Wet van 27 april 2016
gepubliceerd op 09 mei 2016
Informatisering van Justitie. Ja, maar hoe ?

Wet inzake aanvullende maatregelen ter bestrijding van terrorisme

bron
federale overheidsdienst justitie
numac
2016009200
pub.
09/05/2016
prom.
27/04/2016
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

Numac : 2016009200

FEDERALE OVERHEIDSDIENST JUSTITIE


27 APRIL 2016. - Wet inzake aanvullende maatregelen ter bestrijding van terrorisme (1)


FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling

Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet. HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wet van 7 juni 1969 tot vaststelling van de tijd gedurende welke geen opsporing ten huize of huiszoeking mag worden verricht

Art. 2.In het opschrift van de wet van 7 juni 1969 tot vaststelling van de tijd gedurende welke geen opsporing ten huize of huiszoeking mag worden verricht, worden de woorden "opsporing ten huize of huiszoeking" vervangen door de woorden "opsporing ten huize, huiszoeking of aanhouding".

Art. 3.Artikel 1, tweede lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 24 november 1997, wordt aangevuld met de bepaling onder 6°, luidende : "6° wanneer de opsporing ten huize of huiszoeking betrekking heeft op een misdrijf bedoeld in : - boek II, titel Iter, van het Strafwetboek, of; - boek II, titel VI, Hoofdstuk I, van hetzelfde Wetboek, wanneer er ernstige aanwijzingen zijn dat er vuurwapens, explosieven, kernwapens, biologische of chemische wapens, of schadelijke of gevaarlijke stoffen waardoor bij ontsnapping mensenlevens in gevaar kunnen worden gebracht, kunnen worden aangetroffen.".

Art. 4.Artikel 2 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : "

Art. 2.Geen aanhouding ten gevolge van een bevel tot medebrenging, een bevel tot aanhouding, een bevel tot aanhouding bij verstek of een bevel tot een onmiddellijke aanhouding in de zin van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis mag in een voor het publiek niet toegankelijke plaats worden verricht vóór vijf uur 's morgens en na negen uur 's avonds. Hetzelfde geldt voor een aanhouding op het Belgische grondgebied op basis van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel of op basis van een regel van internationaal verdrags- of gewoonterecht waardoor België gebonden is.

Het in het eerste lid bedoelde verbod vindt geen toepassing : 1° wanneer een bijzondere wetsbepaling deze aanhouding 's nachts toelaat;2° wanneer een magistraat of een officier van gerechtelijke politie zich bij of na de vaststelling op heterdaad van een misdaad of wanbedrijf ter plaatse bevindt;3° in geval van verzoek of toestemming van de persoon die het werkelijk genot heeft van de plaats of de persoon bedoeld in artikel 46, 2°, van het Wetboek van Strafvordering;4° in geval van oproep vanuit die plaats;5° wanneer de aanhouding betrekking heeft op een misdrijf bedoeld in : - boek II, titel Iter, van het Strafwetboek, of; - boek II, titel VI, hoofdstuk I, van hetzelfde Wetboek, wanneer er ernstige aanwijzingen zijn dat er vuurwapens, explosieven, kernwapens, biologische of chemische wapens, of schadelijke of gevaarlijke stoffen waardoor bij ontsnapping mensenlevens in gevaar kunnen worden gebracht, kunnen worden aangetroffen.".

Art. 5.In artikel 1bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 5 augustus 1992, dat artikel 3 wordt, worden de woorden "in artikel 1, 3° " vervangen door de woorden "in de artikelen 1, tweede lid, 3°, en 2, tweede lid, 3° ". HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van artikel 90ter van het Wetboek van strafvordering

