Wet van 25 februari 2013
gepubliceerd op 19 maart 2013
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Wet tot wijziging van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen

bron
federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie
numac
2013011132
pub.
19/03/2013
prom.
25/02/2013
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

25 FEBRUARI 2013. - Wet tot wijziging van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen (I)


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepaling

Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen

Art. 2.Artikel 1/1 van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 19 november 2009, wordt vervangen als volgt : «

Art. 1/1.Voor de toepassing van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan wordt verstaan onder : 1° toegetreden staat : de lidstaten van de Europese Economische Ruimte (EER) en de landen buiten de EER vanaf het ogenblik dat de Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties, op deze landen van toepassing is;2° werkdagen : het geheel van alle kalenderdagen met uitsluiting van de zondagen en wettelijke feestdagen.Als een termijn, uitgedrukt in werkdagen op een zaterdag afloopt, wordt hij verlengd tot de eerstvolgende werkdag. ».

Art. 3.Artikel 44 van dezelfde wet, vervangen bij het koninklijk besluit van 19 november 2009, wordt aangevuld met een lid, luidende : « Het Beroepsinstituut houdt het tableau bij van de erkende boekhouders en erkende boekhouders-fiscalisten alsook de lijst van de stagiair boekhouders en de stagiair boekhouders-fiscalisten. Dit tableau en deze lijst van stagiairs bestaan enerzijds uit diegenen die hun beroep op zelfstandige basis voor rekening van derden uitoefenen, zijnde de externe leden en externe stagiairs, en anderzijds uit diegenen die het beroep uitsluitend uitoefenen in ondergeschikt dienstverband via een arbeidsovereenkomst of een door de overheid bezoldigde betrekking, zijnde de interne leden en interne stagiairs.

Naar deze categorieën wordt, indien zij specifiek geviseerd worden, hierna expliciet verwezen als zijnde respectievelijk de « externe beroepsbeoefenaars of externe stagiairs » of de « interne beroepsbeoefenaars of interne stagiairs. ».

Art. 4.Het opschrift van Hoofdstuk II van Titel VI van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : « Hoofdstuk II. - Organisatie, werking en organen van het Beroepsinstituut van erkende boekhouders en fiscalisten ».

Art. 5.In artikel 45 van dezelfde wet wordt het eerste deel van de eerste zin beginnende met de woorden « De organisatie en de werking » en eindigend met de woorden « dienstverlenende intellectuele beroepen en » vervangen als volgt : « De organisatie en de werking van het Beroepsinstituut worden, zolang de Koning geen specifieke voorwaarden heeft gesteld voor het Beroepsinstituut, geregeld. ».

Art. 6.In dezelfde wet wordt een artikel 45/1 ingevoegd, luidende : «

Art. 45/1.§ 1. Zijn lid van het Beroepsinstituut, alle natuurlijke personen en rechtspersonen die op het tableau van de beroepsbeoefenaars of op de lijst van de stagiairs zijn ingeschreven. § 2. Het Beroepsinstituut omvat een Nationale Raad samengesteld uit een gelijk aantal Nederlandstalige en Franstalige leden, alsook twee uitvoerende kamers en twee kamers van beroep, die respectievelijk het Frans en het Nederlands als voertaal hebben.

Onverminderd § 11 zijn hun werkende en plaatsvervangende leden verkozen voor vier jaar, door de natuurlijke personen die op het tableau zijn ingeschreven.

De Nationale Raad bestaat per taalgroep uit minstens twee derde externe beroepsbeoefenaars.

De Koning bepaalt het aantal leden, de voorwaarden tot verkiesbaarheid en de regels inzake verkiezing.

Hij stelt de werkingsregels van de Raad en van de kamers vast. § 3. De werkingskosten van het Beroepsinstituut worden gedekt door : 1° de schenkingen te zijnen bate;2° de bijdragen van de leden, de stagiairs en de personen gevestigd in het buitenland die toestemming van de Kamer hebben bekomen om het beroep occasioneel uit te oefenen;3° de kosten vastgesteld door de Raad voor de behandeling van de administratieve dossiers;4° de boetes bij betalingsachterstal van de bijdragen vastgesteld door de Raad;5° de inkomsten uit roerende en onroerende goederen dewelke het Beroepsinstituut toebehoren. De bijdragen, de dossierkosten en de boetes bij betalingsachterstal van de bijdragen worden onderworpen aan de goedkeuring van de minister tot wiens bevoegdheid de Middenstand behoort.

