Etaamb.openjustice.be
Wet van 27 juli 2001
gepubliceerd op 14 mei 2002

Wet houdende eerste aanpassing van de Algemene uitgavenbegroting van het begrotingsplan 2001

bron
ministerie van financien
numac
2001003399
pub.
14/05/2002
prom.
27/07/2001
ELI
eli/wet/2001/07/27/2001003399/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

MINISTERIE VAN FINANCIEN


27 JULI 2001. - Wet houdende eerste aanpassing van de Algemene uitgavenbegroting van het begrotingsplan 2001 (1)


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen Art. 1-01-1 Deze wet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 74, 3° van de Grondwet.

Art. 1-01-2 De Algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 2001 wordt aangepast : 1° - wat betreft de kredieten ingeschreven voor de Dotaties, overeenkomstig de desbetreffende bij deze wet gevoegde tabel;2° - wat betreft de kredieten per programma, overeenkomstig de totalen van de programma's zoals vermeld in de bij deze wet gevoegde aangepaste departementale begrotingen. Art. 1-01-3 « Art. 1-01-3. - In afwijking van artiken 28, eerste lid, van de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de rijkscomptabiliteit worden de uitgaven van de in 2001 opgerichte federale overheidsdiensten (FOD's) en programmatorische overheidsdiensten (POD's) in het kader van de Copernicushervorming aangerekend op de meest geëigende programma's van de huidige secties van de algemene uitgavenbegroting. » HOOFDSTUK 2. - Bijzondere bepalingen van de departementen Sectie 12. - Ministerie van Justitie Art. 2.12.1 In artikel 2.12.1 van de wet van 22 december 2000 houdende de Algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 2001 wordt het eerste lid aangevuld als volgt : « c) geldvoorschotten tot een maximumbedrag van 100 000 000 frank kunnen worden verleend aan de buitengewone rekenplichtigen van het Departement belast met de betaling van de hulpgelden aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden toegekend door de Commissie ad hoc. » Art. 2.12.2 In artikel 2.12.3 van dezelfde wet wordt het volgende lid toegevoegd : « De terugvordering van de voorschotten onder de vorm van lening toegekend aan de personeelsleden, kan, in voorkomend geval, worden uitgevoerd overeenkomstig art. 23, 4°, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers. » Art. 2.12.3 In artikel 2.12.7 van dezelfde wet wordt het programma 40/3 - Studies en documentatie, aangevuld als volgt : « 5. Toelage aan de Kinderrechtencoalitie Vlaanderen en de "Coordination des ONG pour les droits de l'enfant". » Art. 2.12.4 In afwijking van artikel 15 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991, mogen herverdelingen doorgevoerd worden van de basisallocatie 56.31.12.01 naar de basisallocatie 56.03.12.40.

Sectie 13. - Ministerie van Binnenlandse Zaken Art. 2.13.1 Het artikel 2.13.3 van de wet van 22 december 2000 houdende de Algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 2001 wordt aangevuld als volgt : "PROGRAMMA 59/0 - BESTAANSMIDDELEN Toelage aan de « Association des Conseils d'Etat et des Juridictions administratives suprêmes de l'Union européenne. » Sectie 15. - Internationale Samenwerking Art. 2.15.1 In het artikel 2.15.1 van de wet van 22 december 2000 houdende de Algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 2001, wordt het maximumbedrag van de geldvoorschotten herleid van 25 000 000 frank tot 5 000 000 frank.

Art. 2.15.2 In het artikel 2.15.6 van dezelfde wet, wordt de vastleggingsmachtiging waarover het Belgisch Overlevingsfonds (basisallocatie 54.40.35.50) beschikt, verhoogd van 988 000 000 frank tot 1 330 000 000 frank.

