Wet van 22 juli 2018
gepubliceerd op 07 augustus 2018

Wet tot wijziging van het Wetboek van strafvordering betreffende toezeggingen in het kader van de strafvordering, de strafuitvoering of de hechtenis wegens het afleggen van een verklaring in het kader van de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit en

bron
federale overheidsdienst justitie
numac
2018013225
pub.
07/08/2018
prom.
22/07/2018
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

Numac : 2018013225

FEDERALE OVERHEIDSDIENST JUSTITIE


22 JULI 2018. - Wet tot wijziging van het Wetboek van strafvordering betreffende toezeggingen in het kader van de strafvordering, de strafuitvoering of de hechtenis wegens het afleggen van een verklaring in het kader van de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit en het terrorisme (1)


FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt : HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling

Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.

Art. 2.In boek II, titel I, van het Wetboek van strafvordering wordt een hoofdstuk IIter ingevoegd, luidende "Toezeggingen in het kader van de strafvordering, de strafuitvoering of de hechtenis wegens het afleggen van een verklaring".

Art. 3.In hoofdstuk IIter, ingevoegd bij artikel 2, wordt een afdeling I ingevoegd, luidende "Algemene bepaling".

Art. 4.In afdeling I, ingevoegd bij artikel 3, wordt een artikel 216/1 ingevoegd, luidende : "

Art. 216/1.De procureur des Konings kan aan een persoon die substantiële, onthullende, oprechte en volledige verklaringen aflegt inzake de betrokkenheid van derden en desgevallend de eigen betrokkenheid, over gepleegde of gepoogde misdrijven bedoeld in artikel 90ter, §§ 2 tot 4, en die zijn opgenomen in een memorandum, een toezegging verlenen in het kader van de uitoefening van de strafvordering, in het kader van de strafuitvoering of in het kader van de hechtenis mits het onderzoek zulks vereist en de overige middelen van het onderzoek niet lijken te volstaan om de waarheid aan de dag te brengen.

De in dit hoofdstuk bedoelde mogelijkheid behoort ook, ten aanzien van dezelfde misdrijven, aan de arbeidsauditeur, de federale procureur en de procureur-generaal in hoger beroep en, ten aanzien van de personen bedoeld in de artikelen 479 en 483 aan de procureur-generaal bij het hof van beroep.".

Art. 5.In hoofdstuk IIter, ingevoegd bij artikel 2, wordt een afdeling II ingevoegd, luidende "Memorandum met de persoon bedoeld in artikel 216/1".

Art. 6.In afdeling II, ingevoegd bij artikel 5, wordt een artikel 216/2 ingevoegd, luidende : "

