo spoedig mogelijk de vereiste maatregelen bedoeld in artikel 35, § 1.

Artikel 35, § 2, is eveneens van toepassing.

De CBFA kan in het in het eerste lid bedoelde geval eisen dat de betalingsinstelling niet langer meer beroep doet op de betrokken agent, en zij kan de inschrijving van de agent bedoeld in artikel 20, § 2, hetzij weigeren, hetzij schrappen.

Het eerste en tweede lid is op overeenkomstige wijze van toepassing met betrekking tot bijkantoren van betalingsinstellingen naar Belgisch recht, gevestigd in andere landen dan lidstaten van de EER.

Art. 37.De CBFA brengt onmiddellijk ter kennis van de autoriteiten die toezicht houden op de betalingsinstellingen in andere lidstaten van de EER waar een betalingsinstelling naar Belgisch recht een bijkantoor heeft gevestigd of werkzaamheden verricht in het kader van het vrij verrichten van diensten, de beslissingen die zij overeenkomstig de artikelen 34, 35 en 36 heeft genomen. Zij houdt deze autoriteiten op de hoogte van de behandeling van het beroep tegen deze beslissingen overeenkomstig de wet van 2 augustus 2002.

Art. 38.De betalingsinstellingen waarvan de vergunning is ingetrokken of herroepen op grond van deze wet, blijven aan deze wet onderworpen tot hun verbintenissen ten aanzien van hun betalingsdienstgebruikers zijn vereffend, tenzij de CBFA hen vrijstelt van bepaalde voorschriften.

Dit artikel is niet van toepassing bij de intrekking van de vergunning van een failliet verklaarde betalingsinstelling. HOOFDSTUK 2. - Bijkantoren en dienstverrichtingen in België van betalingsinstellingen die onder een andere lidstaat van de EER ressorteren

Art. 39.Iedere betalingsinstelling die ressorteert onder een andere lidstaat van de EER en op grond van haar nationaal recht in haar land van herkomst betalingsdiensten mag verrichten, mag deze werkzaamheden in België aanvatten, hetzij via de vestiging van een bijkantoor, hetzij in het kader van het vrij verrichten van diensten, zodra de CBFA de betrokken instelling ervan in kennis heeft gesteld dat zij de mededeling van de toezichthoudende autoriteiten van het land van herkomst van deze instelling heeft ontvangen, met opgave van de in bijlage I bedoelde werkzaamheden die deze instelling in België wenst uit te oefenen. Binnen drie werkdagen na ontvangst van de mededeling stelt de CBFA de betrokken betalingsinstelling hiervan in kennis. Bij gebrek aan kennisgeving binnen deze termijn mag de betalingsinstelling de voorgenomen werkzaamheden aanvatten, na de CBFA hiervan op de hoogte te hebben gebracht. De CBFA maakt op haar website de lijst bekend van de betalingsinstellingen die onder een andere lidstaat van de EER ressorteren en in België actief zijn of verwijst naar de website van de bevoegde autoriteit in het land van herkomst van deze betalingsinstellingen.

De in het eerste lid bedoelde betalingsinstellingen moeten bij de uitoefening van hun bedrijf in België naast hun naam, hun land van herkomst vermelden en in het geval van vrij verrichten van diensten, hun zetel.

Art. 40.De bepalingen van dit hoofdstuk doen geen afbreuk aan de naleving, bij het aanbieden en uitvoeren van betalingsdiensten, van de wettelijke en reglementaire bepalingen die in België van toepassing zijn op de betalingsinstellingen en hun verrichtingen om redenen van algemeen belang.

De CBFA deelt aan de in artikel 39 bedoelde betalingsinstellingen mee welke bepalingen naar haar weten van algemeen belang zijn.

De bepalingen van dit hoofdstuk doen evenmin afbreuk aan de naleving van de wettelijke en reglementaire bepalingen die in België van toepassing zijn op andere werkzaamheden dan betalingsdiensten.

Art. 41.De in artikel 39 bedoelde betalingsinstellingen bezorgen de CBFA volgens de frequentie die deze vaststelt na advies van de Nationale Bank van België, voor statistische doeleinden bestemde periodieke verslagen over de verrichtingen die hun in België gevestigde bijkantoren er uitvoeren. artikel 24, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

De Koning bepaalt, na advies van de CBFA en van de Nationale Bank van België, volgens welke regels de in artikel 39 bedoelde bijkantoren : 1° hun boekhouding voeren en inventarisramingen verrichten;2° hun jaarrekening opmaken;3° de jaarlijkse boekhoudkundige gegevens in verband met hun verrichtingen openbaar maken.

