Wet van 26 april 2005
gepubliceerd op 01 juni 2005
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Wet houdende instemming met het Internationaal Verdrag inzake de bestrijding van terroristische bomaanslagen, gedaan te New York op 15 december 1997

bron
federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
numac
2005015068
pub.
01/06/2005
prom.
26/04/2005
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

26 APRIL 2005. - Wet houdende instemming met het Internationaal Verdrag inzake de bestrijding van terroristische bomaanslagen, gedaan te New York op 15 december 1997 (1)


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt :

Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

Art. 2.Het Internationaal Verdrag inzake de bestrijding van terroristische bomaanslagen, gedaan te New York op 15 december 1997, zal volkomen gevolg hebben.

Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Gegeven te Brussel, 26 april 2005.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Buitenlandse Zaken, K. DE GUCHT De Minister van Justitie, Mevr. L. ONKELINX Met 's Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie, Mevr. L. ONKELINX _______ Nota's (1) Zitting 2004-2005 Senaat Documenten.- Ontwerp van wet ingediend op 21 december 2004, nr. 3-965/1. - Verslag namens de commissie, nr. 3-965/2 Parlementaire Handelingen. - Bespreking, vergadering van 17 februari 2005. - Stemming, vergadering van 17 februari 2005 Kamer van volksvertegenwoordigers. Documenten. - Ontwerp overgezonden door de Senaat, nr. 51-1623/1. - Tekst aangenomen in plenaire vergadering en aan de Koning ter bekrachtiging voorgelegd, nr. 51-1623/2 Parlementaire Handelingen. - Bespreking, vergadering van 17 maart 2005. - Stemming, vergadering van 17 maart 2005. Internationaal Verdrag inzake de bestrijding van terroristische bomaanslagen De Verdragsluitende Staten, Indachtig de doelstellingen en beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties betreffende de handhaving van de internationale vrede en veiligheid en de bevordering van goed nabuurschap, vriendschappelijke betrekkingen en samenwerking tussen de Staten;

Ernstig bezorgd over de toeneming over de gehele wereld van handelingen terrorisme, in al zijn vormen en uitdrukkingen;

Herinnerend aan de Verklaring van 24 oktober 1995 ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van de Verenigde Naties;

Tevens herinnerend aan de Verklaring inzake maatregelen tot uitbanning van internationaal terrorisme als bijlage bij resolutie 49/60 van de Algemene Vergadering van 9 december 1994 waarin, onder andere : « de lid-Staten van de Verenigde Naties opnieuw plechtig hun ondubbelzinnige veroordeling bevestigen van alle terroristische handelingen, methoden en praktijken als misdadig en ongerechtvaardigd, ongeacht waar en door wie zij zijn begaan, daaronder begrepen handelingen die de vriendschappelijke betrekkingen tussen Staten en volkeren schaden en de territoriale integriteit en veiligheid van Staten bedreigen »;

Vaststellend dat de Verklaring Staten tevens aanmoedigt « het toepassingsgebied van de bestaande internationale wettelijke bepalingen inzake de preventie, bestrijding en uitbanning van terrorisme in al zijn vormen en uitdrukkingen spoedig te herzien teneinde een volledig wettelijk kader te scheppen dat alle aspecten van terrorisme omvat »;

Voorts herinnerend aan resolutie 51/210 van de Algemene Vergadering van 17 december 1996 en de Aanvullende Verklaring als bijlage bij de Verklaring inzake maatregelen tot uitbanning van internationaal terrorisme van 1994;

Tevens vaststellend dat terroristische aanslagen door middel van springstoffen of andere dodelijke instrumenten steeds vaker voorkomen;

Voorts vaststellend dat de bestaande multilaterale juridische instrumenten deze aanslagen onvoldoende aanpakken;

Overtuigd van de dringende noodzaak tot verbetering van de internationale samenwerking tussen Staten bij de opstelling en de goedkeuring van doeltreffende en praktische maatregelen ter voorkoming van deze daden van terrorisme, alsmede van de vervolging en bestraffing van de daders;

Overwegend dat dergelijke aanslagen de gehele internationale gemeenschap ernstig verontrusten;

