Etaamb.openjustice.be
Wet van 27 maart 2009
gepubliceerd op 07 april 2009

Economische Herstelwet

bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
numac
2009201450
pub.
07/04/2009
prom.
27/03/2009
ELI
eli/wet/2009/03/27/2009201450/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)Kamer (parl. doc.)Senaat (fiche)
Document Qrcode

27 MAART 2009. - Economische Herstelwet (1)


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : TITEL 1. - Algemene bepaling

Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

TITEL 2. - Financiën HOOFDSTUK 1. - Energiebesparende uitgaven Intrestbonificatie

Art. 2.Er wordt door de Staat een intrestbonificatie van 1,5 pct. toegekend voor elke leningovereenkomst die door een natuurlijke persoon wordt gesloten met een kredietgever als bedoeld in artikel 2, 5°, van de wet van 10 augustus 2001 betreffende de Centrale voor kredieten aan particulieren, en die bestemd is om uitgaven als bedoeld in artikel 14524, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 te financieren.

De Koning bepaalt, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de toepassingsvoorwaarden en modaliteiten van het eerste lid, inzonderheid de modaliteiten van de leningovereenkomst en de toekenning van de intrestbonificatie.

Het eerste lid is van toepassing op de leningovereenkomsten die worden gesloten vanaf 1 januari 2009 tot en met 31 december 2011.

Art. 3.In titel II, hoofdstuk III, afdeling I, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt het opschrift van onderafdeling IIquinquies, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2001 en gewijzigd bij de wet van 27 april 2007, vervangen als volgt : « Onderafdeling IIquinquies. - Vermindering voor energiebesparende uitgaven, voor passiefhuizen en voor interesten die betrekking hebben op leningovereenkomsten ter financiering van energiebesparende uitgaven ».

Art. 4.In artikel 14524 van hetzelfde Wetboek, laatst gewijzigd bij de wet van 27 april 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° paragraaf 1, eerste lid, 5°, wordt aangevuld met de woorden « , de muren en de vloeren »;2° in paragraaf 1 wordt het vijfde lid, opgeheven bij de wet van 27 december 2005, hersteld als volgt : « Wanneer het totaal van de verschillende belastingverminderingen het in het vierde lid beoogde grensbedrag overschrijdt, kan het overschot worden overgedragen op de drie belastbare tijdperken volgend op dat waarin de uitgaven werkelijk werden gedaan, zonder per belastbaar tijdperk, de uitgaven van het belastbaar tijdperk inbegrepen, het voormelde grensbedrag te overschrijden.Deze overdracht is enkel van toepassing wanneer de in het eerste lid bedoelde uitgaven betrekking hebben op werken die worden verricht aan een woning waarvan de ingebruikneming ten minste vijf jaar voorafgaat aan de aanvang van die werken. »; 3° in paragraaf 1 wordt het vijfde lid, dat het zesde lid wordt, vervangen als volgt : « Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, wordt de belastingvermindering voor de uitgaven met betrekking tot een in het eerste lid bedoelde woning evenredig omgedeeld in functie van het belastbaar inkomen van elk der echtgenoten ten opzichte van de som van de belastbare inkomsten van de beide echtgenoten.»; 4° in paragraaf 2 wordt het zesde lid vervangen als volgt : « Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, wordt de belastingvermindering voor de uitgaven met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde woning evenredig omgedeeld in functie van het belastbaar inkomen van elk der echtgenoten ten opzichte van de som van de belastbare inkomsten van de beide echtgenoten.»; 5° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 3, luidende : « § 3.Een belastingvermindering wordt verleend aan de in § 1, eerste lid, bedoelde belastingplichtige voor de interesten die betrekking hebben op leningovereenkomsten als bedoeld in artikel 2 van de economische herstelwet van 27 maart 2009.

De belastingvermindering bedraagt 40 pct. van de interesten die werkelijk werden gedragen tijdens het belastbaar tijdperk na aftrek van de tussenkomst van de Staat bedoeld in artikel 2 van de economische herstelwet van 27 maart 2009.