Art. 6.In artikel 90ter, § 2, van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij de wet van 30 juni 1994 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 juli 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) de bepaling onder 10° wordt vervangen als volgt : "10° boek II, titel IX, hoofdstuk I, sectie 2bis, en hoofdstuk Ibis van hetzelfde Wetboek;"; b) de bepaling onder 16° bis wordt ingevoegd, luidende : "16° bis artikel 47 van het decreet van het Vlaams Parlement van 15 juni 2012 betreffende de in-, uit-, doorvoer en overbrenging van defensiegerelateerde producten, ander voor militair gebruik dienstig materiaal, ordehandhavingsmateriaal, civiele vuurwapens, onderdelen en munitie;"; c) de bepaling onder 16° ter wordt ingevoegd, luidende : "16° ter artikel 20 van het decreet van het Waals Gewest van 21 juni 2012 betreffende de invoer, uitvoer, doorvoer en overdracht van civiele wapens en van defensiegerelateerde producten;"; d) de bepaling onder 16° quater wordt ingevoegd, luidende : "16° quater artikel 42 van de ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 20 juni 2013 betreffende de in-, uit-, doorvoer en overbrenging van defensiegerelateerde producten, ander voor militair gebruik dienstig materiaal, ordehandhavingsmateriaal, civiele vuurwapens, onderdelen, toebehoren en munitie ervan;"; e) de bepaling onder 16° quinquies wordt ingevoegd, luidende : "16° quinquies artikelen 8 tot 11, 14, 16, 19, 1°, 2°, 3°, 5° en 6°, 20, 22, 27 en 33 van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens, ook "Wapenwet" genoemd;". f) de bepaling onder 16° sexies wordt ingevoegd, luidende : "16° sexies de wet van 28 mei 1956 betreffende ontplofbare en voor de deflagratie vatbare stoffen en mengsels en de daarmede geladen tuigen;" g) de bepaling onder 16° septies wordt ingevoegd, luidende : "16° septies artikelen 21 tot 26 van het Samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering van de overeenkomst tot verbod van de ontwikkeling, de productie, de aanleg van voorraden en het gebruik van chemische wapens en inzake de vernietiging van deze wapens, gedaan te Parijs op 13 januari 1993;". HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt

Art. 7.Artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, ingevoegd bij de wet van 18 maart 2014, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende : " § 2. Wanneer de gezamenlijke uitoefening door alle of een deel van de overheden, organen, organismen, diensten, directies of de commissie bedoeld in artikel 44/11/3ter, elk binnen het kader van hun wettelijke bevoegdheden, van de opdrachten ter voorkoming en ter opvolging van het terrorisme in de zin van artikel 8, 1°, b) van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst, of het extremisme in de zin van artikel 8, 1°, c) van dezelfde wet wanneer dat tot terrorisme kan leiden, vereist dat deze de persoonsgegevens en de informatie met betrekking tot deze opdrachten structureren zodat ze rechtstreeks kunnen worden teruggevonden, worden deze persoonsgegevens en informatie verwerkt in een of meerdere gemeenschappelijke gegevensbanken.

De voorwaarden van de oprichting van de gemeenschappelijke gegevensbanken en van de verwerking van persoonsgegevens en informatie in deze gegevensbanken worden bepaald in artikel 44/11/3bis.

Artikel 139, tweede lid, van het Strafwetboek is van toepassing op de gemeenschappelijke gegevensbanken.".

Art. 8.In artikel 44/3 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 18 maart 2014 en gewijzigd bij de wet van 26 maart 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1, derde lid, worden de woorden "artikel 44/2" vervangen door de woorden "artikel 44/2, § 1";2° er wordt een paragraaf 1/1 ingevoegd, luidende : " § 1/1.Een consulent voor de veiligheid en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt gezamenlijk door de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie aangewezen voor de persoonsgegevens en de informatie die verwerkt worden in het kader van de gemeenschappelijke gegevensbanken bedoeld in artikel 44/2, § 2. Hij is voor deze gegevensbanken belast met de opdrachten bedoeld in § 1, vijfde lid, en meer in het bijzonder waakt hij over de algemene voorwaarden voor de rechtmatigheid van de verwerking zoals bepaald in de artikelen 4 tot 8 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.

Deze consulent voor de veiligheid en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer is tevens belast met de contacten met het Orgaan en het Comité bedoeld in artikel 44/6, tweede lid.