Vaststellend dat de activiteiten van de strijdkrachten van Staten onderworpen zijn aan regels van internationaal recht die buiten het kader van dit Verdrag vallen en dat het feit dat bepaalde acties van het toepassingsgebied van dit Verdrag worden uitgesloten, niet betekent dat anderszins onwettige handelingen worden gebillijkt of gewettigd of dat vervolging op grond van andere wetten wordt uitgesloten;

Zijn overeengekomen als volgt : Artikel 1 Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder : 1. « regeringsvoorziening of openbare voorziening » alle permanente of tijdelijke faciliteiten of vervoermiddelen gebruikt of in bezit genomen door vertegenwoordigers van een Staat, leden van een Regering, van de wetgevende of de rechterlijke macht of door ambtenaren of medewerkers van een Staat of andere openbare autoriteit of instelling of door ambtenaren of medewerkers van een intergouvernementele organisatie in verband met hun officiële taken;2. « infrastruur » alle openbare of particuliere voorzieningen voor de levering of distributie van openbare nutsvoorzieningen, zoals water, riolering, energie, brandstof of communicatie;3. « springstof of ander dodelijk instrument » : (a) een explosief of brandveroorzakend wapen of instrument dat is ontworpen of het vermogen heeft om de dood, ernstig lichamelijk letsel of grote materiële schade te veroorzaken;of (b) een wapen of instrument dat is ontworpen of het vermogen heeft om de dood, ernstig lichamelijk letsel of grote materiële schade te veroorzaken door de vrijkoming, verspreiding of inwerking van giftige chemicaliën, biologische middelen, toxines of vergelijkbare substanties of straling of radioactief materiaal;4. « strijdkrachten van een Staat » de strijdkrachten die door een Staat zijn georganiseerd, getraind en uitgerust conform de nationale wet met landsverdediging of nationale veiligheid als primair doel, alsmede personen die deze strijdkrachten ondersteunen en onder hun formeel commando, gezag en verantwoordelijkheid vallen;5. « openbare plaats » die delen van gebouwen, grond, wegen, waterwegen of andere lokaties die, hetzij voortdurend, periodiek of occasioneel, toegankelijk of open zijn voor het publiek en een commerciële, culturele, historische, educatieve, religieuze of officiële functie hebben of een functie hebben op het gebied van amusement of recreatie alsmede vergelijkbare plaatsen die op dezelfde wijze toegankelijk of open zijn voor het publiek;6. « openbaar vervoerssysteem » alle openbare of particuliere faciliteiten, vervoermiddelen en voorzieningen, die worden gebruikt bij of voor voor het publiek beschikbare diensten op het gebied van vervoer van personen of vracht. Artikel 2 1. Een persoon pleegt een misdrijf in de zin van dit Verdrag indien hij onwettig en opzettelijk een springstof of ander dodelijk instrument aflevert, plaatst, ontlaadt of tot ontploffing brengt op, bij of in een openbare plaats, een regeringsvoorziening of openbare voorziening, een openbaar vervoerssysteem of een infrastructuur, (a) met de bedoeling de dood of ernstig lichamelijk letsel te veroorzaken;of (b) met de bedoeling grootschalige vernieling aan te richten van die plaats, voorziening, systeem of infrastructuur, waarbij de vernieling leidt of waarschijnlijk zal leiden tot grote economische schade;2. Een persoon pleegt eveneens een misdrijf indien hij poogt een misdrijf te plegen in de zin van de eerste paragraaf.3. Een persoon pleegt eveneens een misdrijf indien hij : (a) als medeplichtige deelneemt aan een misdrijf als omschreven in de eerste of tweede paragraaf;of (b) anderen organiseert om of aanzet tot het plegen van een misdrijf als omschreven in de eerste of tweede paragraaf;of (c) op enige andere wijze bijdraagt tot het plegen van een misdrijf of meer misdrijven als omschreven in de eerste of tweede paragraaf door een groep personen die gemeenschappelijk optreden;deze bijdrage dient opzettelijk te zijn en geleverd, hetzij met het oog op bevordering van de criminele activiteit of het doel van de groep in het algemeen, hetzij met kennis van het voornemen van de groep om het desbetreffende misdrijf of de desbetreffende misdrijven te plegen.