De belastingvermindering is niet van toepassing op de interesten : a) die in aanmerking werden genomen als werkelijke beroepskosten;b) waarvoor de toepassing van de artikelen 14, 104, 9°, of 526 werd gevraagd. Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, wordt de in het eerste lid bedoelde belastingvermindering evenredig omgedeeld in functie van het belastbaar inkomen van elk der echtgenoten ten opzichte van de som van de belastbare inkomsten van de beide echtgenoten.

De Koning bepaalt de toepassingsmodaliteiten van de vermindering. ».

Art. 5.In artikel 156bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de programmawet van 8 juni 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht : A. a) het eerste lid wordt vervangen als volgt : « Het deel van de in de artikelen 1451 tot 156 bedoelde verminderingen dat geen aanleiding geeft tot een daadwerkelijke vermindering van de belasting die verschuldigd is na toepassing van artikel 156, wordt in de mate dat het betrekking heeft op de uitgaven gedaan voor prestaties betaald met dienstencheques als bedoeld in de artikelen 14521 tot 14523 omgezet in een terugbetaalbaar belastingkrediet. »; b) het tweede en derde lid worden opgeheven; B. a) het eerste lid, zoals het is vervangen bij A, a), wordt vervangen als volgt : « Het deel van de in de artikelen 1451 tot 156 bedoelde verminderingen dat geen aanleiding geeft tot een daadwerkelijke vermindering van de belasting die verschuldigd is na toepassing van artikel 156, wordt omgezet in een terugbetaalbaar belastingkrediet in de mate dat het betrekking heeft op : 1° de uitgaven gedaan voor prestaties betaald met dienstencheques als bedoeld in de artikelen 14521 tot 14523;2° de werkelijk betaalde energiebesparende uitgaven bedoeld in artikel 14524, § 1, eerste lid, 5°.»; b) het vierde lid, dat het tweede lid is geworden, wordt als volgt vervangen : « Het eerste lid, 1°, is niet van toepassing van zodra het belastbare inkomen van de belastingplichtige het in artikel 131, eerste lid, 1°, bedoelde bedrag overschrijdt.».

Art. 6.Artikel 2 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2009.

Artikel 4, 1°, is van toepassing op de uitgaven die werkelijk zijn betaald in 2009 en 2010.

Artikel 4, 2° tot 4°, is van toepassing vanaf het aanslagjaar 2010.

Artikel 4, 5°, is van toepassing op de interesten gedragen vanaf 1 januari 2009.

Artikel 5, A, is van toepassing vanaf aanslagjaar 2009.

Artikel 5, B, is van toepassing op de in artikel 156bis, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde uitgaven die werkelijk zijn betaald in 2009 en 2010. HOOFDSTUK 2. - Maaltijdcheques

Art. 7.In artikel 53 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt de bepaling onder 14° vervangen als volgt : « 14° sociale voordelen die zijn toegekend aan werknemers, gewezen werknemers of hun rechtverkrijgenden en ten name van de verkrijgers zijn vrijgesteld ingevolge artikel 38, § 1, eerste lid, 11°, met uitzondering van de in voorkomend geval tot 1 euro per maaltijdcheque beperkte tussenkomst van de werkgever of de onderneming in de maaltijdcheques wanneer die tussenkomst een sociaal voordeel uitmaakt.

Het voornoemde bedrag wordt niet geïndexeerd overeenkomstig artikel 178; ».

Art. 8.Artikel 7 heeft uitwerking met ingang van 1 februari 2009. HOOFDSTUK 3. - Personenbelasting en bedrijfsvoorheffing