Hij oefent zijn taken volledig onafhankelijk uit ten overstaan van de overheden, organen, organismen, diensten, directies of de commissie bedoeld in artikel 44/11/3ter. Hij brengt rechtstreeks verslag uit aan de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie.

De functie van consulent voor de veiligheid en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer mag noch uitgevoerd worden door de beheerder noch door de operationeel verantwoordelijke respectievelijk bedoeld in artikel 44/11/3bis, §§ 9 en 10.

Na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer kan de Koning nadere regels bepalen volgens dewelke de consulent voor de veiligheid en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn opdrachten uitvoert onder meer in het kader van zijn relatie met de overheden, organen, organismen, diensten, directies of commissies bedoeld in artikel 44/11/3ter.".

Art. 9.In artikel 44/4 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 18 maart 2014 en gewijzigd bij de wet van 26 maart 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 2 wordt het tweede lid aangevuld met de woorden "voor wat de gegevensbanken bedoeld in artikel 44/2, § 1 betreft". 2° paragraaf 2 wordt aangevuld met een lid, luidende : "De beheerder waarborgt de goede uitvoering van deze richtlijnen voor wat de gegevensbanken bedoeld in artikel 44/2, § 2, betreft.".

Art. 10.In artikel 44/5 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 18 maart 2014, worden de woorden "artikel 44/2" telkens vervangen door de woorden "artikel 44/2, § 1".

Art. 11.In artikel 44/6 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 18 maart 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden "artikel 44/2" worden vervangen door de woorden "artikel 44/2, § 1", 2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende : "Met eerbied voor de uitoefening van hun respectievelijke bevoegdheden, wordt de controle op de verwerking van de in de gegevensbanken bedoeld in artikel 44/2, § 2, vervatte informatie en persoonsgegevens gezamenlijk verzekerd door : a) het Controleorgaan op de politionele informatie;b) het Vast Comité van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, bedoeld in artikel 28 van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse. Zij kunnen op elk moment de aanbevelingen uitvaardigen die zij noodzakelijk achten voor de in de gemeenschappelijke gegevensbanken uitgevoerde verwerkingen.".

Art. 12.In artikel 44/11/3, § 4 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 18 maart 2014, worden de woorden "artikel 44/2" vervangen door de woorden "artikel 44/2, § 1".

Art. 13.In hoofdstuk IV, afdeling 1bis, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 18 maart 2014 en gewijzigd bij de wet van 26 maart 2014, wordt een onderafdeling 7bis ingevoegd die de artikelen 44/11/3bis tot 44/11/3quinquies bevat, luidende : "Onderafdeling 7bis. De gemeenschappelijke gegevensbanken.

Art. 44/11/3bis. § 1. Voor de gezamenlijke uitoefening van de opdrachten bedoeld in artikel 44/2, § 2, kunnen de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie gezamenlijk gemeenschappelijke gegevensbanken oprichten waarvan zij de verantwoordelijken voor de verwerking worden. § 2. De oprichting van een gemeenschappelijke gegevensbank wordt gemotiveerd door een van de volgende doeleinden : 1° de strategische, tactische of operationele noodzaak om gezamenlijk persoonsgegevens en informatie te verwerken voor het uitoefenen van de respectievelijke bevoegdheden van de overheden, organen, organismen, diensten, directies of de commissie bedoeld in artikel 44/2, § 2;2° de hulp bij het nemen van beslissingen door de bestuurlijke overheden of de overheden van bestuurlijke politie of van gerechtelijke politie. § 3. Voorafgaand aan haar oprichting, doen de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie aangifte van de gemeenschappelijke gegevensbank alsook van de verwerkingsmodaliteiten, waaronder deze met betrekking tot de registratie van de gegevens en van de verschillende categorieën en types van persoonsgegevens en informatie die verwerkt worden bij het Comité en het Orgaan bedoeld in artikel 44/6, tweede lid, die gezamenlijk een advies uitbrengen binnen de 30 dagen vanaf de ontvangst van de aangifte. § 4. De gemeenschappelijke gegevensbanken maken de verwerking van verschillende categorieën van persoonsgegevens mogelijk onder meer met betrekking tot personen, groeperingen, organisaties en fenomenen die toereikend, ter zake dienend en niet overmatig zijn in verhouding tot de opdrachten bedoeld in artikel 44/2, § 2, en de doeleinden bedoeld in § 2.