Art. 42.§ 1. De in artikel 39 bedoelde bijkantoren staan onder het toezicht van de CBFA met betrekking tot het bepaalde bij de artikelen 40 en 41, voor de in deze bepalingen voorkomende aspecten waarvoor de CBFA bevoegd is. De artikelen 25 en 26 zijn van overeenkomstige toepassing.

Op verzoek van de toezichthoudende autoriteiten van het land van herkomst van de betalingsinstelling mag de CBFA, als een vorm van bijstand aan deze autoriteiten, bij deze bijkantoren inspecties verrichten, die zowel op de in het eerste lid als in artikel 27, eerste lid, bedoelde aspecten kunnen slaan. De kosten van deze inspecties en controles worden gedragen door de autoriteit die daarom verzoekt.

Bij dringende noodzaak en met onmiddellijke kennisgeving aan de toezichthoudende autoriteiten van het land van herkomst van de betalingsinstelling, kan de CBFA nagaan of het bedrijf van het bijkantoor in België in overeenstemming is met de van toepassing zijnde wetgeving. § 2. De buitenlandse autoriteiten die toezicht houden op de betalingsinstellingen die in België een bijkantoor hebben geopend als bedoeld in artikel 39 mogen, na voorafgaande kennisgeving aan de CBFA, de in artikel 27, eerste lid, bedoelde gegevens in deze bijkantoren controleren of op hun kosten laten controleren door deskundigen die zij aanstellen.

Art. 43.§ 1. De leiders van de in artikel 39 bedoelde bijkantoren stellen voor een hernieuwbare termijn van drie jaar een of meer door de CBFA erkende revisoren of erkende revisorenvennootschappen aan.

De artikelen 31 en 32, eerste tot vierde lid, zijn van toepassing op deze revisoren en vennootschappen. Vooraleer een erkende revisor of een erkende revisorenvennootschap van zijn of haar opdracht te ontslaan, moet het advies van de CBFA worden ingewonnen. § 2. De overeenkomstig paragraaf 1 aangestelde erkende revisoren of revisorenvennootschappen verlenen hun medewerking aan het toezicht van de CBFA, op hun eigen en uitsluitende verantwoordelijkheid en overeenkomstig deze paragraaf, volgens de regels van het vak en de richtlijnen van de CBFA. Daartoe : 1° beoordelen zij de interne controlemaatregelen die de bijkantoren hebben getroffen tot naleving van de wetten, besluiten en reglementen die op grond van artikel 41 van toepassing zijn op de bijkantoren, en delen zij hun bevindingen mee aan de CBFA;2° bevestigen zij aan de CBFA dat de periodieke staten die haar door de bijkantoren worden bezorgd, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft, in alle materieel belangrijke opzichten in overeenstemming zijn met de boekhouding en de inventarissen, inzake volledigheid en juistheid, en bevestigen zij geen kennis te hebben van feiten waaruit zou blijken dat de periodieke staten niet volgens de geldende richtlijnen van de CBFA zijn opgemaakt, en, voor wat de boekhoudkundige gegevens betreft, niet zijn opgesteld met toepassing van de boeking- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening, of, voor de periodieke staten die geen betrekking hebben op het einde van het boekjaar, met toepassing van de boeking- en waarderingsregels voor de opstelling van de jaarrekening met betrekking tot het laatste boekjaar;de CBFA kan de hier bedoelde periodieke staten nader bepalen. Zij kunnen door de CBFA, op verzoek van de Nationale Bank van België of van de Europese Centrale Bank, worden gelast de gegevens te bevestigen die de bijkantoren aan deze autoriteiten moeten verstrekken met toepassing van artikel 41, eerste lid; 3° brengen zij op eigen initiatief verslag uit bij de CBFA, inzake aspecten waarvoor zij bevoegd is, alsook in het kader van de samenwerking met de autoriteiten die toezicht houden op de centrale zetel, zodra zij kennis krijgen van : a) beslissingen, feiten of ontwikkelingen die de positie van het bijkantoor financieel of op het vlak van zijn administratieve en boekhoud-kundige organisatie of van zijn interne controle, op betekenisvolle wijze beïnvloeden of kunnen beïnvloeden;b) beslissingen of feiten die kunnen wijzen op een overtreding van de voorschriften van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen of andere wetten en reglementen die op hun bedrijf in België van toepassing zijn, voor zover de in deze voorschriften bedoelde aangelegenheden tot de bevoegdheid van de CBFA behoren;4° brengen zij bij de CBFA, op haar verzoek, verslag uit, wanneer een andere Belgische overheid haar ter kennis brengt dat een wetgeving van algemeen belang die voor het bijkantoor geldt, werd overtreden. Tegen erkende revisoren die te goeder trouw informatie hebben verstrekt als bedoeld in het eerste lid, 3°, kunnen geen burgerrechtelijke, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke vorderingen worden ingesteld, noch professionele sancties worden uitgesproken.

