Wet van 23 maart 2017
gepubliceerd op 19 mei 2017
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Wet inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen inzake toezichtmaatregelen uitgesproken als alternatief voor voorlopige hechtenis

bron
federale overheidsdienst justitie
numac
2017012043
pub.
19/05/2017
prom.
23/03/2017
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

Numac : 2017012043

FEDERALE OVERHEIDSDIENST JUSTITIE


23 MAART 2017. - Wet inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen inzake toezichtmaatregelen uitgesproken als alternatief voor voorlopige hechtenis


FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt : HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepaling

Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet. HOOFDSTUK 2. - Algemene beginselen

Art. 2.§ 1. Deze wet regelt de erkenning van beslissingen inzake toezichtmaatregelen, zoals bedoeld in artikel 3, uitgesproken als alternatief voor voorlopige hechtenis op het grondgebied van een andere lidstaat van de Europese Unie dan die waar de beslissing is uitgesproken. Deze wet stelt eveneens regels vast volgens welke een lidstaat toeziet op de naleving van die toezichtmaatregelen en de betrokken persoon, als de maatregelen niet worden nageleefd, overlevert aan de beslissingsstaat. § 2. De nagestreefde doelstellingen zijn: 1° de normale rechtsgang te garanderen en, met name, ervoor te zorgen dat de betrokkene beschikbaar is om voor de rechter te verschijnen;2° in voorkomend geval te bevorderen dat tijdens de strafprocedure, jegens niet-ingezetenen van de lidstaat waar het proces plaatsvindt, niet- vrijheidsbenemende maatregelen worden toegepast;3° de bescherming van slachtoffers en de burgers in het algemeen te verbeteren.

Art. 3.Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder: 1° beslissing inzake toezichtmaatregelen: een uitvoerbare beslissing, door een bevoegde autoriteit in de beslissingsstaat genomen in het kader van een strafrechtelijke procedure, waarbij aan een natuurlijke persoon, als alternatief voor voorlopige hechtenis, een of meer toezichtmaatregelen zijn opgelegd;2° toezichtmaatregelen: verplichtingen en instructies die volgens het nationale recht en de procedures van de beslissingsstaat aan een natuurlijke persoon worden opgelegd;3° beslissingsstaat: de lidstaat van de Europese Unie waar een beslissing inzake toezichtmaatregelen is gegeven;4° tenuitvoerleggingsstaat: de lidstaat van de Europese Unie waar op de toezichtmaatregelen wordt toegezien;5° certificaat: het document waarvan het model in bijlage 1 is opgenomen, ondertekend door de bevoegde autoriteit in de beslissingsstaat, die verklaart dat de inhoud correct is.

Art. 4.§ 1. Deze wet is van toepassing wanneer de beslissing inzake toezichtmaatregelen een van de volgende toezichtmaatregelen bevat: 1° de verplichting van de betrokkene om de bevoegde autoriteit in de tenuitvoerleggingsstaat in kennis te stellen van elke wijziging van zijn verblijfplaats, met name met het oog op toezending van de oproeping om tijdens de strafprocedure in rechte te verschijnen;2° de verplichting om bepaalde locaties, plaatsen of afgebakende gebieden in de beslissingsstaat of in de tenuitvoerleggingsstaat niet te betreden;3° de verplichting om, in voorkomend geval gedurende aangegeven perioden, op een aangegeven plaats te blijven;4° de verplichting houdende beperking van het recht om het grondgebied van de tenuitvoerleggingsstaat te verlaten;5° de verplichting zich op gezette tijden bij een bepaalde autoriteit te melden;6° de verplichting contact met bepaalde personen te vermijden in verband met de vermeende strafbare feiten. § 2. Deze wet kan ook van toepassing zijn op andere maatregelen dan die bedoeld in paragraaf 1, die de beslissing inzake toezichtmaatregelen vergezellen.

Art. 5.§ 1. Deze wet voert een stelsel zonder voorafgaand akkoord van de tenuitvoerleggingsstaat en een stelsel met voorafgaand akkoord van de tenuitvoerleggingsstaat in. § 2. Het stelsel zonder voorafgaand akkoord is van toepassing op de toezending van beslissingen inzake toezichtmaatregelen met het oog op de erkenning en het toezicht aan de lidstaat waar de persoon zijn wettige en vaste verblijfplaats heeft, indien deze, na van de betrokken toezichtmaatregelen op de hoogte te zijn gebracht, bereid is naar die staat terug te keren. § 3. Het stelsel met voorafgaand akkoord van de tenuitvoerleggingsstaat is, op verzoek van de betrokkene, van toepassing op de toezending van beslissingen inzake toezichtmaatregelen met het oog op de erkenning en het toezicht aan enige andere lidstaat van de Europese Unie dan die waar de betrokken persoon zijn wettige en vaste verblijfplaats heeft.