Artikel 3 Dit Verdrag is niet van toepassing indien het misdrijf wordt gepleegd binnen een Staat, de vermoedelijke dader en de slachtoffers onderdanen zijn van die Staat, de vermoedelijke dader wordt aangetroffen op het grondgebied van die Staat en geen andere Staat een reden heeft krachtens artikel 6, eerste paragraaf of artikel 6, tweede paragraaf, van dit Verdrag tot uitoefening van rechtsmacht, met dien verstande dat de bepalingen van de artikelen 10 tot en met 15, indien opportuun, in dergelijke gevallen van toepassing zijn.

Artikel 4 Elke Verdragsluitende Staat neemt de maatregelen die nodig zijn om : (a) de in artikel 2 van dit Verdrag bedoelde feiten als misdrijven op grond van zijn nationale wetgeving te omschrijven : (b) op deze feiten passende straffen te stellen die rekening houden met de ernst ervan. Artikel 5 Elke Verdragsluitende Staat treft de nodige maatregelen, eventueel daaronder begrepen de benodigde nationale wetgeving, om zeker te stellen dat criminele handelingen die ressorteren onder het toepassingsgebied van dit Verdrag, met name indien zij ertoe strekken om de bevolking, een groep personen of bepaalde personen grote vrees aan te jagen, onder geen enkele omstandigheid worden verantwoord door overwegingen van politieke, filosofische, ideologische, raciale, etnische, religieuze of andere aard en worden gestraft met straffen die zijn aangepast aan de ernst ervan.

Artikel 6 1. Elke Verdragsluitende Staat neemt de maatregelen die nodig zijn om zijn rechtsmacht vast te leggen met betrekking tot de in artikel 2 bedoelde misdrijven, indien : (a) het misdrijf wordt gepleegd op het grondgebied van die Staat;of (b) het misdrijf wordt gepleegd aan boord van een schip dat onder de vlag van die Staat vaart of aan boord van een luchtvaartuig dat krachtens de wet van die Staat in die Staat is ingeschreven op het tijdstip waarop het misdrijf wordt gepleegd;of (c) het misdrijf wordt gepleegd door een onderdaan van die Staat.2. Een Verdragsluitende Staat kan eveneens zijn rechtsmacht met betrekking tot bedoelde misdrijven,vastleggen, indien : (a) het misdrijf wordt gepleegd tegen een van zijn onderdanen;of (b) het misdrijf wordt gepleegd tegen een in het buitenland gevestigde openbare voorziening van die Staat, daaronder begrepen ambassades, of andere diplomatieke of consulaire gebouwen van die Staat;of (c) het misdrijf wordt gepleegd door een staatloze die op het grondgebied van die Staat zijn gewone verblijfplaats heeft;of (d) het feit wordt gepleegd in een poging die Staat te dwingen tot het verrichten of het zich onthouden van een handeling;of (e) het misdrijf wordt gepleegd aan boord van een luchtvaartuig dat door de regering van die Staat wordt geëxploiteerd.3. Elke Verdragsluitende Staat die dit Verdrag bekrachtigt, aanvaardt, goedkeurt of ertoe toetreedt, stelt de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties in kennis van de rechtsmacht die hij overeenkomstig de tweede paragraaf op grond van zijn nationale wetgeving heeft vastgesteld.Indien zich wijzigingen voordoen, stelt de betrokken Verdragsluitende Staat de Secretaris-generaal daarvan onmiddellijk in kennis. 