Art. 216/2.§ 1. De procureur des Konings en de persoon bedoeld in artikel 216/1 ondertekenen een schriftelijk memorandum. Het memorandum wordt gedateerd en bevat de volgende vermeldingen : 1° de identiteitsgegevens van de persoon bedoeld in artikel 216/1;2° de naam van de advocaat die bijstand verleent aan de persoon bedoeld in artikel 216/1 bij het afsluiten van het memorandum;3° de procureur des Konings van het gerechtelijk arrondissement waar de misdrijven waarover de persoon bedoeld in artikel 216/1 te kennen geeft een verklaring te zullen afleggen werden gepleegd en de procureur des Konings van het gerechtelijk arrondissement waar de persoon bedoeld in artikel 216/1 wordt vervolgd of waar hij veroordeeld is;4° de nauwkeurige en omstandige opgave van : a) de feiten waarvoor de persoon bedoeld in artikel 216/1 wordt vervolgd of waarvoor hij reeds veroordeeld is, alsmede de straffen die hem in dat laatste geval werden opgelegd, en die het voorwerp uitmaken van de toezegging van de procureur des Konings;b) de feiten waarover de persoon bedoeld in artikel 216/1 te kennen geeft een verklaring te zullen afleggen;c) de inhoud van de toezegging van de procureur des Konings;d) de voorwaarden die met de toezegging van de procureur des Konings gepaard gaan, die in elk geval bestaan uit de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 216/3, § 1, 2° tot 5° ;e) de voorwaarden en de nadere regels die betrekking hebben op het afleggen van de verklaring door de persoon bedoeld in artikel 216/1;f) de bereidheid tot het vergoeden van de schade. § 2. Het memorandum kan slechts worden afgesloten met : 1° een voorafgaand akkoord van de bevoegde procureurs-generaal;2° een voorafgaand advies van de getuigenbeschermingscommissie wat betreft de mogelijkheid tot nemen van beschermingsmaatregelen waar later over beslist kan worden;3° een voorafgaand advies van de federale procureur;4° indien de persoon bedoeld in artikel 216/1 het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijk onderzoek of diens verklaringen afgelegd worden in het kader van een lopend gerechtelijk onderzoek, een voorafgaand advies van de onderzoeksrechter over de stand van zaken van het gerechtelijk onderzoek. § 3. De bevoegde procureurs-generaal nemen een beslissing bij consensus. § 4. Het memorandum wordt gesloten en ondertekend in het bijzijn van een advocaat naar keuze van de persoon bedoeld in artikel 216/1 of een door de stafhouder aan hem toegewezen advocaat.

De persoon bedoeld in artikel 216/1 kan te allen tijde een vertrouwelijk overleg hebben met zijn advocaat buiten de aanwezigheid van de procureur des Konings. § 5. Het memorandum wordt opgesteld in drie ondertekende exemplaren.

Eén exemplaar wordt overhandigd aan de persoon bedoeld in artikel 216/1, een tweede wordt toegevoegd aan het strafdossier betreffende het misdrijf waarvoor de persoon bedoeld in artikel 216/1 wordt vervolgd of werd veroordeeld en een derde wordt door de procureur des Konings bijgehouden.

Indien de verklaring van de persoon bedoeld in artikel 216/1 wordt aangewend in verschillende strafdossiers, wordt in elk van deze strafdossiers een voor eensluidend verklaard afschrift van het memorandum gevoegd. § 6. De federale procureur houdt een register bij van alle opgestelde memoranda. Van elk door de procureur des Konings ondertekend memorandum wordt een voor eensluidend verklaard afschrift overgezonden aan de federale procureur en toegevoegd aan het register. § 7. Na de ondertekening van het memorandum gaat de persoon bedoeld in artikel 216/1 binnen de termijn opgelegd in het memorandum over tot het afleggen van de verklaring.".

Art. 7.In hoofdstuk IIter, ingevoegd bij artikel 2, wordt een afdeling III ingevoegd, luidende "Herroeping van de toezegging".

Art. 8.In afdeling III, ingevoegd bij artikel 7, wordt een artikel 216/3 ingevoegd, luidende : "

Art. 216/3.De toezegging kan worden herroepen : 1° indien de persoon bedoeld in artikel 216/1 de door hem in het memorandum aanvaarde voorwaarden niet heeft nageleefd;2° indien de persoon bedoeld in artikel 216/1 voor misdrijven gepleegd na datum van het sluiten van het memorandum bij vonnis of arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan wordt veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van ten minste zes maanden;3° indien de persoon bedoeld in artikel 216/1 niet overgaat tot het afleggen van de verklaringen zoals bepaald in het memorandum;4° indien de persoon bedoeld in artikel 216/1 de schade niet vergoedt;5° indien de persoon bedoeld in artikel 216/1, wetens en willens, onvolledige, onoprechte of niet-onthullende verklaringen betreffende de bedoelde feiten heeft afgelegd; 6° indien de persoon bedoeld in artikel 216/1, teneinde de vervolging betreffende de bedoelde feiten te belemmeren, heeft gepoogd bewijzen te laten verdwijnen of zich te verstaan met derden.".

