Wet van 26 april 2005
gepubliceerd op 28 november 2007
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Wet houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie, enerzijds, en de Groot Libisch-Arabische Socialistische Volks-Jamahiriyah, anderzijds, inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, onderte

bron
federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
numac
2005015066
pub.
28/11/2007
prom.
26/04/2005
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

26 APRIL 2005. - Wet houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie, enerzijds, en de Groot Libisch-Arabische Socialistische Volks-Jamahiriyah, anderzijds, inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, ondertekend te Sirte op 15 februari 2004 (1) (2) (3)


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :

Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

Art. 2.De Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie, enerzijds, en de Groot Libisch-Arabische SocialistischeVolks-Jamahiriyah, anderzijds, inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, ondertekend te Sirte op 15 februari 2004, zal volkomen gevolg hebben.

Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Gegeven te Brussel, 26 april 2005.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Buitenlandse Zaken, K. DE GUCHT De Minister van Buitenlandse Handel, M. VERWILGHEN Met 's Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie, Mevr. L. ONKELINX _______ Nota (1) Zitting 2004-2005. Senaat.

Documenten. - Ontwerp van wet ingediend op 8 december 2004, nr. 3-951/1. - Verslag, nr. 3-951/2.

Parlementaire Handelingen. - Bespreking en stemming. Vergadering van 17 februari 2005.

Kamer van volksvertegenwoordigers.

Documenten. - Ontwerp overgezonden door de Senaat, nr. 51-1616/1. - Tekst aangenomen in plenaire vergadering en aan de Koning ter bekrachtiging voorgelegd, nr. 51-1616/2.