Het verzoek van de persoon creëert evenwel geen verplichting voor de beslissingsstaat aangezien laatstgenoemde alleen kan beslissen om de beslissing inzake toezichtmaatregelen en het certificaat aan een andere lidstaat toe te zenden.

Art. 6.§ 1. De bevoegde Belgische autoriteiten raadplegen de bevoegde autoriteiten van de andere betrokken lidstaat telkens als de situatie dit vereist en inzonderheid: 1° tijdens de voorbereiding van een beslissing inzake toezichtmaatregelen en de voorbereiding van het certificaat of ten minste voordat deze documenten worden toegezonden;2° ter bevordering van het efficiënte verloop van het toezicht op de toezichtmaatregelen;3° indien de betrokkene de opgelegde toezichtmaatregelen ernstig heeft geschonden. § 2. De bevoegde Belgische autoriteiten wisselen met de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaat alle nuttige informatie uit, met name: 1° informatie aan de hand waarvan de identiteit en de woonplaats van de betrokkene kunnen worden nagegaan;2° relevante informatie uit het centraal strafregister.

Art. 7.De beslissing inzake toezichtmaatregelen of een voor eensluidend verklaard afschrift daarvan wordt op zodanige wijze toegezonden dat de kennisgeving ervan schriftelijk kan worden vastgelegd. Het certificaat wordt eveneens meegezonden.

Het origineel van de beslissing inzake toezichtmaatregelen, of van het certificaat, of de voor eensluidend verklaarde afschriften daarvan, worden op verzoek toegezonden.

Art. 8.§ 1. De kosten voortvloeiend uit de tenuitvoerlegging van de beslissing inzake toezichtmaatregelen, uitgesproken in een andere lidstaat van de Europese Unie, worden door België gedragen. § 2. De kosten die uitsluitend op het grondgebied van de andere lidstaat zijn gemaakt en de kosten met betrekking tot de verplaatsing van de persoon tussen de tenuitvoerleggingsstaat en de beslissingsstaat worden niet gedragen door België. HOOFDSTUK 3. - Procedure inzake de erkenning van een beslissing inzake toezichtmaatregelen uitgesproken in een andere lidstaat van de Europese Unie en het toezicht op die maatregelen in België Afdeling 1. - Autoriteit bevoegd om het voorafgaand akkoord te geven

Art. 9.§ 1. In de in artikel 5, § 3, bedoelde gevallen is de minister bevoegd voor justitie de bevoegde autoriteit om het voorafgaand akkoord te geven voor de toezending van de beslissing inzake toezichtmaatregelen, tezamen met het certificaat. § 2. Alvorens een beslissing te nemen, gaat de minister bevoegd voor justitie na: 1° of de betrokken persoon geen bedreiging voor de openbare orde vormt;2° of de betrokken persoon voldoet aan de voorwaarden verbonden aan zijn verblijf op het Belgische grondgebied;3° of er duidelijke elementen zijn op grond waarvan er niet kan worden toegezien op de toezichtmaatregelen op het Belgische grondgebied overeenkomstig het Belgische rechtssysteem;4° of de aanwezigheid van de betrokken persoon op het Belgisch grondgebied geen risico inhoudt voor de bescherming van de slachtoffers en de burgers in het algemeen.

Art. 10.De minister bevoegd voor justitie brengt de beslissingsstaat onverwijld op de hoogte van zijn beslissing om al dan niet toe te stemmen in de toezending van de beslissing inzake toezichtmaatregelen.

Indien hij toestemt in de toezending van de beslissing stelt de minister bevoegd voor justitie het openbaar ministerie bij het rechtbank van het arrondissement waarin de plaats waar de betrokken persoon wenst te verblijven. Afdeling 2. - Voorwaarden voor de erkenning en het toezicht