Art. 9.In hoofdstuk IIter, ingevoegd bij artikel 2, wordt een afdeling IV ingevoegd, luidende "Verklaring van de persoon bedoeld in artikel 216/1".

Art. 10.In afdeling IV, ingevoegd bij artikel 9, wordt een artikel 216/4 ingevoegd, luidende : "

Art. 216/4.§ 1. De persoon bedoeld in artikel 216/1 moet gevolg geven aan elke oproeping door het openbaar ministerie, de onderzoeksrechter en de onderzoeks- en vonnisgerechten. § 2. Verklaringen die door de persoon bedoeld in artikel 216/1 worden afgelegd mogen alleen in aanmerking genomen worden als bewijs op voorwaarde dat zij in afdoende mate steun vinden in andersoortige bewijsmiddelen.

In elk proces-verbaal waarin een verklaring van de persoon bedoeld in artikel 216/1 ter uitvoering van het memorandum wordt opgenomen, wordt melding gemaakt van het memorandum. § 3. Aan een persoon bedoeld in artikel 216/1 kan noch gedeeltelijke anonimiteit in de zin van de artikelen 75bis en 155bis, noch volledige anonimiteit in de zin van artikel 86bis worden toegekend. § 4. Indien de persoon bedoeld in artikel 216/1 in dezelfde zaak ook optreedt als burgerinfiltrant in het kader van een burgerinfiltratie zoals bepaald in onderafdeling 4bis van het boek I, hoofdstuk IV, afdeling III, maakt het openbaar ministerie hiervan onverwijld melding in het vertrouwelijk dossier bedoeld in artikel 47novies/3, § 1, tweede lid.

Het openbaar ministerie vermeldt in een proces-verbaal dat de persoon bedoeld in artikel 216/1 in dezelfde zaak heeft opgetreden als burgerinfiltrant. Het proces-verbaal wordt slechts door het openbaar ministerie bij het strafdossier gevoegd op het ogenblik dat de kamer van inbeschuldigingstelling kennisneemt van de zaak op basis van artikel 235ter.".

Art. 11.In hoofdstuk IIter, ingevoegd bij artikel 2, wordt een afdeling V ingevoegd, luidende "Toezegging van het openbaar ministerie in het kader van de uitoefening van de strafvordering".

Art. 12.In afdeling V, ingevoegd bij artikel 11, wordt een artikel 216/5 ingevoegd, luidende : "