Sectie 16. - Ministerie van Landsverdediging Art. 2.16.1 Artikel 2.16.4 van de wet van 22 december 2000 houdende de Algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 2001 wordt uigebreid met het volgende lid : « In het kader van de internationale samenwerking is de Minister van Landsverdediging ertoe gemachtigd, voor wat betreft de buitenlandse stagiairs, de kosten voor voeding, logement en dagelijkse kleine uitgaven, of de financiële tegenwaarde ervan ter beschikking gesteld van de stagiairs, in 2001 ten belope van 3 miljoen frank ten laste te nemen van de begroting. De Minister van Landsverdediging is gelast met de uitvoeringsmodaliteiten terzake in functie van de specificiteiten van de stage. » Art. 2.16.2 Het laatste lid van het artikel 2.16.6 van dezelfde wet wordt vervangen door het volgende lid : « Mogen eveneens volgens de onderhandelingsprocedure aangegaan worden, de met de instellingen van het NAVO-Bevoorradings- en Herstellingssysteem (NAVO-Bevoorradings- en Herstellingsagentschap en zijn ondergeschikte afdelingen), gesloten kopen, evenals deze gesloten met een lidstaat van de NAVO, in het kader van een internationaal akkoord, dat de bevoorrading in wisselstukken, het onderhoud of het in goede staat houden van het ingezet materiaal tot doel heeft. » Art. 2.16.3 In het artikel 2.16.13 van dezelfde wet, wordt het bedrag van 150 miljoen frank voor de aanwending van de betrokken ontvangsten vervangen door het bedrag van 250 miljoen frank.

Art. 2.16.4 De tekst van het artikel 2.16.14 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende tekst : « Conform artikel 150 van de wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, is de Minister van Landsverdediging ertoe gemachtigd om de ontvangsten te gebruiken voortvloeiend uit de vervreemding van onroerende goederen die deel uitmaken van het aan zijn beheer toevertrouwd onroerend patrimonium, geïnd en geboekt op de rekening 87.07.04.28.B van de sectie "Thesaurieverrichtingen voor orde".

In afwijking van artikel 143 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991, wordt de Minister van Landsverdediging ertoe gemachtigd de ontvangsten te gebruiken voortvloeiend uit de verkoop van houtkappingen op de domeinen die deel uitmaken van het aan zijn beheer toevertrouwd onroerend patrimonium, geïnd en geboekt op de rekening 87.07.04.28.B van de sectie "Thesaurieverrichtingen voor orde".

Met die ontvangsten is de Minister van Landsverdediging er toe gemachtigd om in 2001 verbintenissen aan te gaan ten belope van 802 miljoen frank waarvan 792 miljoen frank voor infrastructuurwerken in België ten behoeve van de Krijgsmacht en waarvan 10 miljoen frank voor de instandhouding en de controle van de beboste terreinen en waardevolle natuur- en bosgebieden op de domeinen beheerd door Landsverdediging. De betalingen worden beperkt tot 576 miljoen frank.

Zullen ook aangerekend worden op bovenvermelde rekening de met de bovenvermelde verrichtingen verbonden uitgaven.

De wetgeving inzake overheidsopdrachten en de daartoe horende delegaties zijn van toepassing op de uitgavenverrichtingen.

De uitgavenverrichtingen op deze rekening worden onderworpen aan het aan de juridische vastlegging voorafgaand advies van de Inspecteur van Financiën conform de bepalingen van de artikelen 14 en 15 van het koninklijk besluit van 16 november 1994 betreffende de administratieve en begrotingscontrole alsook aan het visum van het Rekenhof zoals bepaald in artikel 14 van de wet van 29 oktober 1846 op de inrichting van het Rekenhof. » Art. 2.16.5 Het artikel 2.16.17 van dezelfde wet wordt uitgebreid met het volgende lid : « De personeelsleden van Landsverdediging, die in toepassing van artikel 11, § 2, van de wet van 10 april 1973, houdende oprichting van de Centrale Dienst voor Sociale en Culturele Actie (CDSCA) ten behoeve van de leden van de militaire gemeenschap, ter beschikking zijn gesteld van CDSCA, blijven ten laste van de begroting van Landsverdediging. » Art. 2.16.6 In het artikel 2.16.18 van dezelfde wet wordt het woord "rijkswacht" vervangen door de woorden "federale politie".

Art. 2.16.7 De tweede zin van het derde lid van het artikel 2.16.19 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende zin : « Voor het jaar 2001 wordt de Minister van Landsverdediging gemachtigd om, binnen de perken van de ontvangsten, ten belope van 1 766 miljoen frank verbintenissen aan te gaan en betalingen te verrichten tot 2 169 miljoen frank voor investeringen ten behoeve van de Krijgsmacht. » Art. 2.16.8 In het artikel 2.16.21 van dezelfde wet, wordt voor investeringen ten behoeve van de Krijgsmacht, het bedrag van de verbintenissen van 75 miljoen frank vervangen door het bedrag van 338 miljoen frank en het bedrag van de betalingsmachtiging van 250 miljoen frank vervangen door het bedrag van 439 miljoen frank.