Voor elke gemeenschappelijke gegevensbank bepaalt, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de types van verwerkte persoonsgegevens, de regels op het gebied van de verantwoordelijkheden op het vlak van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de organen, diensten, overheden en organismen die gegevens verwerken, de regels op het gebied van de veiligheid van de verwerkingen, de regels van het gebruik, de bewaring en de uitwissing van de gegevens. § 5. Onverminderd de archiefwet van 24 juni 1955, worden de in de gemeenschappelijke gegevensbanken bewaarde persoonsgegevens uitgewist vanaf het ogenblik dat de doeleinden bedoeld in § 2 verdwijnen, en ten laatste 30 jaar na de laatste verwerking.

Na de laatste verwerking wordt er minimaal om de drie jaar onderzocht of de persoonsgegevens nog steeds een rechtstreeks verband houden met een van de doeleinden van § 2. Indien dit niet het geval is, worden de gegevens uitgewist. § 6. Alle door de directies, diensten, organen, organismen, overheden of de commissie uitgevoerde verwerkingen in de gemeenschappelijke gegevensbanken maken het voorwerp uit van een oplijsting die bewaard wordt gedurende 30 jaar vanaf de in de gemeenschappelijke gegevensbanken uitgevoerde verwerking. § 7. De persoonsgegevens en de informatie die uitgewist moeten worden, kunnen gearchiveerd worden gedurende een termijn van maximum 30 jaar.

Na afloop van deze termijn, worden deze gegevens en informatie uitgewist onverminderd de archiefwet van 24 juni 1955.

De raadpleging van de archieven van een gemeenschappelijke gegevensbank mag slechts gebeuren in het kader van de volgende doeleinden : 1° de ondersteuning bij het bepalen en het uitwerken van het politie- en veiligheidsbeleid inzake terrorisme en extremisme dat tot terrorisme kan leiden;2° de verwerking van de antecedenten in het kader van onderzoek met betrekking tot een terrorismemisdaad;3° de verdediging in rechte van de overheden bedoeld in artikel 44/11/3bis, § 2, 2°. Het resultaat van de exploitatie van de archieven van de gemeenschappelijke gegevensbank voor het in het eerste lid, 1°, bedoelde doeleinde is geanonimiseerd. § 8. Bijkomende nadere beheersregels van de gemeenschappelijke gegevensbanken kunnen bepaald worden door een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. § 9. Voor elke gemeenschappelijke gegevensbank wordt op gezamenlijk voorstel van de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie door de Koning een beheerder aangewezen. Deze beheerder is belast met het technisch en functioneel beheer van de gemeenschappelijke gegevensbank.

De beheerder verzekert minstens de volgende opdrachten : - het creëren en het ter beschikking stellen van de gemeenschappelijke gegevensbank door een beroep te doen op de noodzakelijke technische middelen op basis van de mogelijkheden die voortvloeien uit de ICT-omgeving eigen aan zijn dienst; - het beheren van de gemeenschappelijke gegevensbank en er het onderhoud van verzekeren; - het in functionele regels vertalen van de door de ministers krachtens § 3 aangegeven nadere regels met betrekking tot de verwerking van de informatie; - de technische normen bepalen en doen toepassen die noodzakelijk zijn voor de werking van de gemeenschappelijke gegevensbank; - een advies op technisch en/of functioneel vlak verstrekken op vraag van de operationeel verantwoordelijke of van de consulent voor de veiligheid en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer; - de rechten en de toegangen organiseren tot de in de gemeenschappelijke gegevensbank te voeren verwerkingen; - een documentatie en een technische ondersteuning aanbieden; - het zowel op technisch als op functioneel vlak beheren en behandelen van de rapportering van de veiligheidsincidenten. § 10. Voor elke gemeenschappelijke gegevensbank wordt op gezamenlijk voorstel van de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie een operationeel verantwoordelijke door de Koning aangewezen. Deze verantwoordelijke is belast met het operationeel beheer van de gemeenschappelijke gegevensbank.