Parlementaire Handelingen. - Bespreking en stemming. Vergadering van 17 maart 2005. (2) Zie Decreet van het Vlaamse Gewest van 7 juli 2006 (Belgisch Staatsblad van 20 oktober 2006), Decreet van het Waalse Gewest van 17 november 2005 (Belgisch Staatsblad van 8 december 2005 (Ed.)), Ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest van 10 maart 2005 (Belgisch Staatsblad van 31 maart 2005) (3) Deze Overeenkomst zal in werking treden op 8 december 2007, overeenkomstig haar artikel 15. Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie, enerzijds, en de Groot Libisch-Arabische Socialistische Volks-Jamahiriyah, anderzijds, inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen De Regering van het Koninkrijk België, handelend zowel in eigen naam als in naam van de Regering van het Groothertogdom Luxemburg, krachtens bestaande overeenkomsten, de Vlaamse Regering, de Waalse Regering, en de Regering van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, enerzijds, en De Groot Libisch-Arabische Socialistische Volks-Jamahiriyah, anderzijds, (hierna te noemen « de Overeenkomstsluitende Partijen »), verlangende hun economische samenwerking te versterken door voor investeringen door investeerders van de ene Overeenkomstsluitende Partij gunstige investeringsvoorwaarden te scheppen op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij, erkennende dat de bevordering van investeringen en de bescherming ervan krachtens deze Overeenkomst de economische samenwerking tussen de Overeenkomstsluitende Partijen zal stimuleren, zijn het volgende overeengekomen : Artikel 1 Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze Overeenkomst betekent de term : 1. « Investeerders » : a) de « onderdanen », met name elk natuurlijk persoon die volgens de wetgeving van het Koninkrijk België of het Groothertogdom Luxemburg dan wel van de Groot Libisch-Arabische Socialistische Volks-Jamahiriyah wordt beschouwd als een onderdaan van onderscheidenlijk het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg of van de Groot Libisch-Arabische Socialistische Volks-Jamahiriyah;b) de « ondernemingen », met name elke rechtspersoon die is opgericht in overeenstemming met de wetgeving van het Koninkrijk België of het Groothertogdom Luxemburg dan wel van de Groot Libisch-Arabische Socialistische Volks-Jamahiriyah en waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is op onderscheidenlijk het grondgebied van het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg of het grondgebied van de Groot Libisch-Arabische Socialistische Volks-Jamahiriyah.2. « Investeringen »: alle soorten vermogensbestanddelen en elke rechtstreekse of onrechtstreekse inbreng in speciën, natura of diensten, die worden geïnvesteerd of geherinvesteerd in welke economische sector ook. Als investeringen in de zin van deze Overeenkomst gelden in het bijzonder, doch niet uitsluitend : a) roerende en onroerende goederen, alsmede andere zakelijke rechten zoals hypotheken, retentierechten, pandrechten, rechten van vruchtgebruik en soortgelijke rechten;b) aandelen, maatschappelijke aandelen en alle andere vormen van deelneming, met inbegrip van minderheidsdeelnemingen dan wel onrechtstreekse deelnemingen, in bedrijven die zijn opgericht op het grondgebied van een der Overeenkomstsluitende Partijen;c) obligaties, tegoeden en gelijk welke prestatie die een economische waarde heeft met betrekking tot de investering;d) auteursrechten, rechten van industriële eigendom, technische werkwijzen, handelsnamen en goodwill;e) publiekrechtelijke of contractuele concessies, waaronder die tot het opsporen, ontwikkelen, winnen of exploiteren van natuurlijke rijkdommen. Veranderingen in de rechtsvorm waarin vermogensbestanddelen en kapitaal werden geïnvesteerd of geherinvesteerd doen geen afbreuk aan de omschrijving ervan als « investering » als bedoeld in deze Overeenkomst. 3. « Opbrengst »: de bedragen die een investering oplevert, en met name, doch niet uitsluitend, winst, rente, vermogensaanwas, dividenden, royalty's en uitkeringen.4. a) met betrekking tot « het grondgebied van het Koninkrijk België » en « het grondgebied van het Groothertogdom Luxemburg » is de term van toepassing op het grondgebied van het Koninkrijk België en het grondgebied van het Groothertogdom Luxemburg evenals de zeegebieden, dit wil zeggen de gebieden op en onder zee die zich voorbij de territoriale wateren van het Koninkrijk België uitstrekken en waarin het, overeenkomstig het internationaal recht, soevereine rechten en rechtsmacht uitoefent met het oog op de opsporing, de winning en het behoud van de natuurlijke rijkdommen;b) met betrekking tot « het grondgebied van de Groot Libisch-Arabische Socialistische Volks-Jamahiriyah », betekent de term het gebied dat binnen de landsgrenzen valt alsmede de zee, de zeebodem en de ondergrond daarvan waarover de Groot Libisch-Arabische Socialistische Volks-Jamahiriyah overeenkomstig zijn nationale wetgeving en voorschriften en het internationaal recht soevereiniteit, soevereine rechten of rechtsmacht uitoefent.5. Onder « milieuwetgeving » wordt verstaan de wetten of regelgeving die van kracht zijn op het grondgebied van de contracterende partijen of bepalingen ervan die in de eerste plaats gericht zijn op de bescherming van het milieu, of op het voorkomen van een gevaar voor het leven of de gezondheid van mens, dier en