Art. 216/5.§ 1. Het openbaar ministerie kan, mits het wordt vermeld in het memorandum, met inachtneming van de proportionaliteit ten aanzien van het door de persoon bedoeld in artikel 216/1 gepleegde misdrijf en ten aanzien van het misdrijf waarover verklaringen worden afgelegd, daarbij in het bijzonder rekening houdend met de ernst van de eventuele gevolgen : 1° een onmiddellijk lagere straf toezeggen met toepassing van een strafvermindering overeenkomstig de artikelen 80 en 81 van het Strafwetboek, inzake de door de persoon bedoeld in artikel 216/1 gepleegde of gepoogde misdaden met geweld of bedreiging en de misdaden vervat in titel 1ter van boek 2 van het Strafwetboek;2° een lagere straf toezeggen met toepassing van een strafvermindering overeenkomstig artikel 85 van het Strafwetboek, inzake de door de persoon bedoeld in artikel 216/1 gepleegde of gepoogde wanbedrijven met geweld of bedreiging en de wanbedrijven vervat in titel 1ter van boek 2 van het Strafwetboek;3° een eenvoudige schuldigverklaring, dan wel een straf die lager kan zijn dan de wettelijk bepaalde minimumstraf, dan wel een straf onder elektronisch toezicht, een werkstraf of een autonome probatiestraf toezeggen, inzake de door de persoon bedoeld in artikel 216/1 gepleegde misdaden zonder geweld of bedreiging en wanbedrijven zonder geweld of bedreiging, met uitsluiting van de misdaden en wanbedrijven vervat in titel 1ter van boek 2 van het Strafwetboek.4° een verminderde geldboete, zelfs onder het wettelijk bepaalde minimum, of bijzondere verbeurdverklaring, zelfs bij een verplichte verbeurdverklaring, doch met uitzondering van de verbeurdverklaring van stoffen en voorwerpen die de openbare veiligheid of de veiligheid van personen in het gevaar brengen, toezeggen. Er kunnen geen toezeggingen worden verricht over de straffen bedoeld in de artikelen 31 tot 34 van het Strafwetboek. § 2. Het openbaar ministerie vordert, binnen de perken van de op het misdrijf gestelde straffen en binnen de perken van de wet, de straf die van toepassing wordt ingeval de persoon bedoeld in artikel 216/1 de voorwaarden zoals opgenomen in het memorandum overeenkomstig artikel 216/3 niet nakomt of niet heeft nagekomen. § 3. De toezegging door het openbaar ministerie wordt met redenen omkleed. De bevoegde rechtbank, het hof of, tijdens het gerechtelijk onderzoek en bij de regeling van de rechtspleging, en binnen de beoordeling van de bezwaren, het onderzoeksgerecht, verifieert de proportionaliteit van de toezegging bedoeld in paragraaf 1, of de wettelijke voorwaarden zijn nagekomen, of de persoon bedoeld in artikel 216/1 het memorandum uit vrije wil en weloverwogen heeft aanvaard, of de feiten met hun correcte juridische kwalificatie overeenstemmen, of de feiten waarvoor de persoon bedoeld in artikel 216/1 wordt vervolgd en waarop de toezegging slaat, overeenstemmen met de werkelijkheid, of de gronden tot verval niet aanwezig zijn en of de bereidheid tot vergoeding van de eventuele schade aanwezig is.

Vervolgens bekrachtigt ze de toezegging. De beslissing wordt met redenen omkleed. Op strafgebied staat geen rechtsmiddel open.

De bevoegde rechtbank of het hof beslist binnen de perken van de op het misdrijf gestelde straffen, alsook van de wet op grond waarvan de zaak voor de rechtbank of het hof werd gebracht, over de straf die overeenkomstig paragraaf 2 wordt gevorderd en waarvan de tenuitvoerlegging wordt uitgesteld mits de voorwaarden worden nagekomen. Indien het onderzoeksgerecht de toezegging heeft bekrachtigd, verwijst het de zaak naar de bevoegde rechtbank of het hof om uitspraak te doen over de straf overeenkomstig het bepaalde in de eerste zin.

De afwijzing gebeurt in een beslissing die met redenen wordt omkleed.

Indien, nadat de toezegging wordt afgewezen, een nieuw memorandum wordt voorgelegd, wordt de zaak tegen de persoon bedoeld in artikel 216/1 toegewezen aan een anders samengestelde kamer.

Indien de toezegging wordt afgewezen en geen nieuw memorandum wordt voorgelegd, wordt de zaak tegen de persoon bedoeld in artikel 216/1 toegewezen aan een anders samengestelde kamer en worden het ondertekende memorandum en de documenten die werden opgemaakt en de mededelingen die werden gedaan tijdens het overleg in het kader van de procedure, alsook alle andere gerelateerde procedurestukken, uit het dossier verwijderd en alsdan neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg. Zij kunnen niet ten laste van de persoon bedoeld in artikel 216/1 worden aangewend in een andere strafrechtelijke, burgerrechtelijke, administratieve, arbitrale of andere procedure en ze zijn niet toelaatbaar als bewijs, zelfs niet als buitengerechtelijke bekentenis. § 4. De bevoegde rechtbank, het bevoegde hof of desgevallend het bevoegde onderzoeksgerecht, hoort de persoon bedoeld in artikel 216/1 of zijn advocaat over het memorandum en over de feiten waarvoor de persoon bedoeld in artikel 216/1 wordt vervolgd.