4. Elke Verdragsluitende Staat neemt tevens de maatregelen die nodig zijn om zijn rechtsmacht vast te leggen met betrekking tot de in artikel 2 bedoelde misdrijven in de gevallen waarin de vermoedelijke dader zich op zijn grondgebied bevindt en hij deze persoon niet uitlevert aan een Verdragsluitende Staat die zijn rechtsmacht heeft vastgelegd in overeenstemming met de eerste of tweede paragraaf.5. Dit Verdrag sluit de uitoefening van geen enkele rechtsmacht in strafrechtelijke aangelegenheden uit die een Verdragsluitende Staat in overeenstemming met zijn nationale wetgeving heeft vastgelegd. Artikel 7 1. Indien een Verdragsluitende Staat verneemt dat de dader of vermoedelijke dader van een in artikel 2 bedoeld misdrijf zich mogelijk op zijn grondgebied bevindt, neemt de desbetreffende Verdragsluitende Staat de maatregelen die krachtens zijn nationale wetgeving nodig zijn voor een onderzoek naar de feiten die hem ter kennis zijn gebracht.2. Een Verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan de dader of vermoedelijke dader zich bevindt, neemt, indien hij ervan overtuigd is dat de omstandigheden dit verantwoorden, in overeenstemming met zijn nationale wetgeving de nodige maatregelen ter verzekering van de aanwezigheid van die persoon met het oog op strafvervolging of uitlevering.3. Een ieder tegen wie de in de tweede paragraaf bedoelde maatregelen worden genomen heeft het recht : (a) zich onverwijld in verbinding te stellen met de dichtstbijzijnde daartoe bevoegde vertegenwoordiger van de Staat waarvan hij onderdaan is of die welke anderszins gemachtigd is om de rechten van deze persoon te beschermen, of, indien het een Staatloze betreft, van de Staat waarin hij zijn gewone verblijfplaats heeft;(b) te worden bezocht door een vertegenwoordiger van die Staat;(c) te worden geïnformeerd over zijn rechten op grond van de derde paragraaf, lid a en b.4. De in de derde paragraaf bedoelde rechten worden uitgeoefend in overeenstemming met de wetten en de regelgeving van de Staat op het grondgebied waarvan de dader of de vermoedelijke dader zich bevindt, met dien verstande dat de bedoelde wetten en regelgeving het mogelijk maken dat de doeleinden die met de krachtens de derde paragraaf verleende rechten worden beoogd, volledig kunnen worden verwezenlijkt.5. De bepalingen van de derde en vierde paragraaf gelden onverminderd het recht van een Verdragsluitende Staat die zich kan beroepen op rechtsmacht overeenkomstig artikel 6, eerste paragraaf, lid c, of tweede paragraaf, lid c, om een lid van het Internationale Rode Kruis te verzoeken zich in verbinding te stellen met de vermoedelijke dader en deze te bezoeken.6. Wanneer een Verdragsluitende Staat krachtens dit artikel een persoon in hechtenis heeft genomen, stelt hij de Verdragsluitende Staten die overeenkomstig artikel 6, eerste en tweede paragraaf, hun rechtsmacht hebben vastgelegd, en wanneer hij dit nodig acht, alle andere belanghebbende Verdragsluitende Staten, rechtstreeks of via de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties, onverwijld in kennis van het feit dat de betrokken persoon in hechtenis is genomen en van de omstandigheden die zulks verantwoorden.De Verdragsluitende Staat die het in de eerste paragraaf van dit artikel bedoelde onderzoek instelt, deelt zijn bevindingen onverwijld mee aan bedoelde Verdragsluitende Staten en geeft tevens aan of hij voornemens is zijn rechtsmacht uit te oefenen.