planten, door : a) het voorkomen, verminderen of beheersen van de introductie, de lozing of de emissie van verontreinigende stoffen of contaminanten;b) de controle op chemicaliën, stoffen, materialen en afvalstoffen die gevaarlijk of schadelijk zijn voor het milieu, en de verspreiding van daarmee verband houdende informatie;c) de bescherming of de instandhouding van in het wild levende dier- en plantensoorten met inbegrip van bedreigde soorten, hun habitat en de speciaal beschermde natuurgebieden op het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partijen.6. Onder « arbeidswetgeving » wordt verstaan de wetten of regelgeving die van kracht zijn op het grondgebied van de contracterende partijen of bepalingen ervan die rechtstreeks verband houden met de onderstaande internationaal erkende rechten van werknemers : a) het recht op vereniging;b) het recht om zich te organiseren en collectief te onderhandelen;c) een verbod op het gebruik maken van enige vorm van gedwongen of verplichte arbeid;d) een minimumleeftijd voor de toelating van kinderen tot arbeid;e) aanvaardbare arbeidsomstandigheden met betrekking tot minimumloon, arbeidsduur en arbeidsveiligheid en gezondheid. Artikel 2 Bevordering van investeringen 1. Elke Overeenkomstsluitende Partij bevordert investeringen van investeerders van de andere Overeenkomstsluitende Partij op haar grondgebied en laat zodanige investeringen toe in overeenstemming met haar wetgeving.2. Elke Overeenkomstsluitende Partij staat in het bijzonder het sluiten en uitvoeren van licentieovereenkomsten en overeenkomsten inzake commerciële, administratieve of technische bijstand toe, voor zover deze activiteiten verband houden met zodanige investeringen. Artikel 3 Bescherming van investeringen 1. Alle investeringen, zij het rechtstreekse of onrechtstreekse, door investeerders van een der Overeenkomstsluitende Partijen genieten op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij een eerlijke en rechtvaardige behandeling.2. Onder voorbehoud van maatregelen die noodzakelijk zijn voor de handhaving van de openbare orde, genieten deze investeringen een voortdurende bescherming en zekerheid, met uitsluiting van elke onredelijke of discriminatoire maatregel die, in rechte of in feite, het beheer, de instandhouding, het gebruik, het genot of de liquidatie van deze investeringen zou kunnen belemmeren. Artikel 4 Nationale behandeling en meest begunstigde natie 1. In alle aangelegenheden met betrekking tot de behandeling van investeringen genieten de investeerders van elke Overeenkomstsluitende Partij op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij de behandeling van meest begunstigde natie.2. Met betrekking tot de werking, het beheer, het onderhoud, het gebruik, het genot en de verkoop of een andere vorm van vervreemding van investeringen dient elke Overeenkomstsluitende Partij op haar grondgebied aan de investeerders van de andere Overeenkomstsluitende Partij een behandeling toe te kennen die niet minder gunstig is dan de behandeling die wordt toegekend aan haar eigen investeerders of de investeerders van een andere Staat, indien deze gunstiger is.3. Deze behandeling omvat evenwel niet de voorrechten die door een Overeenkomstsluitende Partij worden verleend aan de investeerders van een derde Staat op grond van zijn lidmaatschap van of associatie met een vrijhandelszone, een douane-unie, een gemeenschappelijke markt of een andere vorm van regionale economische organisatie.4. Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op belastingzaken. Artikel 5 Milieu Voor de toepassing van deze Overeenkomst streven de Overeenkomstsluitende Partijen ernaar de volgende beginselen toe te passen : 1. Erkennend dat elke Overeenkomstsluitende Partij het recht heeft om zelf het nationaal niveau van milieubescherming te bepalen en zelf het beleid en de prioriteiten op het gebied van milieu en ontwikkeling vast te leggen, en dienovereenkomstig milieuwetten aan te nemen dan wel te wijzigen, dient het streven van elke Overeenkomstsluitende Partij gericht te zijn op een wetgeving die een hoge graad van milieubescherming biedt alsmede op een stelselmatige verbetering van bedoelde wetgeving.2. De Overeenkomstsluitende Partijen erkennen dat het niet passend is nationale milieuwetten te versoepelen met het oog op de bevordering van investeringen.In dit opzicht zal elke Overeenkomstsluitende Partij ervoor zorgen dat geen vrijstelling van bedoelde wetgeving wordt verleend noch afbreuk wordt aan gedaan en dat evenmin wordt aangeboden vrijstelling van bedoelde wetgeving te verlenen noch afbreuk aan te doen met het oogmerk het tot stand te brengen, behouden of uitbreiden van een investering op haar grondgebied te bevorderen. 3. De Overeenkomstsluitende Partijen bevestigen andermaal de verplichtingen die ze krachtens internationale milieuovereenkomsten hebben.Zij verzekeren dat hun nationale wetgeving voorziet in de erkenning en naleving van zodanige verplichtingen. 4. De Overeenkomstsluitende Partijen erkennen dat onderlinge samenwerking meer mogelijkheden biedt om tot betere milieunormen te komen.Op verzoek van één der partijen stemt de andere partij ermee in dat regeringsvertegenwoordigers bijeenkomen om overleg te plegen over onder dit artikel ressorterende investeringsaangelegenheden waarmee investeerders van de Overeenkomstsluitende Partijen te maken hebben.