Art. 11.§ 1. De erkenning van de beslissing inzake toezichtmaatregelen en het toezicht op die maatregelen worden geweigerd indien de feiten die aan de beslissing ten grondslag liggen krachtens het Belgische recht geen strafbaar feit opleveren. § 2. De eerste paragraaf is niet van toepassing ingeval het gaat om een van de volgende strafbare feiten, voor zover deze in de beslissingsstaat met een maximale vrijheidsbenemende straf van minimaal drie jaar worden gestraft: 1° deelneming aan een criminele organisatie;2° terrorisme;3° mensenhandel;4° seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie;5° illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen;6° illegale handel in wapens, munitie en explosieven;7° corruptie;8° fraude, daaronder begrepen fraude die afbreuk doet aan de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen in de zin van de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen;9° witwassen van de opbrengst van misdrijven;10° valsemunterij en namaak van de euro;11° computercriminaliteit;12° milieucriminaliteit, daaronder begrepen illegale handel in bedreigde diersoorten en illegale handel in bedreigde plantensoorten;13° hulp bij het onrechtmatig binnenkomen van of verblijven op het grondgebied;14° opzettelijke doodslag of ernstige slagen en verwondingen;15° illegale handel in menselijke organen en weefsel;16° ontvoering, opsluiting en gijzelneming;17° racisme en vreemdelingenhaat;18° georganiseerde of gewapende diefstal;19° illegale handel in cultuurgoederen, daaronder begrepen antiquiteiten en kunstwerken;20° oplichting;21° racketeering en afpersing;22° namaak en ongeoorloofde productie van goederen;23° vervalsing van administratieve documenten en handel in valse stukken;24° vervalsing van betaalmiddelen;25° illegale handel in hormonale stoffen en andere groeifactoren;26° illegale handel in nucleaire en radioactieve stoffen;27° handel in gestolen voertuigen;28° verkrachting;29° opzettelijke brandstichting;30° misdaden die tot de rechtsmacht van het Internationaal Strafhof behoren;31° kaping van vliegtuigen of schepen;32° sabotage. § 3. Met betrekking tot taksen en belastingen, douanerechten en deviezen mogen de erkenning van de beslissing inzake toezichtmaatregelen en het toezicht op die maatregelen niet worden geweigerd op grond van het feit dat de Belgische wet niet dezelfde soort taksen of belastingen heft, of niet dezelfde soort regelgeving inzake taksen, belastingen, douanerechten en deviezen kent als de wetgeving van de beslissingsstaat. § 4. Paragraaf 2, 14°, is niet van toepassing op abortus bedoeld in artikel 350, tweede lid, van het Strafwetboek en op euthanasie bedoeld in de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie.

Art. 12.De erkenning van de beslissing inzake toezichtmaatregelen en het toezicht op die maatregelen worden in de volgende gevallen geweigerd: 1° de erkenning van de beslissing inzake toezichtmaatregelen is onverenigbaar met het beginsel "ne bis in idem";2° het Belgische recht voorziet in een immuniteit die het houden van toezicht op de toezichtmaatregelen bij de beslissing inzake toezichtmaatregelen, onmogelijk maakt;3° de toezichtmaatregel is opgelegd aan een persoon die volgens het Belgische recht wegens zijn leeftijd niet strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gesteld voor de feiten waarop de beslissing inzake toezichtmaatregelen betrekking heeft;4° de strafvordering is volgens het Belgische recht verjaard en de Belgische gerechten zijn bevoegd om kennis te nemen van de feiten;5° er bestaan ernstige redenen om aan te nemen dat het toezicht op de toezichtmaatregelen afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de betrokken persoon, zoals vastgelegd in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie;6° er is niet voldaan aan de in artikel 5, § 2, vermelde criteria;7° de toezending van de beslissing inzake toezichtmaatregelen valt onder het stelsel met voorafgaand akkoord en het akkoord van de minister bevoegd voor justitie werd niet gegeven overeenkomstig artikel 9.

Art. 13.§ 1. De erkenning van de beslissing inzake toezichtmaatregelen en het toezicht op die maatregelen kunnen in de volgende gevallen worden geweigerd: 1° de toezichtmaatregelen bij de beslissing zijn opgenomen in artikel 4, § 2;2° in geval van niet-naleving van de toezichtmaatregelen kan de overlevering van de betrokkene worden geweigerd overeenkomstig de artikelen 4 tot 8 van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel. § 2. Indien het certificaat onvolledig is of kennelijk niet overeenstemt met de beslissing inzake toezichtmaatregelen kunnen de erkenning van die beslissing en het toezicht op die maatregelen worden toegestaan indien het openbaar ministerie van oordeel is dat het over voldoende gegevens beschikt.

Indien het openbaar ministerie van oordeel is dat het niet over voldoende informatie beschikt om de erkenning van de beslissing inzake toezichtmaatregelen en het toezicht op die maatregelen mogelijk te maken, bepaalt het voor de bevoegde autoriteit in de beslissingsstaat een redelijke termijn waarbinnen het certificaat moet worden aangevuld of gecorrigeerd. Indien de informatie niet binnen de bepaalde termijn wordt verstrekt, worden de erkenning en het toezicht geweigerd. § 3. Indien het openbaar ministerie van oordeel is dat de erkenning van een beslissing inzake toezichtmaatregelen kan worden geweigerd in het geval bedoeld in § 1, 2°, maar het bereid is de beslissing te erkennen en het toezicht op die toezichtmaatregelen te waarborgen, stelt het de bevoegde autoriteit in de beslissingsstaat daarvan in kennis, met opgave van de redenen voor de mogelijke weigering. Indien de bevoegde autoriteit in de beslissingsstaat het certificaat niet intrekt, kan het openbaar ministerie de beslissing inzake toezichtmaatregelen erkennen en toezicht houden op de daarin vervatte maatregelen, met dien verstande dat de betrokkene mogelijk niet zal worden overgeleverd overeenkomstig de artikelen 4 tot 8 van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel. Afdeling 3. - Procedure voor de erkenning en het toezicht