Art. 2.16.9 Het eerste lid van het artikel 2.16.27 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende tekst : « De Minister van Landsverdediging is er toe gemachtigd, voor wat betreft het personeel dat zich in het kader van hulpverlening en operationele inzet of van oefeningen in het buitenland bevindt voor een periode van ten minste twee weken, gedeeltelijk de kosten voor communicatie voor privé-doeleinden en de totaliteit van de kosten voor postzendingen voor privé-doeleinden ten laste te nemen van de begroting. » Art. 2.16.10 De Minister van Landsverdediging is er toe gemachtigd de burgerlijke en militaire personeelsleden te verzekeren voor risico's van overlijden en blijvende invaliditeit die zij lopen wanneer zij hun functie in het buitenland uitvoeren in het kader van operationele inzet van de Krijgsmacht of van hulpverlening. De verzekeringspremies worden volledig ten laste genomen van de begroting van Landsverdediging.

Art. 2.16.11 De Minister van Landsverdediging is er toe gemachtigd de hospitalisatie van de burgerlijke en militaire personeelsleden en hun gezinsleden te dekken door een hospitalisatieverzekering, conform de regeling van toepassing voor de ambtenaren van de federale departementen.

Art. 2.16.12 In afwijking van de bepalingen van artikel 28, tweede lid, van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991, wordt de Minister van Landsverdediging er toe gemachtigd met andere publieke instanties overeenkomsten af te sluiten voor het leveren van wederzijdse prestaties. De financiële regeling ervan zal bij wijze van verrekening geschieden, hetzij op het ogenblik dat de overeenkomst wordt beëindigd, hetzij na verloop van een overeengekomen termijn, hetzij in onderling overleg tussen de betrokken partijen. Het gebeurlijk saldo zal ofwel in natura gecompenseerd worden ofwel worden aangerekend op de begroting van Landsverdediging, of op de Rijksmiddelenbegroting ten bate van het begrotingsfonds voor prestaties tegen betaling.

Art. 2.16.13 In afwijking van de bepalingen van artikel 28, 2de lid, van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991, wordt de Minister van Landsverdediging er toe gemachtigd door middel van een gezamenlijke financiering door het Koninkrijk België en het Groot-Hertogdom Luxemburg een strategisch transportschip aan te schaffen.

In afwijking van de bepalingen van artikel 19 van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, wordt de Minister van Landsverdediging er toe gemachtigd één enkele opdracht, die conform de bepalingen van voormelde wet van 24 december 1993 wordt gegund, af te sluiten, met als doel de gezamenlijke aankoop van een strategisch transportschip met het Groot-Hertogdom Luxemburg, dat hem hiertoe mandateert.

De uitgavenverrichtingen in het kader van deze opdracht worden onderworpen aan het aan de juridische vastlegging voorafgaand advies van de Inspecteur van Financiën conform de bepalingen van het koninklijk besluit van 16 november 1994 betreffende de administratieve en begrotingscontrole alsook aan het visum van het Rekenhof zoals bepaald in artikel 14 van de wet van 29 oktober 1846 op de inrichting van het Rekenhof.

Sectie 18. - Ministerie van Financiën Art. 2.18.1 De hieronder vermelde betaalstukken worden ontheven van de vijfjarige verjaring. Ze worden opnieuw opeisbaar en betaalbaar gedurende het jaar dat volgt op de dag van het van kracht worden van deze wet.

Deze van de verjaring ontheven betaalstukken kunnen enkel het voorwerp uitmaken van een vordering tot verwijlintresten, in de mate dat de betaling ervan plaats vond na de zestigste dag die volgt op het opnieuw indienen ervan. De betalingstermijn van zestig dagen vat ten vroegste aan op de dag van het van kracht worden van deze wet.

De uitgaven verbonden aan deze van verjaring ontheven betaalstukken worden aangerekend op de begrotingsmiddelen van het lopend begrotingsjaar van de volgende basisallocaties : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld

^