In voorkomend geval, hoort de bevoegde rechtbank, het bevoegde hof of het bevoegde onderzoeksgerecht, ook het slachtoffer of zijn advocaat over de feiten en over de vergoeding van de schade. Het slachtoffer kan zich op de zitting van de bevoegde rechtbank, het bevoegde hof of desgevallend het bevoegde onderzoeksgerecht burgerlijke partij stellen. De persoon bedoeld in artikel 216/1 wordt gehoord met betrekking tot de burgerlijke rechtsvordering. § 5. Indien het openbaar ministerie meent dat de persoon bedoeld in artikel 216/1 de voorwaarden zoals opgenomen in het memorandum overeenkomstig artikel 216/3 niet nakomt of niet heeft nagekomen binnen de termijn die gelijk is aan de duur van de straf die uitgesproken is overeenkomstig paragraaf 3, tweede lid, vordert het bij de rechtbank of het hof de toepassing van de straf die door die rechtbank of dat hof is uitgesproken. Bij niet-naleving van de voorwaarden bedoeld in artikel 216/3, § 1, 4° en 5°, bedraagt deze termijn ten minste vijf jaar.

De rechtbank, het hof of desgevallend het onderzoeksgerecht, hoort de persoon bedoeld in artikel 216/1 en zijn advocaat en het openbaar ministerie.

Indien het voorwaarden betreft die in het belang van het slachtoffer zijn opgelegd, wordt het slachtoffer hieromtrent gehoord. Het slachtoffer kan zijn opmerkingen voordragen.

De rechtbank of het hof doet op autonome en gemotiveerde wijze uitspraak over de toepassing van deze straf.".

Art. 13.In hoofdstuk IIter, ingevoegd bij artikel 2, wordt een afdeling VI ingevoegd, luidende "Toezegging van het openbaar ministerie over de strafuitvoering".

Art. 14.In afdeling VI, ingevoegd bij artikel 13, wordt een artikel 216/6 ingevoegd, luidende : "

Art. 216/6.Het openbaar ministerie kan, mits het wordt vermeld in het memorandum, met inachtneming van de proportionaliteit ten aanzien van het door de persoon bedoeld in artikel 216/1 gepleegde misdrijf en ten aanzien van het misdrijf waarover verklaringen worden afgelegd, daarbij in het bijzonder rekening houdend met de ernst van de eventuele gevolgen, en indien de persoon bedoeld in artikel 216/1 geen gevaar oplevert voor de openbare veiligheid, toezeggen : 1° een gunstig advies als bepaald in titel VI van de wet van 17 mei 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/05/2006 pub. 15/06/2006 numac 2006009456 bron federale overheidsdienst justitie Wet betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten (2) sluiten betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, uit te brengen; 2° binnen zijn bevoegdheden, een gunstige beslissing in het kader van de strafuitvoering te nemen.".

Art. 15.In hoofdstuk IIter, ingevoegd bij artikel 2, wordt een afdeling VII ingevoegd, luidende "Toezegging van het openbaar ministerie in de fase van de hechtenis".

Art. 16.In afdeling VII, ingevoegd bij artikel 15, wordt een artikel 216/7 ingevoegd, luidende : "

Art. 216/7.Het openbaar ministerie kan, mits het wordt vermeld in het memorandum, met inachtneming van de proportionaliteit ten aanzien van het door de persoon bedoeld in artikel 216/1 gepleegde misdrijf en ten aanzien van het misdrijf waarover verklaringen worden afgelegd, en een voorafgaand akkoord van de directeur-generaal van de Penitentiaire Inrichtingen een toezegging verrichten inzake de plaatsing en overplaatsing als bedoeld in artikel 18 van de wet van 12 januari 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/01/2005 pub. 01/02/2005 numac 2005009033 bron federale overheidsdienst justitie Basiswet betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden sluiten betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden.