Art. 14.De autoriteit bevoegd voor de erkenning van een beslissing inzake toezichtmaatregelen is het openbaar ministerie bij de rechtbank van het arrondissement waarin de plaats is gelegen waar de betrokkene zijn wettige en vaste verblijfplaats heeft of, bij gebreke daarvan, van de plaats waar hij zich wenst te vestigen.

Art. 15.§ 1. Het aan het openbaar ministerie gerichte certificaat moet in het Nederlands, het Frans, het Duits of het Engels worden opgesteld of vertaald door de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat. § 2. Wanneer een andere autoriteit de beslissing inzake toezichtmaatregelen en het certificaat ontvangt, zendt zij die ambtshalve over aan het openbaar ministerie en stelt zij de beslissingsautoriteit hiervan in kennis op zodanige wijze dat de kennisgeving schriftelijk kan worden vastgelegd.

Art. 16.§ 1. Indien de beslissingsautoriteit vooraf overleg pleegt met het openbaar ministerie, kan laatstgenoemde bij deze gelegenheid bij een met redenen omklede beslissing oordelen of er geen tegenaanwijzingen bestaan voor de erkenning van de beslissing inzake toezichtmaatregelen en het toezicht op die maatregelen in België. § 2. Met het oog op de beslissing over de erkenning van de beslissing inzake toezichtmaatregelen en het toezicht op die maatregelen gaat het openbaar ministerie vanaf de ontvangst van de beslissing inzake toezichtmaatregelen en het certificaat, na: 1° of een van de in de artikelen 11 tot 13 bepaalde weigeringsgronden moet worden aangevoerd;2° of, in het geval waarin de aan de beslissing inzake toezichtmaatregelen ten grondslag liggende feiten worden vermeld in de lijst van artikel 11, § 2, de gedragingen zoals omschreven in het certificaat wel degelijk overeenkomen met deze feiten. § 3. Vooraleer te beslissen om de beslissing inzake toezichtmaatregelen niet te erkennen en geen toezicht te houden op die maatregelen om de gronden bepaald in de artikelen 12, 1°, 6° en 7° en 13, § 1, 1°, raadpleegt het openbaar ministerie de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat naar behoren en, in voorkomend geval, vraagt het om onverwijld alle aanvullende noodzakelijke informatie toe te zenden.

Art. 17.§ 1. Indien de aard van de toezichtmaatregelen opgenomen in artikel 4, § 2 onverenigbaar is met het Belgische recht, kan de onderzoekrechter die maatregelen aanpassen volgens de soorten toezichtmaatregelen die krachtens het Belgische recht voor vergelijkbare strafbare feiten kunnen worden toegepast. De aangepaste toezichtmaatregelen moeten zoveel als mogelijk overeenkomen met de maatregelen uitgesproken in de beslissingsstaat. § 2. De in de beslissingsstaat uitgesproken toezichtmaatregel mag in geen geval worden verzwaard.

Art. 18.§ 1. Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 19, beslist het openbaar ministerie zodra dit mogelijk is en uiterlijk binnen een termijn van twintig dagen te rekenen vanaf de ontvangst van de beslissing inzake toezichtmaatregelen en het certificaat, over de erkenning van voornoemde beslissing en over het toezicht op die maatregelen, waarna het de bevoegde autoriteit in de beslissingsstaat hiervan in kennis stelt. § 2. De beslissing om de beslissing inzake toezichtmaatregelen al dan niet te erkennen en toezicht te houden op die maatregelen en, eventueel, de beslissing tot aanpassing van die maatregelen worden betekend aan de betrokken persoon wanneer die zijn vaste en wettige verblijfplaats op het Belgische grondgebied heeft.

De persoon kan de beslissing van het openbaar ministerie betwisten en de zaak aanhangig maken bij de raadkamer door middel van een verzoekschrift gericht aan de griffie, binnen een termijn van vierentwintig uur te rekenen vanaf de betekening van de beslissing.