Bij niet-betaling van de bijdrage door een lid binnen de door de Raad vastgestelde termijn, kan de uitvoerende kamer het betrokken lid of de betrokken stagiair schrappen overeenkomstig artikel 45/2. De bijdrage is niet verschuldigd indien de belanghebbende voor het verstrijken van de vastgestelde termijn om zijn schrapping van de lijst van de stagiairs of het tableau van de beroepsbeoefenaars heeft verzocht.

De Koning bepaalt op welke wijze toezicht wordt gehouden op de jaarrekeningen, begrotingen en boekhouding van het Beroepsinstituut. § 4. De Nationale Raad kan de voorschriften van de plichtenleer nader uitwerken, aanpassen of vervolledigen en stelt het stagereglement op.

De voorschriften inzake de plichtenleer en het stagereglement hebben slechts bindende kracht nadat zij door de Koning zijn goedgekeurd, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.

De Nationale Raad heeft bovendien als opdracht : 1° erop toe te zien dat de voorwaarden inzake toegang tot het beroep worden nageleefd en, met dat doel in rechte op te treden, met name door elke inbreuk op de wetten en verordeningen tot bescherming van de beroepstitels en tot organisatie van het beroep bij de gerechtelijke overheden aan te klagen en door aan deze overheden iedere maatregel te vragen om dergelijke inbreuk te stoppen en desgevallend schadevergoeding te eisen;2° de voorwaarden vast te stellen waaraan de leden moeten voldoen om de titel van erkend boekhouder of erkend boekhouder-fiscalist eershalve te mogen voeren;3° de minimale criteria te bepalen waaraan een beroepsbeoefenaar moet beantwoorden om op te treden als stagemeester in het kader van de stage;4° maatregelen te nemen inzake beroepsvervolmaking en bijscholing van de leden. § 5. De Nationale Raad kan alle maatregelen nemen om zijn opdracht, vervat in § 4, te verwezenlijken.

De Nationale Raad stelt het reglement van inwendige orde op en legt het ter goedkeuring voor aan de minister die de Middenstand onder zijn bevoegdheid heeft.

Zowel in rechte als om te bedingen en om verbintenissen aan te gaan, handelt het Beroepsinstituut door toedoen van de Nationale Raad.

Deze kan zich laten vertegenwoordigen door zijn voorzitter of zijn ondervoorzitter. § 6. Het toezicht op de handelingen van de Nationale Raad wordt uitgeoefend door een regeringscommissaris, bijgestaan door een plaatsvervanger.

Beiden worden benoemd door de Koning op voordracht van de minister die de Middenstand onder zijn bevoegdheid heeft, uit de ambtenaren van zijn departement.

De regeringscommissaris beschikt over een termijn van vijftien werkdagen om bij de minister beroep in te stellen tegen de uitvoering van elke beslissing van de Nationale Raad, die strijdig is met de wetten en verordeningen of die niet tot de opdracht behoort van de Nationale Raad zoals bepaald in § 4, die de solvabiliteit van het Beroepsinstituut in gevaar kan brengen of die strijdig is met de goedgekeurde begroting van het Beroepsinstituut.

Deze termijn gaat in op de dag waarop de regeringscommissaris in kennis gesteld wordt van het proces-verbaal van de beslissing. Het beroep heeft schorsende kracht.

Indien de minister de nietigverklaring niet heeft uitgesproken binnen een termijn van vijftien werkdagen, te rekenen van de ontvangst van het beroep, wordt de beslissing definitief. § 7. De kamers hebben tot taak : 1) het tableau van de beroepsbeoefenaars, de lijst van de stagiairs en het tableau van de personen die de titel van het beroep eershalve mogen voeren, op te maken en bij te houden;2) de occasionele uitoefening van het beroep door in het buitenland gevestigde personen toe te laten overeenkomstig de bepalingen van het Werkingsverdrag van de Europese Unie en van de ter uitvoering van dit verdrag genomen richtlijnen of op grond van een wederkerigheidsverdrag en zulks voor zover de betrokkene voldoet aan de voorwaarden tot uitoefening van het beroep die van kracht zijn in het land waar hij zijn hoofdverblijf heeft;zij die de toelating hebben bekomen moeten zich schikken naar de deontologische regels van het beroep; 3) te waken over de toepassing van het stagereglement en de voorschriften van de plichtenleer en uitspraak in tuchtzaken te doen ten opzichte van de beroepsbeoefenaars, de stagiairs en de personen die gemachtigd zijn het beroep occasioneel uit te oefenen;4) op gezamenlijk verzoek van de betrokkenen, in laatste aanleg arbitraal uitspraak te doen omtrent betwistingen inzake honoraria die door een externe beroepsbeoefenaar of stagiair aan zijn cliënt worden gevraagd, en op verzoek van de hoven en rechtbanken of in geval van geschil tussen op het tableau of op de lijst van de stagiairs ingeschreven externe beroepsbeoefenaars, advies uit te brengen over de berekening van de honoraria;5) het opstellen en bijhouden van een lijst met stagemeesters wiens taak het is om de stagiairs met raad en daad bij te staan en een evaluatieverslag op te stellen. § 8. De bevoegdheid van de uitvoerende kamers wordt bepaald door de plaats waar de aanvrager zijn beroep voor het eerst zal uitoefenen of nadien door de plaats waar hij zijn hoofdvestiging heeft. Indien deze plaats gelegen is in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, zal deze bevoegdheid afhangen van de taal die werd gekozen in de aanvraag tot inschrijving of deze gekozen door de verweerder.