Artikel 8 1. De Verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan de vermoedelijke dader wordt vastgehouden is in de gevallen waarop artikel 6 van toepassing is, indien hij deze persoon niet uitlevert, ongeacht of het misdrijf op zijn grondgebied is gepleegd, zonder enige uitzondering en zonder onnodige vertraging verplicht de zaak over te dragen aan zijn voor strafvervolging bevoegde autoriteiten, zulks volgens een procedure overeenkomstig de wetten van die Staat.Deze autoriteiten nemen hun beslissing op dezelfde wijze als in geval van elk ander misdrijf van ernstige aard krachtens de wetgeving van die Staat. 2. Wanneer het een Verdragsluitende Staat op grond van zijn nationale wet alleen is toegestaan een onderdaan uit te leveren of op andere wijze over te leveren op voorwaarde dat deze wordt teruggezonden naar die Staat om de straf te ondergaan die is opgelegd als gevolg van het proces of de rechtspleging waarvoor om uitlevering of overlevering van de persoon werd verzocht, en deze Staat en de verzoekende Staat instemmen met deze optie en andere voorwaarden die zij gepast achten, is een dergelijke voorwaardelijke uitlevering of overlevering voldoende om de aangezochte Staat vrij te stellen van de in de eerste paragraaf bedoelde verplichting. Artikel 9 1. Voordat dit Verdrag in werking treedt, worden de in artikel 2 bedoelde misdrijven in alle tussen de Verdragsluitende Staten bestaande uitleveringsverdragen geacht te zijn begrepen als uitleveringsdelicten.De Verdragsluitende Staten verplichten zich ertoe bedoelde misdrijven op te nemen als uitleveringsdelicten in ieder uitleveringsverdrag dat nadien tussen hen wordt gesloten. 2. Indien een Verdragsluitende Staat, die uitlevering afhankelijk stelt van het bestaan van een verdrag, een verzoek om uitlevering ontvangt van een andere Verdragsluitende Staat waarmee hij geen uitleveringsverdrag heeft gesloten, kan de aangezochte Verdragsluitende Staat, indien hij dit verkiest, dit Verdrag beschouwen als een juridische grondslag voor uitlevering wegens de in artikel 2 bedoelde misdrijven.De uitlevering is onderworpen aan de overige voorwaarden waarin het recht van de aangezochte Staat voorziet. 3. Verdragsluitende Staten die uitlevering niet afhankelijk stellen van het bestaan van een verdrag erkennen de in artikel 2 bedoelde misdrijven onderling als uitleveringsdelicten, onderworpen aan de voorwaarden waarin het recht van de aangezochte Staat voorziet.4. Voor uitlevering tussen Verdragsluitende Staten worden de in artikel 2 bedoelde misdrijven, indien nodig, beschouwd als begaan niet alleen op de plaats waar zij zijn gepleegd, maar ook op het grondgebied van de Staten die hun rechtsmacht hebben vastgelegd overeenkomstig artikel 6, eerste en tweede paragraaf.5. De bepalingen van alle uitleveringsverdragen en -akkoorden die tussen de Verdragsluitende Staten bestaan met betrekking tot de misdrijven bedoeld in artikel 2 worden geacht in hun onderlinge betrekkingen te zijn gewijzigd, voorzover zij niet verenigbaar zijn met dit Verdrag. Artikel 10 1. De Verdragsluitende Staten verlenen elkaar de ruimst mogelijke rechtshulp bij onderzoeken, strafzaken of bij uitleveringsprocedures wegens de in artikel 2 bedoelde misdrijven, daaronder begrepen. rechtshulp ter verkrijging van bewijs in hun bezit dat nodig is voor het proces. 2. De Verdragsluitende Staten komen hun verplichtingen uit hoofde van de eerste paragraaf na in overeenstemming met de verdragen en akkoorden inzake wederzijdse rechtshulp die tussen hen bestaan.Indien dergelijke verdragen of akkoorden ontbreken, verlenen de Verdragsluitende Staten elkaar rechtshulp overeenkomstig hun nationale wetgeving.