De raadkamer doet enkel uitspraak op grond van artikel 16, § 2, binnen een termijn van vijftien dagen. Tegen de beslissing van de raadkamer kan cassatieberoep worden ingesteld. § 3. Wanneer de beslissing tot erkenning en toezicht definitief is en uiterlijk binnen een termijn van veertig dagen te rekenen vanaf de ontvangst van de beslissing, brengt het openbaar ministerie de beslissingsstaat hiervan op de hoogte. § 4. Het openbaar ministerie stelt, wanneer het beslist om de beslissing inzake toezichtmaatregelen te erkennen, de bevoegde autoriteit in de beslissingsstaat in kennis van enige beslissing tot aanpassing overeenkomstig artikel 17 en neemt het onverwijld alle maatregelen die nodig zijn voor het toezicht op de toezichtmaatregelen volgens de regels van het Belgische recht. De beslissing om de beslissing inzake toezichtmaatregelen te erkennen, maakt die in de beslissingsstaat uitgesproken maatregelen rechtstreeks en onmiddellijk uitvoerbaar in België voor het deel dat nog moet worden ondergaan. § 5. Indien het, in uitzonderlijke omstandigheden, voor het openbaar ministerie onmogelijk is de in paragrafen 1 en 3 bedoelde termijn na te leven, stelt het de bevoegde autoriteit in de beslissingsstaat hiervan onverwijld in kennis, met opgave van de redenen voor de vertraging en van de tijd die het nog voor het nemen van een definitieve beslissing nodig zal hebben.

Art. 19.Indien het in artikel 7 bedoelde certificaat onvolledig is of kennelijk niet overeenstemt met de beslissing inzake toezichtmaatregelen kunnen de beslissing tot erkenning van de beslissing inzake toezichtmaatregelen en het toezicht op die maatregelen worden uitgesteld totdat het certificaat, binnen een redelijke termijn bepaald door het openbaar ministerie, door de bevoegde autoriteit in de beslissingsstaat is aangevuld of gecorrigeerd overeenkomstig artikel 13, § 2.

Art. 20.Het openbaar ministerie beëindigt het toezicht op de toezichtmaatregelen zodra het door de bevoegde autoriteit in de beslissingsstaat in kennis is gesteld van enige beslissing waardoor de beslissing inzake toezichtmaatregelen niet langer uitvoerbaar is. Afdeling 4. - Toezicht op de toezichtmaatregelen en de gevolgen ervan

Art. 21.§ 1. Het toezicht op de toezichtmaatregelen wordt beheerst door het Belgische recht, met uitzondering van elke vervolgbeslissing in verband met de beslissing inzake toezichtmaatregelen. § 2. Indien de bevoegde autoriteit in de beslissingsstaat de toezichtmaatregelen heeft gewijzigd, kan het openbaar ministerie: 1° de aanpassing vorderen van de toezichtmaatregelen gewijzigd in toepassing van artikel 17;of 2° het toezicht weigeren op de gewijzigde toezichtmaatregelen, als zij niet behoren tot de bijzondere toezichtmaatregelen zoals bedoeld in artikel 4, § 1. § 3. Het openbaar ministerie draagt de bevoegdheid tot het toezien op de toezichtmaatregelen opnieuw over aan de bevoegde autoriteit in de beslissingsstaat: 1° indien de betrokkene zijn vaste en wettige verblijfplaats in een andere staat dan België heeft gevestigd;2° zodra de bevoegde autoriteit in de beslissingsstaat het openbaar ministerie op de hoogte heeft gebracht van de intrekking van het certificaat naar aanleiding van de informatie met betrekking tot de maximumtermijn gedurende welke in België kan worden toegezien op de toezichtmaatregelen of met betrekking tot de aanpassing van de aard van de toezichtmaatregelen;3° wanneer de bevoegde autoriteit in de beslissingsstaat de toezichtmaatregelen heeft gewijzigd en het openbaar ministerie weigert toe te zien op de gewijzigde toezichtmaatregelen, omdat deze niet behoren tot de in artikel 4, § 1 bedoelde lijst van toezichtmaatregelen;4° indien het overeenkomstig artikel 24, § 2, heeft beslist niet langer toe te zien op de toezichtmaatregelen en de bevoegde autoriteit in de beslissingsstaat hiervan in kennis heeft gesteld. § 4. In de in paragraaf 3 bedoelde gevallen pleegt het openbaar ministerie overleg met de bevoegde autoriteit in de beslissingsstaat om te voorkomen dat het toezicht op de toezichtmaatregelen wordt onderbroken.