In bijkantoren waar een ondernemingsraad is opgericht met toepassing van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, oefenen de erkende revisoren en revisorenvennootschappen de in artikel 15bis van deze wet bedoelde opdrachten uit.

Artikel 15quater, tweede lid, eerste en derde zin, en derde lid, van deze wet is van toepassing.

Op verzoek en op kosten van de toezichthoudende autoriteiten van het land van herkomst van het bijkantoor, mogen zij als een vorm van bijstand en na voorafgaande kennisgeving aan de CBFA in dit bijkantoor toezicht uitoefenen op de in de artikelen 27, eerste lid, en 42, § 1, bedoelde aspecten. § 3. De erkende revisoren of erkende revisorenvennootschappen certificeren de krachtens artikel 41, tweede lid, openbaar gemaakte jaarlijkse boekhoudkundige gegevens.

Art. 44.Wanneer de CBFA vaststelt dat een betalingsinstelling die onder een andere lidstaat van de EER ressorteert en in België werkzaam is via een bijkantoor of het verrichten van diensten, zich niet conformeert aan de in België geldende wettelijke en reglementaire bepalingen die tot de bevoegdheidssfeer van de CBFA behoren, maant zij de betalingsinstelling aan om, binnen de termijn die zij bepaalt, de vastgestelde toestand te verhelpen.

Indien de toestand na deze termijn niet is verholpen, brengt de CBFA haar opmerkingen ter kennis van de toezichthoudende autoriteit van het land van herkomst van de betalingsinstelling.

Wanneer de CBFA goede redenen heeft om te vermoeden dat door een bijkantoor, een agent of een betalingsinstelling die werkzaamheden uitoefent in het kader van het vrij verrichten van diensten, geld wordt of werd witgewassen of dat gepoogd wordt of gepoogd werd geld wit te wassen of terrorisme te financieren in de zin van Richtlijn 2005/60/EG, of die het risico op witwassen van geld of financiering van terrorisme zouden verhogen, stelt zij de autoriteiten die toezicht houden op die betalingsinstelling hiervan in kennis.

Art. 45.De CBFA kan de autoriteiten die toezicht houden op een betalingsinstelling die onder een andere lidstaat van de EER ressorteert, meedelen om welke redenen zij van oordeel is dat de positie van het bijkantoor van deze instelling in België niet de nodige waarborgen biedt voor een goede administratieve of boekhoudkundige organisatie of interne controle.

Bij intrekking of herroeping van de vergunning van een betalingsinstelling door de toezichthoudende autoriteiten van haar land van herkomst, beveelt de CBFA, na deze autoriteiten hiervan in kennis te hebben gesteld, de sluiting van het bijkantoor dat deze instelling in België heeft gevestigd. Zij kan zonodig een voorlopige zaakvoerder aanstellen die gemachtigd is in het belang van de schuldeisers alle bewarende maatregelen te treffen. HOOFDSTUK 3. - Bijkantoren in België van betalingsinstellingen die ressorteren onder staten die geen lid zijn van de EER

Art. 46.De Koning kan, na advies van de CBFA, het statuut van en het toezicht op de bijkantoren van betalingsinstellingen die ressorteren onder het recht van Staten die geen lid zijn van de EER regelen.

Zolang de Koning het in het eerste lid betreffende statuut en toezicht niet geregeld heeft, kunnen deze bijkantoren geen betalingsdiensten aanbieden of verrichten in België.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder betalingsinstelling verstaan elke onderneming opgericht naar buitenlands recht die, indien ze haar maatschappelijke zetel in België zou hebben, een toelating dient te verkrijgen voor de uitoefening van het bedrijf van betalingsinstelling. HOOFDSTUK 4. - Informatieuitwisseling en samenwerking tussen autoriteiten