Artikel 11 Geen van de in artikel 2 bedoelde misdrijven zal, ten behoeve van uitlevering of wederzijdse rechtshulp, worden beschouwd als een politiek delict, een met een politiek delict samenhangend feit of een feit ingegeven door politieke motieven. Dienovereenkomstig mag een verzoek om uitlevering of wederzijdse rechtshulp op basis van een dergelijk feit niet worden geweigerd met als enige reden dat het een politiek delict betreft of een met een politiek delict samenhangend feit of een feit ingegeven door politieke motieven.

Artikel 12 Niets in dit Verdrag mag zodanig worden uitgelegd dat het een verplichting tot uitlevering of tot het verlenen van wederzijdse rechtshulp zou inhouden in gevallen waarin de aangezochte Verdragsluitende Staat ernstige redenen heeft aan te nemen dat het verzoek om uitlevering wegens in artikel 2 bedoelde misdrijven of om wederzijdse rechtshulp met betrekking tot dergelijke feiten is gedaan om een persoon te vervolgen of te straffen op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, etnische afkomst of politieke overtuiging of dat inwilliging van het verzoek de positie van betrokkene om een van deze redenen ongunstig zou kunnen beïnvloeden.

Artikel 13 1. Een persoon die in hechtenis is genomen of een straf ondergaat op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat, wiens aanwezigheid op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Staat vereist is voor getuigenverklaring, identificatie of andere wijze van medewerking bij de verkrijging van bewijs voor onderzoek of vervolging inzake misdrijven krachtens dit Verdrag, mag worden overgebracht, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden : a) de persoon geeft vrijwillig zijn toestemming op basis van volledige informatie;en b) de bevoegde autoriteiten van beide Staten stemmen ermee in, overeenkomstig de voorwaarden die zij eventueel gepast achten.2. Voor de toepassing van dit artikel : a) is de Staat waar welke de persoon wordt overgebracht bevoegd en verplicht de overgebrachte persoon in hechtenis te nemen, tenzij anderszins verzocht of gemachtigd door de Staat vanuit welke de persoon is overgebracht;b) komt de Staat waar welke de persoon wordt overgebracht onverwijld zijn verplichting na tot terugzending van de persoon voor inbewaringstelling door de Staat vanuit welke deze persoon is overgebracht zoals vooraf overeengekomen, of op andere wijze overeengekomen door de bevoegde autoriteiten van beide Staten;c) verlangt de Staat waar welke de persoon wordt overgebracht niet van de Staat vanwaar de persoon is overgebracht dat deze een uitleveringsprocedure begint ten behoeve van de terugkeer van de persoon;d) krijgt de overgebrachte persoon vermindering van de straf die hij in de Staat vanwaar hij is overgebracht moet uitzitten conform de tijd die hij in hechtenis heeft doorgebracht in de Staat waar welke hij is overgebracht.3. Tenzij de Verdragsluitende Staat vanwaar een persoon overeenkomstig dit artikel moet worden overgebracht daarvoor toestemming geeft, wordt hij, ongeacht zijn nationaliteit niet vervolgd of in hechtenis genomen, noch aan enige andere beperking van zijn persoonlijke vrijheid onderworpen op het grondgebied van de Staat waar welke deze persoon wordt overgebracht wegens feiten of veroordelingen voorafgaand aan zijn vertrek uit het grondgebied van de Staat vanwaar deze persoon werd overgebracht. Artikel 14 Een ieder die in hechtenis is genomen of tegen wie andere maatregelen worden getroffen of een procedure is ingesteld op grond van dit Verdrag, heeft recht op een billijke behandeling, daaronder begrepen alle rechten en waarborgen in overeenstemming met de wetgeving van de Staat op het grondgebied waarvan die persoon zich bevindt en de toepasselijke bepalingen van het internationaal recht, daaronder begrepen de rechten van de mens.

Artikel 15 De Verdragsluitende Staten werken samen ter voorkoming van de in artikel 2 bedoelde misdrijven, met name door : a) alle mogelijke maatregelen te nemen, zonodig daaronder begrepen een aanpassing van hun nationale wetgeving ter voorkoming en bestrijding van de voorbereiding op hun respectieve grondgebieden die is gericht op het plegen, al dan niet op hun grondgebied, van deze misdrijven, daaronder begrepen maatregelen tot het op hun grondgebied verbieden van illegale activiteiten van personen, groepen en organisaties die het plegen van de in artikel 2 bedoelde misdrijven aanmoedigen, uitlokken, organiseren, bewust financieren of erbij betrokken zijn.b) in overeenstemming met hun nationale wetgeving accurate en geverifieerde gegevens uit te wisselen, en passende bestuurlijke en andere ter voorkoming van de in artikel 2 bedoelde misdrijven te nemen maatregelen te coördineren.c) indien van toepassing, onderzoek en ontwikkeling inzake de opsporingsmethoden van springstoffen en andere gevaarlijke stoffen die de dood of lichamelijk letsel kunnen veroorzaken, overleg over de ontwikkeling van normen voor het merken van springstoffen teneinde hun oorsprong te achterhalen bij onderzoek na explosie, uitwisseling van informatie inzake preventieve maatregelen, en samenwerking en overdracht van technologie, apparatuur en aanverwant materiaal. Artikel 16 De Verdragsluitende Staat waar de vermoedelijke dader wordt vervolgd, deelt, conform zijn nationale wetgeving of de toepasselijke procedures, het definitieve resultaat van de procedures mede aan de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties, die de andere Verdragsluitende Staten ervan in kennis stelt.

Artikel 17 De Verdragsluitende Staten komen hun verplichtingen uit hoofde van dit Verdrag na op een wijze die in overeenstemming is met de beginselen van soevereine gelijkheid en territoriale integriteit van Staten en van non-interventie in de interne aangelegenheden van andere Staten.