Art. 22.§ 1. Het openbaar ministerie neemt een beslissing over enig verzoek van de beslissingsstaat tot verlenging van het toezicht op de toezichtmaatregelen. § 2. Onverminderd artikel 21, wordt het toezicht op de toezichtmaatregelen in België uitgeoefend voor de duur gevraagd door de beslissingsstaat. § 3. Op elk moment tijdens het houden van toezicht op de toezichtmaatregelen kan het openbaar ministerie de bevoegde autoriteit in de beslissingsstaat verzoeken informatie te verschaffen over de noodzaak van het voortduren van het toezicht.

Art. 23.Indien de bevoegde autoriteit in de beslissingsstaat een Europees aanhoudingsbevel of een andere voor tenuitvoerlegging vatbare gelijkwaardige rechterlijke beslissing heeft uitgevaardigd, wordt de overleveringsprocedure toegepast op grond van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel. Afdeling 5. - Gegevens die moeten worden toegezonden aan de

beslissingsstaat

Art. 24.§ 1. Het openbaar ministerie stelt de bevoegde autoriteit in de beslissingsstaat onverwijld, op een zodanige wijze dat de kennisgeving schriftelijk kan worden vastgelegd, in kennis van: 1° iedere wijziging van de verblijfplaats van de betrokkene;2° het feit dat het in de praktijk onmogelijk is om toezicht te houden op de toezichtmaatregelen omdat de betrokken persoon niet op het Belgische grondgebied kan worden gevonden;3° de beslissing om de beslissing inzake toezichtmaatregelen te erkennen en de verantwoordelijkheid te aanvaarden voor het toezicht op die maatregelen;4° de beslissing betreffende de aanpassing van de toezichtmaatregel, overeenkomstig artikel 17;5° enige beslissing waarbij de beslissing inzake toezichtmaatregelen en de weigeringsgrond waarop ze gebaseerd is door toepassing van de artikelen 11 tot en met 13 niet wordt erkend. § 2. Het openbaar ministerie stelt de bevoegde autoriteit in de beslissingsstaat onverwijld in kennis van elke inbreuk op een toezichtmaatregel, en van elke andere bevinding die kan leiden tot een vervolgbeslissing van de bevoegde autoriteit in de beslissingsstaat.

De kennisgeving geschiedt door middel van een formulier opgesteld in de vorm voorgeschreven in bijlage 2.

Indien de bevoegde autoriteit in de beslissingsstaat niet reageert, kan het openbaar ministerie voornoemde autoriteit verzoeken om binnen de door hem bepaalde redelijke termijn een vervolgbeslissing te nemen.

Indien de bevoegde autoriteit in de beslissingsstaat niet handelt binnen de toegekende termijn, kan het openbaar ministerie beslissen het toezicht op de toezichtmaatregelen te beëindigen. In dat geval valt de bevoegdheid inzake het toezicht op de toezichtmaatregelen terug aan de beslissingsstaat in toepassing van artikel 21, § 3, 4°. HOOFDSTUK 4. - Procedure inzake de erkenning van en het toezicht op een in België uitgesproken beslissing inzake toezichtmaatregelen in een andere lidstaat van de Europese Unie Afdeling 1. - Bevoegde beslissingsautoriteit

Art. 25.Het openbaar ministerie bij de rechtbank van het arrondissement waarin de plaats is gelegen waar de wettige en vaste verblijfplaats of, bij gebreke daarvan, van de plaats waar de beslissing inzake toezichtmaatregelen werd uitgesproken, is de bevoegde autoriteit voor het toezenden van een beslissing inzake toezichtmaatregelen met het oog op de erkenning en het toezicht in een andere lidstaat. Afdeling 2. - Procedure voor de toezending

Art. 26.§ 1. Overeenkomstig artikel 6 raadpleegt het openbaar ministerie de bevoegde autoriteit in de tenuitvoerleggingsstaat vóór de toezending van een beslissing inzake toezichtmaatregelen met het oog op de erkenning en het toezicht. Het openbaar ministerie houdt terdege rekening met alle door de bevoegde autoriteit in de tenuitvoerleggingsstaat meegedeelde informatie over het risico dat de betrokkene kan opleveren voor slachtoffers en voor de gemeenschap in het algemeen. § 2. Wanneer het voorafgaand akkoord van de tenuitvoerleggingsstaat vereist is krachtens artikel 5, § 3, verzoekt het openbaar ministerie de tenuitvoerleggingsstaat om dit voorafgaand akkoord te geven voor de toezending van de beslissing inzake toezichtmaatregelen. § 3. Indien de tenuitvoerleggingsstaat zijn voorafgaand akkoord geeft, zendt het openbaar ministerie de beslissing inzake toezichtmaatregelen, tezamen met het certificaat toe aan de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat met het oog op de erkenning en het toezicht.