Artikel 6 Arbeid Voor de toepassing van deze Overeenkomst streven de Overeenkomstsluitende Partijen ernaar de volgende beginselen toe te passen : 1. Erkennend dat elke Overeenkomstsluitende Partij het recht heeft om zelf nationale arbeidsnormen vast te leggen, en dienovereenkomstig haar eigen arbeidswetgeving aan te nemen dan wel te wijzigen, dient het streven van elke Overeenkomstsluitende Partij gericht te zijn op een wetgeving die arbeidsnormen vastlegt in overeenstemming met de internationaal erkende rechten van werknemers, als bedoeld in het zesde lid van Artikel 1, alsmede op een daartoe strekkende verbetering van bedoelde normen.2. De Overeenkomstsluitende Partijen erkennen dat het niet passend is de nationale arbeidswetgeving te versoepelen met het oog op de bevordering van investeringen.In dit opzicht zal elke Overeenkomstsluitende Partij ervoor zorgen dat geen vrijstelling van bedoelde wetgeving wordt verleend noch afbreuk wordt aan gedaan en dat evenmin wordt aangeboden vrijstelling van bedoelde wetgeving te verlenen noch afbreuk aan te doen met het oogmerk het tot stand te brengen, behouden of uitbreiden van een investering op haar grondgebied te bevorderen. 3. De Overeenkomstsluitende Partijen bevestigen andermaal hun verplichtingen als lid van de Internationale Arbeidsorganisatie alsmede de verplichtingen die ze krachtens de Declaration on Fundamental Principles and Rights at Work and its Follow-up van de IAO hebben.Zij verzekeren dat hun nationale wetgeving voorziet in de erkenning en naleving van zodanige arbeidsnormen en internationaal erkende rechten van werknemers als vermeld in het zesde lid van Artikel 1. 4. De partijen erkennen dat onderlinge samenwerking meer mogelijkheden biedt om tot betere arbeidsnormen te komen.Op verzoek van één der partijen stemt de andere partij in met een bijeenkomst van regeringsvertegenwoordigers om overleg te plegen over enige onder dit artikel ressorterende investeringsaangelegenheid waar investeerders van de Overeenkomstsluitende Partijen mee te maken hebben.