De operationeel verantwoordelijke verzekert minstens de volgende opdrachten : - het controleren van de kwaliteit van de in de gemeenschappelijke gegevensbank verwerkte gegevens en zich verzekeren van de relevantie ervan in verhouding tot de doeleinden waarvoor de gegevensbank opgericht werd; - een coördinatiefunctie uitoefenen voor de voeding van de gemeenschappelijke gegevensbank door de verschillende diensten; - het organiseren van de passende samenwerking tussen de partnerdiensten met het oog op de verwezenlijking van de voorziene doeleinden; - er op toe zien dat de exploitatie van de persoonsgegevens en de informatie beantwoordt aan de in § 2, beschreven doeleinden. § 11. Voor elke gemeenschappelijke gegevensbank, kunnen bijzondere opdrachten van de beheerder en van de operationeel verantwoordelijke bepaald worden door de Koning.

Art. 44/11/3ter. § 1. Op basis van de behoefte om te kennen, zijn alle of een gedeelte van de persoonsgegevens en informatie van de gemeenschappelijke gegevensbanken rechtstreeks toegankelijk voor het Orgaan en de volgende diensten die belast zijn met bevoegdheden in de materies bedoeld in artikel 44/2, § 2 : a) het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse;b) de geïntegreerde politie;c) de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. § 2. Op basis van de behoefte om te kennen, onder meer op strategisch, tactisch of operationeel vlak, kunnen de persoonsgegevens en de informatie van de gemeenschappelijke gegevensbanken meegedeeld worden aan of rechtstreeks toegankelijk zijn voor de volgende diensten of het voorwerp uitmaken van een rechtstreekse bevraging door deze diensten wanneer zij belast zijn met bevoegdheden in de domeinen die voorzien zijn in artikel 44/2, § 2 : a) de Vaste Commissie voor de lokale politie;b) de Algemene Directie Crisiscentrum;c) de Algemene Directie Veiligheid en Preventie van de Federale overheidsdienst Binnenlandse Zaken;d) het directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen en de penitentiaire inrichtingen;e) de Federale overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Directoraat-generaal Consulaire Zaken;f) het Openbaar Ministerie;g) de Cel voor Financiële Informatieverwerking;h) de Dienst Vreemdelingenzaken;i) de onderzoeks- en opsporingsdiensten van de Algemene Administratie der douane en accijnzen. De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, het type toegang en de nadere regels ervan voor de organen, overheden, directies of diensten bedoeld in het eerste lid. § 3. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer andere Belgische openbare overheden, andere openbare organen of organismen of andere organen of organismen van openbaar nut aanwijzen die door de wet belast zijn met de toepassing van de strafwet of die wettelijke opdrachten van openbare veiligheid hebben, die, wanneer zij belast zijn met bevoegdheden in de domeinen die voorzien zijn in artikel 44/2, § 2, op basis van de behoefte om te kennen, onder meer op strategisch, tactisch of operationeel vlak een toegang kunnen hebben tot de gemeenschappelijke gegevensbanken.

De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, het type toegang en de nadere regels ervan voor de organen, overheden, directies of diensten bedoeld in het eerste lid.

Bovendien wijzen de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie gezamenlijk, op basis van de behoefte om te kennen, onder meer op strategisch, tactisch of operationeel vlak, de organen, overheden of organismen bedoeld in het eerste lid aan aan welke de uit de gemeenschappelijke gegevensbanken voortkomende persoonsgegevens en informatie kunnen meegedeeld worden.

Deze organen, overheden of organismen worden bepaald in de voorafgaande aangifte bedoeld in artikel 44/11/3bis, § 3. § 4. Het Orgaan en de diensten bedoeld in § 1 alsook de directies, diensten, organen, organismen, overheden of commissie bedoeld in §§ 2 en 3 die rechtstreeks toegang hebben tot de gemeenschappelijke gegevensbanken zenden ambtshalve de in artikel 44/2, § 2, bedoelde persoonsgegevens en informatie aan de gemeenschappelijke gegevensbanken toe. Deze persoongegevens en informatie worden onder hun verantwoordelijkheid en volgens hun interne validatieprocedures opgenomen in de gemeenschappelijke gegevensbanken overeenkomstig de nadere regels die worden bepaald door de Koning, na het advies bedoeld in artikel 44/11/3bis, § 3 te hebben ontvangen.