Art. 27.§ 1. In voorkomend geval zendt het openbaar ministerie de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat de beslissing inzake toezichtmaatregelen tezamen met het certificaat dat moet worden vertaald in de officiële taal of een van de officiële talen van deze staat of in een of meer andere officiële talen van de instellingen van de Europese Unie die deze staat aanvaardt op grond van een verklaring neergelegd bij het Secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie indien aan de volgende voorwaarden is voldaan: 1° de bevoegde autoriteit in de tenuitvoerleggingsstaat heeft ingestemd met de toezending van de beslissing inzake toezichtmaatregelen en van het certificaat, overeenkomstig artikel 5, § 3;en 2° het openbaar ministerie heeft de zekerheid verworven dat de tenuitvoerlegging van de beslissing inzake toezichtmaatregelen in de tenuitvoerleggingsstaat bijdraagt tot het bereiken van de doelstellingen bedoeld in artikel 2, § 2. § 2. Bij de toezending van een beslissing inzake toezichtmaatregelen geeft het openbaar ministerie het volgende aan: 1° de hernieuwbaar maximumtermijn van drie maanden gedurende welke de beslissing inzake toezichtmaatregelen van toepassing is overeenkomstig artikel 35 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis;2° bij wijze van indicatie, hoe lang op de toezichtmaatregelen naar verwachting moet worden toegezien, rekening houdend met alle omstandigheden die bekend zijn wanneer de beslissing inzake toezichtmaatregelen wordt toegezonden. § 3. De beslissing inzake toezichtmaatregelen samen met het certificaat kan slechts aan een enkele tenuitvoerleggingsstaat tegelijk worden toegezonden. § 4. Indien de bevoegde autoriteit in de tenuitvoerleggingsstaat niet is gekend, kunnen de nodige opsporingen worden verricht door elk middel, daaronder begrepen door toedoen van de aanspreekpunten van het Europees justitieel netwerk opgericht bij Gemeenschappelijk Optreden 98/428/JBZ van de Raad van 29 juni 1998 tot oprochting van een Europees justitieel netwerk, teneinde deze informatie te verkrijgen. Afdeling 3. - Toezending van de beslissing inzake toezichtmaatregelen

en de gevolgen ervan

Art. 28.§ 1. Zolang de tenuitvoerleggingsstaat de beslissing inzake toezichtmaatregelen niet heeft erkend en het openbaar ministerie niet in kennis heeft gesteld van de erkenning, blijft het openbaar ministerie bevoegd voor het toezien op de toezichtmaatregelen. § 2. Indien het openbaar ministerie in kennis wordt gesteld van de erkenning van de beslissing inzake toezichtmaatregelen, blijft hij bevoegd om de vervolgbeslissingen in verband met de beslissing inzake toezichtmaatregelen te vorderen met toepassing van artikel 36 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis.

Art. 29.Indien de toezichtmaatregel wordt verlengd met toepassing van artikel 36 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis en vóór het verstrijken van de maximumtermijn van drie maanden gedurende welke de beslissing inzake toezichtmaatregelen van toepassing is, kan het openbaar ministerie de bevoegde autoriteit in de tenuitvoerleggingsstaat verzoeken het toezicht op de toezichtmaatregelen te verlengen in het licht van de gegeven omstandigheden en de te voorziene gevolgen voor de betrokkene.

Art. 30.§ 1. Het openbaar ministerie zendt een vervolgbeslissing in verband met de beslissing inzake toezichtmaatregelen indien het door de bevoegde autoriteit in de tenuitvoerleggingsstaat in kennis wordt gesteld van een inbreuk op een toezichtmaatregel en hoe dan ook indien de bevoegde autoriteit in de tenuitvoerleggingsstaat het openbaar ministerie verzoekt om binnen een redelijke termijn een dergelijke beslissing te wijzen. § 2. Op verzoek van de bevoegde autoriteit in de tenuitvoerleggingsstaat en indien het recht van de tenuitvoerleggingsstaat een periodieke bevestiging van de noodzaak van het voortduren van het toezicht op de toezichtmaatregelen vereist, antwoordt het openbaar ministerie op dat verzoek binnen de redelijke termijn die door de bevoegde autoriteit in de tenuitvoerleggingsstaat werd toegekend.