Art. 47.§ 1. Voor de toepassing van hoofdstuk III, afdeling 6, van de wet van 2 augustus 2002 inzake uitwisseling van informatie en samenwerking tussen de CBFA en de autoriteiten van andere lidstaten van de EER belast met het toezicht op betalingsinstellingen, moet onder het bedrijf van betalingsinstelling eveneens worden verstaan, het bedrijf dat de betalingsinstelling uitoefent via agenten, bijkantoren of dienstverleners in de zin van artikel 4, 17°. § 2. De CBFA verstrekt op eigen initiatief de in het eerste lid bedoelde autoriteiten van andere lidstaten van de EER alle essentiële informatie en verstrekt hen op verzoek alle relevante informatie. HOOFDSTUK 5. - Vrijstelling

Art. 48.De Koning kan met naleving van de artikelen 26 en 88 (4) van Richtlijn 2007/64/EEG, na advies van de CBFA en de Nationale Bank van België, bepalen onder welke voorwaarden aan rechtspersonen die betalingsdiensten willen aanbieden, geheel of gedeeltelijk vrijstelling wordt verleend, dan wel door de CBFA vrijstelling kan worden verleend, van de toepassing of naleving van de bepalingen van deze titel, of gedurende een overgangsperiode van niet meer dan drie jaar de mogelijkheid geboden wordt betalingsdiensten aan te bieden, zonder te moeten worden vrijgesteld van de toepassing of naleving van de bepalingen van deze titel.

De rechtspersonen bedoeld in het eerste lid die vrijgesteld worden, worden ingeschreven in het register bedoeld in artikel 9. Artikel 9 is op deze rechtspersonen van overeenkomstige toepassing wat de op de website van de CBFA te verstrekken informatie en de regelmatige actualisering ervan betreft. De website vermeldt dat deze rechtspersonen geheel of gedeeltelijk vrijstelling verleend wordt met toepassing van dit artikel.

De rechtspersonen bedoeld in het eerste lid, die niet moeten worden vrijgesteld, worden niet ingeschreven in het register bedoeld in artikel 9.

TITEL 3. - Toegang tot betalingssystemen in België

Art. 49.§ 1. Onverminderd paragraaf 2 hebben de betalingsdienstaanbieders bedoeld in artikel 5 en de betalingsdienstaanbieders uit andere lidstaten van de EER, die een rechtspersoon zijn, het recht in België toegang te krijgen tot betalingssystemen, mits zij voldoen aan de voorwaarden voor toetreding die deze betalingssystemen bepaald hebben.

De toegang van de betalingsdienstaanbieders tot betalingssystemen, overeenkomstig het eerste lid, is onderworpen aan objectieve, niet-discriminerende en proportionele regels, welke in verhouding zijn tot de noodzaak van bescherming tegen risico's zoals het afwikkelings-, exploitatie- en bedrijfsrisico, en de bescherming van de financiële en operationele stabiliteit van het betalingssysteem.

De in het eerste lid bedoelde betalingssystemen mogen aan betalingsdienstaanbieders, betalingsdienstgebruikers of andere betalingssystemen in geen geval de volgende eisen opleggen : a) regels die effectieve deelneming aan andere betalingssystemen belemmeren;b) regels die discrimineren tussen betalingsdienstaanbieders, wat de rechten, plichten en aanspraken van deelnemers aan het betalingssysteem betreft, of c) enigerlei beperking op grond van institutionele status. § 2. Paragraaf 1 is niet van toepassing op : a) betalingssystemen aangemerkt bij de wet van 28 april 1999 houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen;b) betalingssystemen welke uitsluitend bestaan uit betalingsdienstaanbieders die behoren tot een groep bestaande uit door kapitaalbanden verbonden entiteiten waarbij een van de verbonden entiteiten effectieve zeggenschap over de andere verbonden entiteiten heeft;c) betalingssystemen waarbij de enige betalingsdienstaanbieder (het weze een entiteit of een groep) : - optreedt of kan optreden als de betalingsdienstaanbieder voor zowel de betaler als de begunstigde, en exclusief belast is met de bedrijfsvoering van het systeem, en - een vergunning verleent aan andere betalingsdienstaanbieders om deel te nemen aan het systeem, waarbij laatstgenoemden niet het recht hebben om met of onder elkaar vergoedingen te bedingen met betrekking tot het betalingssysteem, maar zij hun eigen tarieven mogen vaststellen ten aanzien van de betalers en de begunstigden. TITEL 4. - Strafbepalingen HOOFDSTUK 1. - Bestuursrechtelijke sancties