Artikel 7 Ontneming en eigendomsbeperking 1. Elke Overeenkomstsluitende Partij verbindt zich geen enkele maatregel tot onteigening of nationalisatie noch enige andere maatregel te treffen die tot gevolg heeft dat aan de investeerders van de andere Overeenkomstsluitende Partij rechtstreeks of onrechtstreeks de hun toebehorende investeringen op haar grondgebied worden ontnomen.2. Wanneer om redenen van openbaar nut, veiligheid of nationaal belang van het bepaalde in het eerste lid moet worden afgeweken, dienen de volgende voorwaarden te worden vervuld : a) de maatregelen worden genomen met inachtneming van een behoorlijke rechtsgang;b) de maatregelen zijn niet discriminatoir of in strijd met bijzondere verbintenissen;c) de maatregelen gaan vergezeld van voorzieningen voor de betaling van een billijke en reële schadeloosstelling.3. Het bedrag van de schadeloosstelling komt overeen met de marktwaarde van de investeringen op de dag voordat de maatregelen werden genomen of bekendgemaakt. De schadeloosstelling wordt uitgekeerd in de munt van de Staat waarvan de investeerder onderdaan is of in een andere omwisselbare munt. Ze moet zonder vertraging worden betaald en moet vrij kunnen worden overgemaakt. Ze levert rente op tegen een gewone commerciële rentevoet vanaf de datum van de vaststelling van het bedrag tot de datum van uitbetaling. 4. Aan investeerders van de ene Overeenkomstsluitende Partij die verliezen lijden met betrekking tot hun investeringen wegens oorlog of een ander gewapend conflict, revolutie, een nationale noodtoestand of opstand op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij, wordt door laatstgenoemde, wat de restitutie, schadevergoeding, schadeloosstelling of een andere regeling betreft, een behandeling toegekend die ten minste gelijk is aan die welke aan investeerders van de meest begunstigde natie wordt verleend. Artikel 8 Overmakingen 1. Elke Overeenkomstsluitende Partij verleent de investeerders van de andere Overeenkomstsluitende Partij de toelating om alle met een investering verband houdende uitkeringen vrij over te maken.Deze omvatten in het bijzonder : a) bedragen bestemd om de investering tot stand te brengen, te behouden of uit te breiden;b) bedragen bestemd voor het nakomen van contractuele verbintenissen, met inbegrip van de bedragen die nodig zijn voor de terugbetaling van leningen, royalty's en andere betalingen voortvloeiend uit licenties, franchises, concessies en andere soortgelijke rechten, alsmede de bezoldiging van het geëxpatrieerd personeel;c) de opbrengst van investeringen;d) de opbrengst van de gehele of gedeeltelijke liquidatie van de investeringen, met inbegrip van meerwaarden of verhogingen van het geïnvesteerd kapitaal;e) de in toepassing van Artikel 7 uitgekeerde schadeloosstelling.2. De onderdanen van elke Overeenkomstsluitende Partij die uit hoofde van een investering toelating hebben gekregen om op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij te werken, is het tevens toegestaan een passend deel van hun verdiensten over te maken naar hun land van herkomst.3. De overmakingen gebeuren in vrij inwisselbare munt, tegen de koers die op de datum van overmaking van toepassing is op contante transacties in de gebruikte munt, overeenkomstig de deviezenvoorschriften van de Overeenkomstsluitende Partij waar de investeringen zijn gedaan. 4 Elke Overeenkomstsluitende Partij verleent de toelating die vereist is om de overmaking onverwijld uit te voeren, zonder andere lasten dan de gebruikelijke bankkosten.