Art. 9.In artikel 147 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vervangen bij de wet van 10 augustus 2001 en gewijzigd bij de wetten van 23 december 2005, 20 juli 2006, 27 december 2006 en 17 mei 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid, 2°, a, derde streepje, worden de woorden « in artikel 31bis, eerste lid, tweede streepje, » vervangen door de woorden « in artikel 31bis, eerste lid, 1°, tweede streepje, »; 2° in het eerste lid worden de bepalingen onder 5° en 6°, opgeheven bij de wet van 23 december 2005, hersteld als volgt : « 5° als het netto-inkomen uitsluitend uit werkloosheidsuitkeringen ingevolge tijdelijke werkloosheid bestaat : 1.344,57 euro; 6° als het netto-inkomen gedeeltelijk uit werkloosheidsuitkeringen ingevolge tijdelijke werkloosheid bestaat : een gedeelte van het in 5° bedoelde bedrag, welk gedeelte evenredig is met de verhouding tussen het nettobedrag van werkloosheidsuitkeringen ingevolge tijdelijke werkloosheid enerzijds en het netto-inkomen anderzijds;»; 3° in het eerste lid worden in de bepaling onder 7° de woorden « , met uitsluiting van de in 5° bedoelde werkloosheidsuitkeringen, » ingevoegd tussen de woorden « werkloosheidsuitkeringen » en « bestaat »;4° in het eerste lid wordt in de bepaling onder 8° het woord « werkloosheidsuitkeringen » telkens vervangen door de woorden « werkloosheidsuitkeringen, met uitsluiting van de in 5° bedoelde werkloosheidsuitkeringen, »;5° het artikel wordt aangevuld met een derde lid, luidende : « Onder werkloosheidsuitkeringen ingevolge tijdelijke werkloosheid als bedoeld in het eerste lid, 5° en 6°, worden verstaan de wettelijke en extrawettelijke werkloosheidsuitkeringen betaald aan een tijdelijke werkloze als bedoeld in de artikelen 26, 28 en 49 tot 51 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en de artikelen 27, 106 tot 108bis en 133 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering.».

Art. 10.Artikel 149 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 10 augustus 2001, wordt opgeheven.

Art. 11.In artikel 150 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 10 augustus 2001 en gewijzigd bij de wet van 23 december 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid worden de woorden « vermindering voor werkloosheidsuitkeringen, » vervangen door de woorden « vermindering voor werkloosheidsuitkeringen als bedoeld in artikel 147, eerste lid, 7° en 8°, »;2° het tweede en derde lid worden vervangen als volgt : « De vermindering voor werkloosheidsuitkeringen bedoeld in artikel 147, eerste lid, 7° en 8°, wordt voor beide echtgenoten samen berekend.Daarbij worden respectievelijk de werkloosheidsuitkeringen, met uitsluiting van de in artikel 147, eerste lid, 5°, bedoelde werkloosheidsuitkeringen, de netto-inkomens en de belastbare inkomens van beide echtgenoten samengeteld om de vermindering en de grenzen te berekenen.

De overeenkomstig het tweede lid berekende vermindering voor werkloosheidsuitkeringen wordt daarna omgedeeld per belastingplichtige in verhouding tot het aandeel van de werkloosheidsuitkeringen, met uitsluiting van de in artikel 147, eerste lid, 5°, bedoelde werkloosheidsuitkeringen, die na toepassing van de artikelen 87 en 88 ten zijnen name worden belast, in het totaal van de werkloosheidsuitkeringen, met uitsluiting van de in artikel 147, eerste lid, 5°, bedoelde werkloosheidsuitkeringen, van beide echtgenoten. ».

Art. 12.In artikel 151 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 10 augustus 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in de eerste zin worden de woorden « wordt de vermindering voor werkloosheidsuitkeringen, » vervangen door de woorden « worden de verminderingen voor werkloosheidsuitkeringen bedoeld in artikel 147, eerste lid, 5° tot 8°, »;2° in de tweede zin worden de woorden « wordt die vermindering slechts verleend » vervangen door de woorden « worden die verminderingen slechts verleend ».