Art. 50.§ 1. Onverminderd de andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen, kan de CBFA openbaar maken dat een Belgische of buitenlandse betalingsinstelling geen gevolg heeft gegeven aan haar aanmaningen om zich binnen de termijn die zij vaststelt te conformeren aan de voorschriften van deze wet of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen. § 2. Onverminderd de andere bij deze wet voorgeschreven maatregelen, kan de CBFA voor een betalingsinstelling naar Belgisch of buitenlands recht die in België is gevestigd, een termijn bepalen : a) waarbinnen zij zich moet conformeren aan welbepaalde voorschriften van deze wet of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen, of b) waarbinnen zij de nodige aanpassingen moet aanbrengen in haar beleidsstructuur, haar administratieve en boekhoudkundige organisatie of haar interne controle. De in het eerste lid, littera b), bedoelde aanmaning geldt niet voor de bijkantoren van betalingsinstellingen die onder een andere lidstaat van de EER ressorteren.

Indien de betalingsinstelling in gebreke blijft bij het verstrijken van de termijn, kan de CBFA, na de instelling gehoord of tenminste opgeroepen te hebben, haar een dwangsom opleggen van maximum 2.500.000 euro per overtreding of maximum 50.000 euro per dag vertraging. § 3. Onverminderd andere maatregelen bepaald door deze wet en onverminderd de maatregelen bepaald in andere wetten, besluiten of reglementen, kan de CBFA, inzien zij een inbreuk vaststelt op de bepalingen van deze wet of op de maatregelen genomen in uitvoering ervan, een administratieve boete opleggen aan een betalingsinstelling naar Belgisch of buitenlands recht die in België gevestigd is, die niet minder mag bedragen dan 2.500 euro noch meer dan 2.500.000 euro voor hetzelfde feit of voor hetzelfde geheel van feiten. § 4. De dwangsommen en boeten die met toepassing van de paragrafen 2 en 3 worden opgelegd, worden ingevorderd ten bate van de Schatkist door de administratie van het Kadaster, de Registratie en de Domeinen. HOOFDSTUK 2. - Strafrechtelijke sancties

Art. 51.Worden gestraft met een gevangenisstraf van één maand tot één jaar en een geldboete van 50 euro tot 10.000 euro, of met één van die straffen alleen : 1° wie betalingsdiensten in België aanbiedt zonder te beantwoorden aan het bepaalde bij de artikelen 5, 39 en 46;2° wie artikel 13, § 2, eerste en tweede lid, overtreedt;3° wie met opzet de kennisgeving bedoeld in artikel 16, tweede lid, niet verricht voor wat het bepaalde bij artikel 7, eerste lid, 8°, betreft;4° de betalingsinstellingen, hun bestuurders, zaakvoerders of directeuren die de artikelen 18, 21 en 23 overtreden;5° de betalingsinstellingen, hun bestuurders, zaakvoerders of directeuren die in het buitenland een bijkantoor openen of die beroep doen op agenten, zonder de bij de artikelen 19 en 20 bepaalde kennisgevingen te hebben verricht, of die zich niet conformeren aan de artikelen 19 en 20;6° de betalingsinstellingen, hun bestuurders, zaakvoerders of directeuren die de in de artikelen 17, 24, 41 en 46 bedoelde besluiten of reglementen overtreden;7° de betalingsinstellingen, hun bestuurders, zaakvoerders of directeuren die zich niet conformeren aan de artikelen 24, eerste, tweede en zesde lid, en 41, eerste lid;8° wie handelingen stelt of verrichtingen uitvoert die indruisen tegen een schorsingsbeslissing geno-men overeenkomstig artikel 35, § 1, tweede lid, 1°;9° wie als commissaris, erkende revisor of onafhankelijk deskundige, rekeningen, jaarrekeningen of geconsolideerde jaarrekeningen van betalingsinstellingen dan wel periodieke staten of alle andere inlichtingen certificeert, goedkeurt of bekrachtigt terwijl niet is voldaan aan de voorschriften van de wetten, besluiten en reglementen over het wettelijk statuut van de betalingsinstellingen, en daarvan kennis heeft, of niet heeft gedaan wat hij normaal had moeten doen om zich te vergewissen of aan die bepalingen was voldaan;10° wie de onderzoeken en controles waartoe hij zich dient te houden verhindert in het land of in het buitenland, dan wel weigert de gegevens te vestrekken waartoe hij op grond van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen verplicht is of wie bewust onjuiste of onvolledige inlichtingen verstrekt;11° wie artikel 49, § 1, overtreedt. TITEL 5. - Overige bepalingen HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten

Art. 52.In artikel 45, § 1, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 16 februari 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) er wordt een 8°bis ingevoegd, luidende : « 8°bis het toezicht op de naleving van de wet van [.......] op het statuut van de betalingsinstellingen, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en de toegang tot betalingssystemen; »; b) er wordt een 9°bis ingevoegd, luidende : « 9°bis het toezicht op de naleving van de bepalingen van de wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiële instrumenten;».