Artikel 9 Subrogatie 1. Indien één der Overeenkomstsluitende Partijen of één van haar openbare instellingen een schadeloosstelling uitkeert aan haar eigen investeerders op grond van een voor een investering verleende waarborg, erkent de andere Overeenkomstsluitende Partij dat de eerstgenoemde Overeenkomstsluitende Partij of de desbetreffende openbare instelling in de rechten van de investeerders is getreden.2. In verband met de overgedragen rechten kan de andere Overeenkomstsluitende Partij jegens de verzekeraar die in de rechten van de schadeloosgestelde investeerders is getreden, de verplichtingen laten gelden die wettelijk of contractueel op de investeerders rusten. Artikel 10 Toepasbare regels Wanneer een vraagstuk omtrent investeringen wordt geregeld bij deze Overeenkomst en bij de nationale wetgeving van één Overeenkomstsluitende Partij dan wel bij internationale overeenkomsten waarbij de Partijen partij zijn of op een later tijdstip kunnen worden, kunnen de investeerders van de andere Overeenkomstsluitende Partij aanspraak maken op de bepalingen die voor hen het meest gunstig zijn.

Artikel 11 Bijzondere overeenkomsten 1. Investeringen waarvoor een bijzondere overeenkomst is gesloten tussen de ene Overeenkomstsluitende Partij en investeerders van de andere Partij zijn onderworpen aan de bepalingen van deze Overeenkomst en aan die van de bijzondere overeenkomst.2. Elke Overeenkomstsluitende Partij verbindt zich de door haar aangegane verbintenissen ten aanzien van investeerders van de andere Overeenkomstsluitende Partij te allen tijde na te komen. Artikel 12 Regeling van investeringsgeschillen 1. Van elk investeringsgeschil tussen een investeerder van de ene Overeenkomstsluitende Partij en de andere Overeenkomstsluitende Partij wordt schriftelijk kennis gegeven door de eerste Partij die een vordering instelt.De kennisgeving gaat vergezeld van een behoorlijk toegelichte nota.

De Partijen dienen ernaar te streven geschillen in de mate van het mogelijke door onderhandeling te regelen, indien nodig door deskundig advies in te winnen van een derde partij of anders door middel van bemiddeling tussen de Overeenkomstsluitende Partijen langs diplomatieke weg. 2. Wanneer de bij het geschil betrokken partijen niet rechtstreeks tot een minnelijke schikking zijn gekomen of het geschil niet door bemiddeling langs diplomatieke weg hebben kunnen regelen binnen zes maanden na ontvangst van de kennisgeving, wordt het, naar keuze van de investeerder, voorgelegd aan hetzij de bevoegde rechtsmacht van de Staat waar de investering werd gedaan, hetzij aan internationale arbitrage. Elke Overeenkomstsluitende Partij geeft daartoe haar voorafgaande en onherroepelijke toestemming elk geschil aan zodanige arbitrage te onderwerpen. Deze toestemming houdt in dat beide Partijen afstand doen van het recht om de uitputting van alle nationale administratieve en rechtsmiddelen te verzoeken. 3. In geval van internationale arbitrage, wordt het geschil naar keuze van de investeerder voorgelegd aan één van de volgende instellingen : - een scheidsgerecht ad hoc, ingesteld volgens de arbitrage-regels van de Commissie van de Verenigde Naties voor Internationaal Handelsrecht (U.N.C.I.T.R.A.L.); - het Internationale Centrum voor Beslechting van Investeringsgeschillen (I.C.S.I.D.), dat is opgericht krachtens het Verdrag inzake de beslechting van geschillen met betrekking tot investeringen tussen Staten en onderdanen van andere Staten, dat op 18 maart 1965 te Washington voor ondertekening werd opengesteld, wanneer elke Staat die Partij is bij de onderhavige Overeenkomst partij is geworden bij bedoeld Verdrag. Zolang niet aan deze voorwaarde is voldaan, stemt elke Overeenkomstsluitende Partij ermee in dat het geschil aan arbitrage wordt onderworpen overeenkomstig het bepaalde in de Aanvullende Voorziening van het I.C.S.I.D; - het Scheidsgerecht van de Internationale Kamer van Koophandel te Parijs;

Indien wordt overgegaan tot de arbitrageprocedure op initiatief van een Overeenkomstsluitende Partij, verzoekt die Partij de betrokken investeerder schriftelijk het scheidsgerecht aan te wijzen waaraan het geschil zal worden voorgelegd. 4. Geen van de bij een geschil betrokken Overeenkomstsluitende Partijen, zal in enig stadium van de arbitrageprocedure of van de uitvoering van een scheidsrechterlijke uitspraak als verweer kunnen aanvoeren dat de investeerder die tegenpartij is bij het geschil, een vergoeding ter uitvoering van een verzekeringspolis of van de in Artikel 9 van deze Overeenkomst vermelde waarborg heeft ontvangen, die het geheel of een gedeelte van zijn verliezen dekt.5. De uitspraken van het scheidsgerecht zijn onherroepelijk en bindend voor de partijen bij het geschil.Elke Overeenkomstsluitende Partij verbindt zich ertoe ze uit te voeren overeenkomstig haar nationale wetgeving.