De persoon die niet over een voldoende kennis beschikt van de taal van de procedure van de kamer waarvoor hij moet verschijnen, kan zich tijdens de zitting laten bijstaan door een tolk naar zijn keuze. § 9. De betwistingen tussen personen die zijn ingeschreven op het tableau door verschillende uitvoerende kamers, behoren tot de bevoegdheid van de verenigde kamers. Deze kamers oefenen eveneens de in § 7 bepaalde taken uit wanneer deze betrekking hebben op het Duitse taalgebied. De werkingsregels van de verenigde uitvoerende kamers voorzien in een vertegenwoordiging van dit taalgebied. § 10. De uitvoerende kamers worden bijgestaan door een rechtskundig assessor of een plaatsvervangend rechtskundig assessor, die door de Minister van Middenstand voor zes jaar worden benoemd onder de advocaten die zijn ingeschreven op een tableau van de Orde. § 11. De uitvoerende kamers en de kamers van beroep worden voorgezeten door een werkend of een eremagistraat of door een advocaat die sedert ten minste tien jaar is ingeschreven op een tableau van de Orde van Advocaten, door de Koning benoemd voor een termijn van zes jaar, of door diens plaatsvervanger die aan dezelfde voorwaarden moet voldoen. § 12. De kamers van beroep doen uitspraak over de beroepen ingesteld tegen de door de uitvoerende kamers in hun voertaal genomen beslissingen. De beroepen tegen de beslissingen die zijn genomen door de verenigde uitvoerende kamers in toepassing van § 9 behoren tot de bevoegdheid van de verenigde kamers van beroep. De beroepen worden ingesteld door de personen op wie de beslissingen betrekking hebben, of door de rechtskundige assessoren. § 13. De leden van de kamers zijn verplicht tot geheimhouding van de beraadslagingen. ».

Art. 7.In dezelfde wet wordt een artikel 45/2 ingevoegd, luidende : «

Art. 45/2.De leden en stagiairs, natuurlijke personen of rechtspersonen van wie bewezen is dat zij aan hun plichten zijn tekortgekomen, zijn strafbaar met de volgende tuchtstraffen : 1° de waarschuwing;2° de berisping;3° de schorsing;4° de schrapping. Wanneer een tuchtstraf aan een rechtspersoon wordt opgelegd, kan een tuchtstraf eveneens worden opgelegd aan de natuurlijke perso(o)n(en), zaakvoerders, bestuurders, directiecomitéleden en, op meer algemene wijze, de zelfstandige mandatarissen, leden of stagiairs van het beroepsinstituut, die optreden in naam van en voor rekening van de rechtspersoon, waarvan de fout aan de oorsprong ligt van de fout die aan de rechtspersoon wordt verweten.

De Koning bepaalt de wijze waarop deze tuchtstraffen kunnen worden uitgesproken. Tevens stelt hij de regels vast volgens welke eventueel eerherstel wordt verleend.

De schorsing bestaat voor zowel de interne beroepsbeoefenaar of interne stagiair als voor de externe beroepsbeoefenaar of externe stagiair in het verbod om gedurende een bepaalde termijn, die niet langer dan twee jaar mag duren, de beroepstitel in België te voeren.

Zij brengt de ontzegging met zich van het recht om deel te nemen aan de in artikel 45/1, § 2, bedoelde verkiezingen. Voor de externe beroepsbeoefenaar of externe stagiair brengt zij bovendien het verbod mee om gedurende dezelfde periode van schorsing het gereglementeerd beroep als zelfstandige in België uit te oefenen.