Deze toezegging kan geen afbreuk doen aan de bevoegdheden van de gevangenisdirecteur in het kader van de tucht, orde en veiligheid binnen de gevangenis.

De minister bevoegd voor justitie neemt de noodzakelijke maatregelen met betrekking tot de uitvoering van de faciliteiten die verband houden met de plaatsing en overplaatsing. De tenuitvoerlegging van de maatregelen binnen de gevangenis wordt verzorgd door het directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen.".

Art. 17.In hoofdstuk IIter, ingevoegd bij artikel 2, wordt een afdeling VIII ingevoegd, luidende "Parlementair toezicht".

Art. 18.In afdeling VIII, ingevoegd bij artikel 17, wordt een artikel 216/8 ingevoegd, luidende : "

Art. 216/8.De minister bevoegd voor justitie brengt elk jaar verslag uit aan de Kamer van volksvertegenwoordigers over de toepassing van de artikelen 216/1 tot 216/7.

Hij brengt de Kamer van volksvertegenwoordigers op de hoogte van het aantal onderzoeken die aanleiding gegeven hebben tot de maatregelen bedoeld in die artikelen, van het aantal betrokken personen en van de behaalde resultaten.".

Art. 19.In artikel 104 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 7 juli 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/07/2002 pub. 10/08/2002 numac 2002009754 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende een regeling voor de bescherming van bedreigde getuigen en andere bepalingen type wet prom. 07/07/2002 pub. 25/09/2002 numac 2002016196 bron ministerie van middenstand en landbouw Wet tot wijziging van de wet van 10 november 1967 houdende oprichting van het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau sluiten en gewijzigd bij de wetten van 5 augustus 2003 en 14 juli 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° paragraaf 4 wordt aangevuld met twee leden, luidende : "De persoon aan wie bijzondere beschermingsmaatregelen worden toegekend, heeft recht op de vrijwaring van zijn sociale en administratieve rechten.De federale procureur kan hiertoe de medewerking vorderen van de ambtenaren en agenten van de openbare diensten en besturen. De getuigenbeschermingsdienst staat in voor de uitvoering van deze vordering.

Iedere persoon die uit hoofde van zijn functie kennis krijgt van deze maatregelen of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht. Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek."; 2° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 5, luidende : " § 5.De federale procureur kan tevens, indien daartoe grond bestaat, toelating verlenen om de noodzakelijke, preventieve toezichtmaatregelen te nemen ter vrijwaring van de veiligheid en de fysieke, psychische en morele integriteit van de in het artikel 102 bedoelde personen na toekenning van beschermingsmaatregelen zoals bedoeld onder de paragrafen 1 en 2. Van de mogelijkheid hiertoe wordt schriftelijk kennis gegeven aan de bedreigde getuige.".

Art. 20.In artikel 108, § 4, van hetzelfde Wetboek wordt het tweede lid opgeheven.

Art. 21.In hetzelfde Wetboek wordt in boek II, titel II, hoofdstuk VI, afdeling II, een artikel 346/1 ingevoegd, luidende : "

Art. 346/1.Indien de veroordeelde bedoeld in artikel 216/1 de voorwaarden van het memorandum niet nakomt, vordert de procureur-generaal bij het hof van beroep de toepassing van de straf overeenkomstig artikel 216/5, § 2. Het hof, zonder de jury, doet op met redenen wijze uitspraak over de toepassing van deze straf.".

Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Gegeven te Brussel, 22 juli 2018.

FILIP Van Koningswege : De Minister van Justitie, K. GEENS Met 's Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie, K. GEENS _______ Nota (1) Kamer van volksvertegenwoordigers (www.dekamer.be) Stukken : 54-3016 Integraal Verslag : 19 juli 2018


begin


Publicatie : 2018-08-

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^