Artikel 18 Niets in dit Verdrag verleent aan een Verdragsluitende Staat de bevoegdheid op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Staat rechtsmacht uit te oefenen en functies te vervullen die door zijn nationale wetgeving uitsluitend zijn voorbehouden aan de autoriteiten van die andere Verdragsluitende Staat.

Artikel 19 1. Niets in dit Verdrag tast op enige wijze andere rechten, verplichtingen en verantwoordelijkheden aan van Staten en personen op grond van het internationaal recht, met name de doelstellingen en beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal humanitair recht.2. De activiteiten van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict als gedefinieerd in en onderworpen aan het internationaal humanitair recht vallen niet onder dit Verdrag en tevens vallen de activiteiten ondernomen door de strijdkrachten van een Staat in de uitoefening van hun officiële taken, voorzover onderworpen aan andere bepalingen van internationaal recht, niet onder dit Verdrag. Artikel 20 1. Elk geschil tussen twee of meer Verdragsluitende Staten inzake de uitlegging of toepassing van dit Verdrag dat niet binnen een redelijke termijn door onderhandelingen kan worden beslecht, wordt op verzoek van een van hen onderworpen aan arbitrage.Indien de partijen binnen zes maanden na de datum van het verzoek om arbitrage niet erin zijn geslaagd overeenstemming te bereiken over de regeling van deze arbitrage, kan ieder van deze partijen het geschil voorleggen aan het Internationaal Gerechtshof door middel van een verzoek overeenkomstig het Statuut van het Hof. 2. Elke Staat kan op het tijdstip van ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van dit Verdrag, dan wel bij toetreding daartoe, verklaren dat hij zich niet gebonden acht door de eerste paragraaf.De overige Verdragsluitende Staten zijn niet gebonden door de eerste paragraaf ten aanzien van een Verdragsluitende Staat die dit voorbehoud heeft gemaakt. 3. Een Staat die een voorbehoud heeft gemaakt overeenkomstig de tweede paragraaf, kan dit voorbehoud te allen tijde intrekken door middel van een kennisgeving aan de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties. Artikel 21 1. Dit Verdrag staat van 12 januari 1998 tot en met 31 december 1999 open voor ondertekening door alle Staten op het hoofdkwartier van de Verenigde Naties in New York.2. Dit Verdrag geldt onder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden nedergelegd bij de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties. 3. Dit Verdrag staat open voor toetreding door alle Staten.De akten van toetreding worden nedergelegd bij de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

Artikel 22 1. Dit Verdrag treedt in werking de dertigste dag na de datum van nederlegging van de tweeëntwintigste akte van bekrachtiging, goedkeuring, aanvaarding of toetreding bij de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties.2. Ten aanzien van elke Staat die dit Verdrag bekrachtigt, aanvaardt, goedkeurt of ertoe toetreedt na de datum van de nederlegging van de tweeëntwintigste akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, treedt dit Verdrag in werking op de dertigste dag na de datum van nederlegging door de betreffende Staat van de akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding. Artikel 23 1. Elke Verdragsluitende Staat kan dit Verdrag opzeggen door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties.2. Een opzegging wordt van kracht een jaar na de datum waarop de kennisgeving is ontvangen door de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties. Artikel 24 De oorspronkelijke versie van dit Verdrag, waarvan de Arabische, Chinese, Engelse, Franse, Russische en Spaanse teksten gelijkelijk authentiek zijn, wordt bij de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties nedergelegd, die voor eensluidend gewaarmerkte afschriften aan alle Staten zendt.

Ten blijke waarvan de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd door hun respectieve regeringen, dit Verdrag hebben ondertekend, dat vanaf 12 januari 1998 te New York voor ondertekening openstaat.

Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld VERKLARING VAN HET KONINKRIJK BELGIE BETREFFENDE ARTIKEL 11 1. In uitzonderlijke omstandigheden, behoudt België zich het recht voor om uitlevering of wederzijdse rechtshulp te weigeren voor elk misdrijf zoals bepaald in artikel 2 dat het beschouwt als een politiek delict, een met een politiek delict samenhangend delict of een delict ingegeven door politieke motieven. 2. Voor de toepassing van paragraaf 1, wijst België er nogmaals op dat het gebonden is door het algemeen rechtsbeginsel aut dedere, aut judicare, rekening houdende met de regels inzake bevoegheid van zijn rechtbanken.

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^