De schrapping brengt zowel voor de interne beroepsbeoefenaar of interne stagiair als voor de externe beroepsbeoefenaar of externe stagiair het verbod met zich om de beroepstitel te voeren en voor de externe beroepsbeoefenaars en externe stagiairs bovendien het verbod om het gereglementeerde beroep in België als zelfstandige uit te oefenen. ».

Art. 8.In artikel 46 van dezelfde wet, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 25 februari 2003 en 19 november 2009, worden het eerste en tweede lid vervangen als volgt : « Niemand mag de beroepstitel voeren van « erkende boekhouder », « erkende boekhouder-fiscalist, « stagiair boekhouder » of « stagiair boekhouder-fiscalist » of een andere titel die tot verwarring zou kunnen leiden met één van voormelde beroepstitels, als hij niet ingeschreven is op het tableau van de leden, of op de lijst van stagiairs gehouden door het Beroepsinstituut.

Niemand mag als zelfstandige voor rekening van derden in hoofd- of bijberoep het beroep van boekhouder uitoefenen als hij niet ingeschreven is op het tableau van titularissen van het beroep, of op de lijst van stagiairs gehouden door het Beroepsinstituut. ».

Art. 9.In artikel 47 van dezelfde wet wordt de volgende zin opgeheven : « Zolang de Koning deze voorwaarden niet heeft bepaald, blijft artikel 3 van de kaderwet van 1 maart 1976 tot reglementering van de bescherming van de beroepstitel en van de uitoefening van dienstverlenende intellectuele beroepen van toepassing. ».

Art. 10.In artikel 49 van dezelfde wet worden de woorden « als zelfstandige en voor rekening van derden » opgeheven.

Art. 11.In artikel 51 van dezelfde wet wordt tussen het eerste en tweede lid een lid ingevoegd, luidende : « De bepalingen van het voorgaande lid zijn tevens van toepassing op de interne stagiairs, dewelke hun stage uitsluitend in dienstverband vervullen. ».

Art. 12.In dezelfde wet wordt een artikel 52ter ingevoegd, luidende : «

Art. 52ter.§ 1. De beroepsbeoefenaars die uitsluitend in ondergeschikt dienstverband werkzaamheden, zoals bedoeld in artikel 49, uitoefenen via een arbeidsovereenkomst of in het kader van een door de overheid bezoldigde betrekking, en die, op datum van inwerkingtreding van deze bepaling, hetzij : 1° over een diploma beschikken zoals bedoeld in artikel 50, § 2 of § 3, alsook een bewezen beroepservaring als loon- of weddetrekkende hebben betreffende de activiteiten zoals bepaald in artikel 49 van minstens 5 jaar gedurende de laatste 8 jaar voorafgaand aan hun aanvraag tot erkenning, 2° hetzij een bewezen beroepservaring als loon- of weddetrekkende hebben betreffende de activiteiten zoals bepaald in artikel 49 van minstens 8 jaar gedurende de laatste 10 jaar voorafgaand aan hun aanvraag tot erkenning, worden vrijgesteld van het volgen van de stage.Zij kunnen bij wijze van overgangsmaatregel op verzoek ingeschreven worden op het tableau van de interne beroepsbeoefenaars als titularis van de beroepstitel van erkend boekhouder of erkend boekhouder-fiscalist door de uitvoerende kamers van het Beroepsinstituut na het met succes afleggen van een praktisch bekwaamheidsexamen. Diegenen die in het verleden bij wijze van tuchtstraf werden geschrapt van het tableau van het beroepsinstituut kunnen geen gebruik maken van deze overgangsmaatregel. § 2. Zij beschikken over een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze bepaling om zich in te schrijven op dit praktisch bekwaamheidsexamen via een ter post aangetekend schrijven. Het Beroepsinstituut van erkende boekhouders en fiscalisten organiseert binnen de twaalf maanden na afloop van deze inschrijvingsperiode minstens twee praktische bekwaamheidsexamens in uitvoering van dit artikel. Elke kandidaat mag tijdens deze overgangsperiode slechts één maal deelnemen aan dit praktisch bekwaamheidsexamen.