De persoonsgegevens en informatie ingevoerd in de gemeenschappelijke gegevensbanken worden onverwijld meegedeeld aan de korpschef van elke betrokken politiezone. Met naleving van de voorwaarden bepaald in en met toepassing van artikel 44/1, § 4, informeert hij de bevoegde bestuurlijke politieoverheden. § 5. In afwijking van § 4, wordt de verplichting tot voeding van de gemeenschappelijke gegevensbanken uitgesteld wanneer en zolang de bevoegde magistraat, met instemming van de federale procureur, meent dat deze voeding de uitoefening van de strafvordering of de veiligheid van een persoon in het gedrang kan brengen. In voorkomend geval kan de federale procureur de nadere regels voor deze afwijking bepalen. De federale procureur gaat op regelmatige tijdstippen de noodzaak tot behoud van het uitstel van de voeding van de gemeenschappelijke gegevensbanken na.

In afwijking van § 4, wordt de verplichting tot voeding van de gemeenschappelijke gegevensbanken uitgesteld wanneer en zolang de leidinggevende van een inlichtingen- en veiligheidsdienst oordeelt dat de deze voeding de veiligheid van een persoon in gevaar kan brengen of wanneer de informatie afkomstig is van een buitenlandse dienst die uitdrukkelijk gevraagd heeft deze niet aan andere diensten toe te zenden.

Art. 44/11/3quater. Met als doel het voorkomen en het bestrijden van het terrorisme en het extremisme dat tot terrorisme kan leiden, te versterken, kunnen de van een gemeenschappelijke gegevensbank afkomstige persoonsgegevens en informatie volgens de door de Koning bepaalde nadere regels, na evaluatie door de beheerder, de operationeel verantwoordelijke, het Orgaan en de diensten bedoeld in artikel 44/11/3ter, § 1, meegedeeld worden aan een derde overheid of een derde eenheid.

Art. 44/11/3quinquies. Voor de doeleinden bedoeld in artikel 44/2, § 2, en onverminderd de internationale rechtsregels die België verbinden, kunnen de persoonsgegevens en de informatie van de gemeenschappelijke gegevensbanken in overeenstemming met artikel 44/11/13 meegedeeld worden aan buitenlandse politiediensten, aan de internationale organisaties voor gerechtelijke en politionele samenwerking en aan de internationale rechtshandhavingdiensten.

Voor de doeleinden bedoeld in artikel 44/2, § 2, en onverminderd de internationale rechtsregels die België verbinden, kunnen de persoonsgegevens en de informatie van de gemeenschappelijke gegevensbanken in overeenstemming met de artikelen 21 en 22 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, meegedeeld worden aan de buitenlandse inlichtingendiensten en aan de organen die belast zijn met de analyse van de dreiging of hun gelijken.

De Koning bepaalt de nadere regels van de mededeling bedoeld in het eerste en het tweede lid.". HOOFDSTUK 5. - Wijziging van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens

Art. 14.In artikel 3, § 4, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, ingevoegd bij de wet van 11 december 1998 en gewijzigd bij de wetten van 3 mei 2005 en 10 juli 2006, worden de woorden "door de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie en bedoeld in artikel 44/2, § 2 van de wet op het politieambt" ingevoegd tussen de woorden "veiligheidsofficieren" en de woorden "en door het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingendiensten".

Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Gegeven te Brussel, 27 april 2016.

FILIP Van Koningswege : De minister van Justitie, K. GEENS Met 's Lands zegel gezegeld : De minister van Justitie, K. GEENS _______ Nota (1) Kamer van volksvertegenwoordigers (www.dekamer.be) : Stukken : 54-1727 Integraal verslag : 14 april 2016.


begin


Publicatie : 2016-05-

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^