Artikel 13 Geschillen tussen de Overeenkomstsluitende Partijen betreffende de uitlegging of toepassing van deze Overeenkomst 1. Geschillen betreffende de uitlegging of toepassing van deze Overeenkomst worden zoveel mogelijk langs diplomatieke weg beslecht.2. Wanneer een geschil niet langs diplomatieke weg kan worden beslecht, wordt het voorgelegd aan een gemengde commissie bestaande uit vertegenwoordigers van beide Partijen.Deze Commissie komt op verzoek van de meest gerede Partij en zonder onnodige vertraging bijeen. 3. Indien de gemengde commissie het geschil niet kan regelen, wordt het op verzoek van een der Overeenkomstsluitende Partijen onderworpen aan een scheidsgerecht dat voor elk geval afzonderlijk op de volgende wijze wordt samengesteld : Elke Overeenkomstsluitende Partij benoemt één scheidsman binnen een tijdvak van drie maanden vanaf de datum waarop een der Overeenkomstsluitende Partijen de andere Overeenkomstsluitende Partij in kennis heeft gesteld van haar voornemen het geschil aan arbitrage te onderwerpen.Binnen drie maanden na hun benoeming benoemen de twee scheidsmannen in onderlinge overeenstemming een onderdaan van een derde Staat tot voorzitter van het scheidsgerecht.

Indien deze termijnen worden overschreden, kan een der Overeenkomstsluitende Partijen de President van het Internationale Gerechtshof verzoeken de noodzakelijke benoeming(en) te verrichten.

Indien de voorzitter van het Internationale Gerechtshof onderdaan is van een Overeenkomstsluitende Partij of van een Staat waarmee een der Overeenkomstsluitende Partijen geen diplomatieke banden heeft of indien hij om een andere reden verhinderd is genoemde functie uit te oefenen, wordt de Vice-President van het Internationale Gerechtshof verzocht de benoeming(en) te verrichten. 4. Het aldus samengesteld scheidsgerecht stelt zijn eigen procedureregels vast.Het doet uitspraak bij meerderheid van stemmen; de uitspraken zijn onherroepelijk en bindend voor de Overeenkomstsluitende Partijen. 5. Elke Overeenkomstsluitende Partij draagt de kosten van de door haar benoemde scheidsman.De kosten die voortvloeien uit de benoeming van de derde scheidsman en de ambtelijke kosten van het gerecht worden gelijkelijk door de Overeenkomstsluitende Partijen gedragen.

Artikel 14 Vorige investeringen Deze Overeenkomst is eveneens van toepassing op investeringen die vóór de inwerkingtreding van deze Overeenkomst werden gedaan door investeerders van een Overeenkomstsluitende Partij op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij, in overeenstemming met de wetten en voorschriften van laatstgenoemde.

Deze Overeenkomst is niet van toepassing op vorderingen die werden geregeld of procedures die werden ingeleid voor de inwerkingtreding van de Overeenkomst.

Artikel 15 Inwerkingtreding en duur 1. Deze Overeenkomst treedt in werking een maand na de datum waarop de Overeenkomstsluitende Partijen de akten van bekrachtiging hebben uitgewisseld.Ze blijft van kracht gedurende een tijdvak van tien jaar.

Tenzij ten minste één jaar vóór de datum van het verstrijken van de geldigheidsduur door een van beide Overeenkomstsluitende Partijen mededeling van beëindiging is gedaan, wordt deze Overeenkomst telkens stilzwijgend verlengd voor een tijdvak van tien jaar, met dien verstande dat elke Overeenkomstsluitende Partij zich het recht voorbehoudt de Overeenkomst te beëindigen met inachtneming van een opzegtermijn van ten minste één jaar vóór de datum van het verstrijken van de lopende termijn van geldigheid. 2. Ten aanzien van investeringen die vóór de datum van beëindiging van de Overeenkomst zijn gedaan, blijft deze van kracht gedurende een tijdvak van tien jaar vanaf de datum van beëindiging. Gedaan te Sirte, op 15 februari 2004, in tweevoud in de Nederlandse, de Franse, de Engelse en de Arabische taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek. In geval van verschil in uitlegging is de Engelse tekst doorslaggevend.

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^