Art. 53.In artikel 75, § 1, van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 maart 2003 en de wet van 20 juli 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) in de bepaling onder 1°, wordt het woord « betalingssystemen » vervangen door de woorden « betalings- en afwikkelingssystemen »;b) in de bepaling onder 13°, worden de woorden « en op betalingsdiensten » ingevoegd tussen de woorden « het consumentenkrediet » en de woorden « aan de bevoegde autoriteiten ». HOOFDSTUK 2. - Wijziging van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op dekredietinstellingen

Art. 54.In artikel 3, § 2, eerste lid, van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 27 april 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in de bepaling onder 4), wordt het woord « Betalingsverrichtingen » vervangen door de woorden « Betalingsdiensten in de zin van artikel 4, 1°, van de wet van [....] op het statuut van de betalingsinstellingen, de toegang tot het bedrijf van betalingsdienstaanbieder en de toegang tot betalingssystemen »; 2° in de bepaling onder 5), worden, de woorden « Uitgifte en beheer van betaalmiddelen (credit cards, reischeques, kredietbrieven) » vervangen door de woorden « Uitgifte en beheer van andere betaalmiddelen (bijvoorbeeld reischeques en kredietbrieven) voor zover deze werkzaamheid niet valt onder punt 4) ». HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van de wet van 6 april 1995 op het statuut van en het toezicht op debeleggingsondernemingen

Art. 55.In artikel 139 van de wet van 6 april 1995 op het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 augustus 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste en tweede lid worden de woorden « de artikelen 137, tweede lid, en 139bis, tweede lid, » vervangen door « artikel 137, tweede lid, »;2° het achtste, negende en tiende lid vervallen.

Art. 56.Artikel 139bis van dezelfde wet wordt opgeheven. HOOFDSTUK 4. - Overgangsbepalingen

Art. 57.Niettegenstaande het bepaalde bij Titel II, Hoofdstuk I, mogen de rechtspersonen naar Belgisch recht die bij de inwerkingtreding van deze wet betalingsdiensten aanbieden, deze werkzaamheden voortzetten tot en met 30 april 2011, zonder vergunning van de CBFA als bedoeld in artikel 6.

De in het eerste lid bedoelde rechtspersonen, met uitzondering van de Belgische wisselkantoren en Belgische beleggingsondernemingen, dienen zich bij de CBFA ten laatste op 31 december 2009 aan te melden, met vermelding van de betalingsdiensten opgenomen als bijlage I die zij aanbieden. Zij mogen geen andere betalingsdiensten aanbieden zonder voorafgaande vergunning van de CBFA als betalingsinstelling. De CBFA kan aan deze rechtspersonen vragen haar inlichtingen te verstrekken, binnen de termijn die zij vaststelt, betreffende hun bedrijvigheid inzake betalingsdiensten. Zij dienen de CBFA op de hoogte te stellen wanneer zij hun bedrijvigheid inzake betalingsdiensten stopzetten.

Niettegenstaande het bepaalde bij het eerste en tweede lid wordt aan financiële instellingen in de zin van artikel 3, § 1, 5°, van de bankwet, die vóór 25 december 2007 overeenkomstig de Belgische wetgeving werkzaamheden als bedoeld in artikel 3, § 2, 4), van de bankwet zijn aangevangen en die voldoen aan de voorwaarden van artikel 41, eerste lid, 6°, van de bankwet, vrijstelling van het in artikel 6 bedoelde vergunningsvereiste verleend. Zij stellen de CBFA vóór 25 december 2009 van deze werkzaamheden in kennis. Die kennisgeving bevat bovendien de gegevens die het bewijs leveren dat zij voldoen aan de vereisten van artikel 7, eerste lid, 1°, 4°, 7° tot en met 9°, 11° en 13°. Indien de CBFA ervan overtuigd is dat aan die vereisten wordt voldaan, krijgen de betrokken financiële instellingen een registerinschrijving overeenkomstig artikel 9. HOOFDSTUK 5. - Inwerkingtreding

Art. 58.Deze wet treedt in werking op 1 november 2009.

De artikelen 55 en 56 treden in werking op 1 november 2009, behalve voor de wisselkantoren die op die datum door de CBFA geregistreerd zijn met toepassing van artikel 139 van de wet van 6 april 1995 op het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen en die diensten inzake geldoverdrachten verrichten. Voor deze instellingen treden deze artikelen in werking op de datum van hun inschrijving als betalingsinstelling als bedoeld in artikel 6 en ten laatste op 30 april 2011.

Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Gegeven te Brussel, 21 december 2009.

ALBERT Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën, D. REYNDERS Met 's Lands zegel gezegeld : De minister van Justitie, S. DE CLERCK _______ Nota's (1) Zitting 2008-2009. Kamer van volksvertegenwoordigers.

Stukken. - Wetsontwerp, 52-2182 - Nr. 1.

Zitting 2009-2010.

Kamer van volksvertegenwoordigers.

Stukken. - Verslag, 52-2182 - Nr. 2. - Tekst verbeterd door de commissie, 52-2182 - Nr. 3. - Tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgezonden aan de Senaat, 52-2182 - Nr. 4.

Integraal Verslag. - 12 november 2009.

Zie ook : Zitting 2008-2009.

Kamer van volksvertegenwoordigers.

Stukken. - Wetsontwerp, 52-2183 - Nr. 1.

Zitting 2009-2010.

Kamer van volksvertegenwoordigers.

Stukken. - Verslag, 52-2183 - Nr. 2. - Tekst verbeterd door de commissie, 52-2183 - Nr. 3. - Tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgezonden aan de Senaat, 52-2183 - Nr. 4.

Integraal Verslag. -12 november 2009.

Senaat.

Stukken. - Ontwerp niet geëvoceerd door de Senaat, 4-1496 - Nr. 1.