Art. 13.In artikel 154bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 3 juli 2005 en gewijzigd bij de programmawet van 27 december 2006 en bij de wetten van 27 december 2006 en 17 mei 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid wordt vervangen als volgt : « Er wordt een belastingvermindering verleend aan de werknemers die gedurende het belastbare tijdperk overwerk hebben gepresteerd dat, overeenkomstig artikel 29 van de arbeidswet van 16 maart 1971 of artikel 7 van het koninklijk besluit nr.213 van 26 september 1983 betreffende de arbeidsduur in de ondernemingen die onder het paritair comité voor het bouwbedrijf ressorteren, recht geeft op een overwerktoeslag en die : - hetzij onderworpen zijn aan de arbeidswet van 16 maart 1971 en die tewerkgesteld zijn door een werkgever onderworpen aan de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités; - hetzij als de contractuele of statutaire werknemers tewerkgesteld zijn door één van de volgende autonome overheidsbedrijven : de naamloze vennootschap van publiek recht Belgacom, de naamloze vennootschap van publiek recht NMBS-Holding, de naamloze vennootschap van publiek recht NMBS en de naamloze vennootschap van publiek recht Infrabel; »; 2° in het tweede lid worden de woorden « 65 uren » telkens vervangen door de woorden « 100 uren »;3° in het eerste lid worden de woorden « de naamloze vennootschap van publiek recht De Post, » ingevoegd tussen de woorden « de naamloze vennootschap van publiek recht Belgacom, » en de woorden « de naamloze vennootschap van publiek recht NMBS Holding, »;4° in het tweede lid worden de woorden « 100 uren » telkens vervangen door de woorden « 130 uren ».

Art. 14.In artikel 243, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 22 december 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het tweede lid worden in de bepaling onder 1° de woorden « in artikel 147, 1° en 7°, vermelde » vervangen door de woorden « in artikel 147, eerste lid, 1°, 5° en 7°, bedoelde »;2° in het tweede lid, in de bepaling onder 3°, worden de woorden « in artikel 147, 9°, vermelde » vervangen door de woorden « in artikel 147, eerste lid, 9°, bedoelde »;3° het derde lid wordt vervangen als volgt : « Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd en het inkomen geheel of gedeeltelijk uit werkloosheidsuitkeringen, met uitsluiting van de in artikel 147, eerste lid, 5°, bedoelde werkloosheidsuitkeringen bestaat, wordt de vermindering voor die werkloosheidsuitkeringen bedoeld in artikel 147, eerste lid, 7°, die overeenkomstig het vorige lid werd berekend, voor beide echtgenoten samen slechts éénmaal verleend.».

Art. 15.In artikel 2751 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 3 juli 2005 en gewijzigd bij de programmawet van 27 december 2006 en bij de wet van 17 mei 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het tweede lid wordt aangevuld met een derde streepje, luidende : « - de volgende autonome overheidsbedrijven : de naamloze vennootschap van publiek recht Belgacom, de naamloze vennootschap van publiek recht NMBS-Holding, de naamloze vennootschap van publiek recht NMBS en de naamloze vennootschap van publiek recht Infrabel.»; 2° in het zesde lid worden de woorden « voor de eerste 65 uren » vervangen door de woorden « voor de eerste 100 uren »;3° in het tweede lid, derde streepje, worden de woorden « de naamloze vennootschap van publiek recht De Post, » ingevoegd tussen de woorden « de naamloze vennootschap van publiek recht Belgacom, » en de woorden « de naamloze vennootschap van publiek recht NMBS Holding, »;4° in het zesde lid worden de woorden « voor de eerste 100 uren » telkens vervangen door de woorden « voor de eerste 130 uren ».

Art. 16.In artikel 2753, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 23 december 2005 en gewijzigd bij de wetten van 23 december 2005, 27 december 2006, 25 april 2007 en 8 juni 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid worden de woorden « van 50 pct.van die bedrijfsvoorheffing, » vervangen door de woorden « van 75 pct. van die bedrijfsvoorheffing, »; 2° in het tweede lid worden de woorden « ten belope van 65 pct.» vervangen door de woorden « ten belope van 75 pct. »; 3° het zevende lid wordt opgeheven.