De procedure voor inschrijving op het tableau van de beroepsbeoefenaars, voor diegenen die slagen op het praktisch bekwaamheidsexamen, verloopt overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 27 november 1985 tot bepaling van de regels inzake de organisatie en de werking van de beroepsinstituten die voor de dienstverlenende intellectuele beroepen zijn opgericht, zolang de Koning geen uitvoeringsbesluit heeft genomen dat deze inschrijvingsprocedure regelt voor het Beroepsinstituut van erkende boekhouders en fiscalisten. De bevoegdheid van de uitvoerende kamers wordt bepaald door de taal die wordt gebruikt in de aanvraag tot inschrijving. Diegenen die niet slagen, kunnen slechts ingeschreven worden op het tableau van de beroepsbeoefenaars overeenkomstig artikel 51. § 3. Bij de aanvraag tot inschrijving voor het praktisch bekwaamheidsexamen dient een afschrift van het diploma te worden gevoegd of een kopie van hun arbeidsovereenkomst alsook een verklaring van hun werkgever(s) waaruit blijkt dat zij de activiteiten uitoefenen zoals bepaald in artikel 49 en gedurende de periodes zoals voorzien in § 1. Het bewijs van de nodige jaren beroepservaring binnen de bedoelde referteperiode kan eveneens met andere bewijsmiddelen, uitgezonderd de eed, worden geleverd. § 4. Een aanvraag tot inschrijving wordt slechts door het Beroepsinstituut onderzocht na de betaling van een dossierkost van 150 euro. ».

Art. 13.In artikel 58 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 23 december 2005 en bij het koninklijk besluit van 19 november 2009, worden het derde en het vierde lid vervangen als volgt : « Onverminderd de bevoegdheid van de officieren van gerechtelijke politie worden de ambtenaren die hiertoe door de Koning zijn aangesteld op voorstel van de Minister die de Middenstand onder zijn bevoegdheid heeft, belast met het opsporen en vaststellen in processen-verbaal van de inbreuken op de artikelen 46 tot 48. Deze processen-verbaal hebben bewijskracht tot tegenbewijs. Zij worden onverwijld toegezonden aan de bevoegde ambtenaren van het Openbaar Ministerie; een afschrift ervan wordt gezonden aan de inbreukmaker alsook aan de hierboven vermelde minister binnen zeven werkdagen te rekenen vanaf de vaststelling der inbreuken, dit alles op straffe van nietigheid. De personen die onder de toepassing van deze wet vallen zijn ertoe gehouden alle inlichtingen en alle bescheiden te verstrekken die nodig zijn om de toepassing ervan na te gaan. Elke persoon die weigert de bedoelde inlichtingen en bescheiden te verstrekken of zich tegen de onderzoeksmaatregelen verzet, wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht tot vijftien dagen en met geldboete van 26 tot 1.000 euro of met één van die straffen alleen.

Artikel 458 van het Strafwetboek is van toepassing op externe accountants, externe belastingconsulenten, externe erkende boekhouders, externe erkende boekhouders-fiscalisten, externe stagiairs en de personen voor wie zij instaan, alsook op de personen zoals bedoeld in de artikelen 37bis en 52bis. ». HOOFDSTUK 3. - Wijziging van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme

Art. 14.Artikel 3, 4°, van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, hernummerd en gewijzigd bij de wet van 18 januari 2010, wordt vervangen als volgt : « 4° de natuurlijke personen of rechtspersonen ingeschreven op de lijst van de externe accountants en op de lijst van de externe belastingconsulenten als bedoeld in artikel 5, § 1, van de wet van 22 april 1999 betreffende boekhoudkundige en fiscale beroepen, alsook de natuurlijke personen of rechtspersonen ingeschreven op het tableau van de externe erkende boekhouders en op het tableau van de externe erkende boekhouders-fiscalisten als bedoeld in artikel 46 van dezelfde wet. ». HOOFDSTUK 4. - Overgangsbepaling

Art. 15.De koninklijke besluiten genomen in uitvoering van de artikelen 7, §§ 2 tot 4, 8, 9, 10 en 15 van de kaderwet van 3 augustus 2007 betreffende de dienstverlenende intellectuele beroepen en die betrekking hebben op de in deze wet bedoelde boekhoudkundige en fiscale beroepen blijven van toepassing tot ze worden vervangen en mits ze niet strijdig zijn met deze wet. HOOFDSTUK 5. - Inwerkingtreding

Art. 16.Deze wet treedt in werking op de eerste dag van de vierde maand na die waarin ze is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Gegeven te Brussel, 25 februari 2013.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Middenstand, K.M.O.'s en Zelfstandigen, Mevr. S. LARUELLE Met 's Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie, Mevr. A. TURTELBOOM _______ Nota (1) Zitting 2012-2013. Kamer van volksvertegenwoordigers Stukken. - 2477.

N° 1 : Wetsontwerp.

N° 2 : Amendement.

N° 3 : Verslag.

N° 4 : Aangenomen tekst.

N° 5 : Aangenomen tekst.

Senaat Stuk. - S-5-1926.

N° 1 : Niet-geëvoceerd ontwerp - Senaat.

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^