BIJLAGE I BETALINGSDIENSTEN BEDOELD IN ARTIKEL 4, 1° 1.Diensten waarbij de mogelijkheid wordt geboden contanten op een betaalrekening te plaatsen, alsook alle verrichtingen die voor het beheren van een betaalrekening vereist zijn. 2. Diensten waarbij de mogelijkheid wordt geboden contanten van een betaalrekening op te nemen, alsook alle verrichtingen die voor het beheren van een betaalrekening vereist zijn.3. Uitvoering van betalingstransacties, met inbegrip van de overmaking van geldmiddelen op een betaalrekening bij de betalingsdienstaanbieder van de gebruiker of bij een andere betalingsdienstaanbieder : - uitvoering van domiciliëringen, met inbegrip van eenmalige domiciliëringen; - uitvoering van betalingstransacties via een betaalkaart of een soortgelijk instrument; - uitvoering van overschrijvingen, met inbegrip van doorlopende betalingsopdrachten. 4. Uitvoering van betalingstransacties waarbij de geldmiddelen zijn gedekt door een kredietlijn die aan de betalingsdienstgebruiker wordt verstrekt : - uitvoering van domiciliëringen, met inbegrip van eenmalige domiciliëringen; - uitvoering van betalingstransacties via een betaalkaart of een soortgelijk instrument; - uitvoering van overschrijvingen, met inbegrip van doorlopende betalingsopdrachten. 5. Uitgifte en/of aanvaarding van betaalinstrumenten.6. Geldtransfers.7. Uitvoering van betalingstransacties waarbij de instemming van de betaler met een betalingstransactie wordt doorgegeven met behulp van een telecommunicatie-, digitaal of IT-instrument en de betaling rechtstreeks geschiedt aan de exploitant van de telecommunicatiediensten, het IT-systeem of het netwerk, die louter optreedt als tussenpersoon tussen de betalingsdienstgebruiker en de persoon die de goederen levert of de diensten verricht. BIJLAGE II UITGESLOTEN ACTIVITEITEN BEDOELD IN ARTIKEL 4, 1° 1. Betalingstransacties die uitsluitend in contanten, rechtstreeks door de betaler aan de begunstigde worden verricht, zonder enige tussenkomst.2. Betalingstransacties die door de betaler aan de begunstigde worden uitgevoerd via een handelsagent die gemachtigd is om voor rekening van de betaler of de begunstigde de verkoop of aankoop van goederen of diensten tot stand te brengen of af te sluiten.3. Beroepsmatig fysiek transport van bankbiljetten en muntstukken, inclusief ophaling, verwerking en levering.4. Betalingstransacties die bestaan in de niet-beroepsmatige ophaling en levering van contanten in het kader van een activiteit zonder winstoogmerk of voor liefdadigheidsdoeleinden.5. De diensten waarbij contanten door de begunstigde aan de betaler worden verstrekt als onderdeel van een betalingstransactie op uitdrukkelijk verzoek van de betalingsdienstgebruiker vlak voor de uitvoering van een betalingstransactie in de vorm van een betaling voor de aankoop van goederen of diensten.6. Geldwisseltransacties, dat wil zeggen uitwisseling van contanten waarbij de geldmiddelen niet op een betaalrekening worden aangehouden.7. Betalingstransacties die zijn gebaseerd op een van de volgende documenten die door een betalingsdienstaanbieder zijn uitgegeven met de bedoeling geldmiddelen beschikbaar te stellen aan de begunstigde : i) een papieren cheque bedoeld in artikel 1 van de wet van 1 maart 1961 betreffende de invoering in de nationale wetgeving van de eenvormige wet op de cheque en de inwerkingtreding van deze wet, en iedere andere gelijkaardige vorm van papieren cheque, zoals de postcheque bepaald bij de wet van 2 mei 1956 op de postcheck, een circulaire cheque, of elke andere titel die, ongeacht de benaming of de vorm, dezelfde rechtsgevolgen met zich meebrengt; ii) een papieren wisselbrief bedoeld in artikel 1 van de gecoördineerde wetten op de wisselbrieven en orderbriefjes, als ingevoegd in Titel VIII van Boek I van het Wetboek van Koophandel, en iedere gelijkaardige vorm van papieren wisselbrief die, ongeacht de benaming of de vorm, dezelfde rechtsgevolgen met zich meebrengt; iii) een papieren tegoedbon, waaronder papieren dienstencheque zoals bedoeld in artikel 2, 1°, van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen, en papieren maaltijdcheque; iv) een papieren reischeque; v) een papieren postwissel uitgegeven en/of betaald in contanten aan een loket van een postkantoor of van een ander postaal servicepunt.8. Betalingstransacties die binnen een betalings- of een effectenafwikkelingssysteem worden uitgevoerd tussen afwikkelingsinstellingen, centrale tegenpartijen, verrekenkamers en/of centrale banken en andere deelnemers van het systeem, en betalingsdienstaanbieders, onverminderd het bepaalde bij artikel 49.9. Betalingstransacties in verband met dienstverlening op effecten, met inbegrip van uitkeringen van dividend, inkomsten en dergelijke, en aflossing en verkoop, uitgevoerd door personen als bedoeld onder punt 8 of door beleggingsondernemingen, kredietinstellingen, instellingen voor collectieve belegging of vermogensbeheerders die beleggingsdiensten aanbieden, alsmede andere instellingen aan welke bewaarneming van financiële instrumenten is toegestaan.10. Door technische dienstverleners verrichte diensten die de aanbieding van betalingsdiensten ondersteunen zonder dat de betrokken dienstverleners op enig moment in het bezit komen van de over te maken geldmiddelen, met inbegrip van verwerking en opslag van gegevens, diensten ter bescherming van het vertrouwen en het privéleven, authentificatie van gegevens en entiteiten, aanbieding van informatietechnologie (IT)- en communicatienetwerken, alsook aanbieding en onderhoud van voor betalingsdiensten gebruikte automaten en instrumenten.11. Diensten gebaseerd op instrumenten die kunnen worden gebruikt om, louter in de door de uitgevende instelling gebruikte bedrijfsgebouwen of uit hoofde van een handelsovereenkomst met de uitgevende instelling, hetzij binnen een beperkt netwerk van dienstverleners hetzij voor een beperkte reeks goederen en diensten, goederen en diensten te verkrijgen.12. Betalingstransacties uitgevoerd via een telecommunicatie-, digitaal of IT-instrument, wanneer de gekochte goederen of diensten geleverd worden aan, en gebruikt moeten worden via, een telecommunicatie-, digitaal of IT-instrument, mits de telecommunicatie-, digitale of IT-exploitant niet uitsluitend als intermediair optreedt tussen de betalingsdienstgebruiker en de leverancier van de goederen en diensten.13. Betalingstransacties die worden uitgevoerd tussen betalingsdienstaanbieders, hun agenten of bijkantoren, voor eigen rekening.14. Betalingstransacties tussen een moederonderneming en haar dochteronderneming of tussen dochterondernemingen van dezelfde moederonderneming, waarbij geen andere betalingsdienstaanbieder dan een tot dezelfde groep behorende onderneming tussenkomt. 15. Diensten van aanbieders bestaande uit het opnemen van contanten via geldautomaten namens een of meer kaartuitgevers die geen partij zijn bij het raamcontract met de cliënt die geld van een betaalrekening opneemt, mits die aanbieders geen andere betalingsdiensten uitvoeren zoals opgesomd in bijlage I.

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^