Art. 31.§ 1. Het openbaar ministerie kan beslissen het certificaat in te trekken totdat het toezicht op het grondgebied van de tenuitvoerleggingsstaat een aanvang heeft genomen: 1° na door de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat in kennis te zijn gesteld van de maximumtermijn gedurende welke op zijn grondgebied kan worden toegezien op de toezichtmaatregelen, mits het recht van de tenuitvoerleggingsstaat in dergelijke termijn voorziet;2° na door de bevoegde autoriteit in de tenuitvoerleggingsstaat in kennis te zijn gesteld van haar beslissing om de toezichtmaatregelen aan te passen;of 3° na door de bevoegde autoriteit in de tenuitvoerleggingsstaat ervan in kennis te zijn gesteld dat hij bereid is om de beslissing inzake toezichtmaatregelen te erkennen en op die maatregelen toezicht te houden ondanks het bestaan van een weigeringsgrond bepaald in het kaderbesluit 2002/584/JBZ van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten. Indien het openbaar ministerie het certificaat in dat laatste geval niet intrekt, kan de bevoegde autoriteit in de tenuitvoerleggingsstaat de beslissing erkennen en toezicht houden op de daarin vervatte toezichtmaatregelen, met dien verstande dat de betrokkene mogelijk niet zal worden overgeleverd op grond van een Europees aanhoudingsbevel. § 2. Het openbaar ministerie moet de bevoegde autoriteit in de tenuitvoerleggingsstaat zo spoedig mogelijk en ten laatste binnen tien dagen na ontvangst van de informatie bedoeld in paragraaf 1 en op zodanige wijze dat de kennisgeving schriftelijk kan worden vastgelegd, in kennis stellen van zijn beslissing om het certificaat in te trekken.

Art. 32.§ 1. Het openbaar ministerie wordt opnieuw bevoegd voor het toezicht op de toezichtmaatregelen te waarborgen: 1° indien de betrokkene zijn vaste en wettige verblijfplaats in een andere staat dan de tenuitvoerleggingsstaat heeft gevestigd;2° wanneer de toezichtmaatregelen werden gewijzigd en de tenuitvoerleggingsstaat geweigerd heeft toe te zien op de gewijzigde toezichtmaatregelen, omdat deze niet behoren tot de in artikel 4 bedoelde bijzondere toezichtmaatregelen;3° indien de maximumtermijn gedurende welke in de tenuitvoerleggingsstaat kan worden toegezien op de toezichtmaatregelen is verstreken;4° indien het door de bevoegde autoriteit in de tenuitvoerleggingsstaat in kennis is gesteld van de wens om niet langer toe te zien op de toezichtmaatregelen door het gebrek aan reacties van het openbaar ministerie zoals vereist in artikel 30;5° indien het besloten heeft om het certificaat in te trekken en de bevoegde autoriteit in de tenuitvoerleggingsstaat daarvan in kennis heeft gesteld overeenkomstig artikel 31. § 2. In de in paragraaf 1 bedoelde gevallen pleegt het openbaar ministerie overleg met de bevoegde autoriteit in de tenuitvoerleggingsstaat om te voorkomen dat het toezicht op de toezichtmaatregelen wordt onderbroken. Afdeling 4. - Gegevens die moeten worden toegezonden aan de

tenuitvoerleggingsstaat

Art. 33.Het openbaar ministerie stelt de bevoegde autoriteit in de tenuitvoerleggingsstaat onverwijld, ambtshalve of op verzoek van laatstgenoemde en op een zodanige wijze dat de kennisgeving schriftelijk kan worden vastgelegd, in kennis van: 1° elke vervolgbeslissing in verband met een beslissing inzake toezichtmaatregelen en van het feit dat een rechtsmiddel is ingesteld tegen een beslissing inzake toezichtmaatregelen;2° de noodzaak van het voortduren van het toezicht op de toezichtmaatregelen rekening houdend met de gegeven omstandigheden en, in voorkomend geval, enige vervolgbeslissing genomen overeenkomstig artikel 28, § 2;3° de aanvullende termijn gedurende welke naar zijn oordeel het toezicht in voorkomend geval moet voortduren. HOOFDSTUK 5. - Overgangsbepaling

Art. 34.§ 1. Deze wet is in de relaties met de lidstaten van de Europese Unie die het kaderbesluit 2009/829/JBZ van de Raad van 23 oktober 2009 inzake de toepassing, tussen de lidstaten van de Europese Unie, van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen inzake toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige hechtenis hebben omgezet met ingang van 29 mei 2017 van toepassing op de toezending van beslissingen betreffende: 1° enige persoon ten aanzien van wie een beslissing inzake toezichtmaatregelen is genomen in België aan een lidstaat van de Europese Unie en;2° enige persoon ten aanzien van wie een beslissing inzake toezichtmaatregelen is genomen in een lidstaat van de Europese Unie aan België. Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Gegeven te Brussel, 23 maart 2017.

FILIP Van Koningswege : De minister van Justitie, K. GEENS Met 's Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie, K. GEENS _______ Nota Kamer van volksvertegenwoordigers (www.dekamer.be) Stukken : 54 - 2264.

Integraal Verslag : 14 maart 2017.

Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld


begin


Publicatie : 2017-05-

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^