Art. 17.In artikel 2755 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 23 december 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht : A. In paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden « 5,63 pct. » vervangen door de woorden « 15,6 pct. »;

B. paragraaf 1, laatste lid, wordt vervangen als volgt : « Deze vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing wordt enkel toegekend voor werknemers die, overeenkomstig de arbeidsregeling waarin zij tewerkgesteld zijn, over de betrokken maand waarvoor het voordeel wordt gevraagd, tenminste een derde van hun arbeidstijd in ploegen- of nachtarbeid zijn tewerkgesteld. Voor de toepassing van deze norm worden, naast de effectieve arbeidsprestaties, ook de schorsingen van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst waarvoor het loon wordt doorbetaald, mee in de teller opgenomen. Perioden van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst zonder loon, worden niet meegerekend in de noemer. ».

C. In paragraaf 2 worden de bepalingen onder 1° en 2° vervangen als volgt : « 1° ondernemingen waar ploegenarbeid wordt verricht : de ondernemingen waar het werk wordt verricht in minstens twee ploegen van minstens twee werknemers, die hetzelfde werk doen zowel qua inhoud als qua omvang en die elkaar in de loop van de dag opvolgen zonder dat er een onderbreking is tussen de opeenvolgende ploegen en zonder dat de overlapping meer bedraagt dan een vierde van hun dagtaak : a) hetzij door werknemers van categorie 1 bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002;b) hetzij door statutaire werknemers bij de volgende autonome overheidsbedrijven : de naamloze vennootschap van publiek recht Belgacom, de naamloze vennootschap van publiek recht NMBS-Holding, de naamloze vennootschap van publiek recht NMBS en de naamloze vennootschap van publiek recht Infrabel;2° ondernemingen waar nachtarbeid wordt verricht : de ondernemingen waar werknemers overeenkomstig de in de onderneming toepasselijke arbeidsregeling, prestaties verrichten tussen 20 uur en 6 uur, met uitsluiting van de werknemers die enkel prestaties verrichten tussen 6 uur en 24 uur en de werknemers die gewoonlijk beginnen te werken vanaf 5 uur.De hier bedoelde werknemers zijn : a) hetzij de werknemers van categorie 1 bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002;b) hetzij de statutaire werknemers bij de volgende autonome overheidsbedrijven : de naamloze vennootschap van publiek recht Belgacom, de naamloze vennootschap van publiek recht NMBS-Holding, de naamloze vennootschap van publiek recht NMBS en de naamloze vennootschap van publiek recht Infrabel;»;

D. In paragraaf 2, 1°, b, en 2°, b, worden de woorden « de naamloze vennootschap van publiek recht De Post, » ingevoegd tussen de woorden « de naamloze vennootschap van publiek recht Belgacom, » en de woorden « de naamloze vennootschap van publiek recht NMBS Holding, ».

Art. 18.In artikel 2757, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 mei 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het tweede lid wordt aangevuld met een derde streepje, luidende : « - de volgende autonome overheidsbedrijven : de naamloze vennootschap van publiek recht Belgacom, de naamloze vennootschap van publiek recht NMBS-Holding, de naamloze vennootschap van publiek recht NMBS en de naamloze vennootschap van publiek recht Infrabel.»; 2° in het derde lid worden de woorden « 0,25 pct.» vervangen door de woorden « 0,75 pct. ». 3° tussen het derde en het vierde lid wordt een lid ingevoegd luidende : « Voor de werkgevers van de werknemers die ressorteren onder het toepassingsgebied van de paritaire comités en subcomités opgesomd in artikel 1, 1°, a) tot en met p), van het koninklijk besluit van 18 juli 2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector wordt een bedrag dat overeenstemt met twee derden van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing onmiddellijk besteed aan de financiering van de Sociale Maribelfondsen.Dit bedrag wordt door de werkgever aan de bevoegde ontvanger der belastingen gestort op hetzelfde moment dat de bedrijfsvoorheffing in de Schatkist wordt gestort. De Schatkist boekt deze bedragen over aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid die ze op zijn beurt verdeelt tussen de begunstigde Sociale Maribelfondsen. »; 4° in het tweede lid, derde streepje, worden de woorden « de naamloze vennootschap van publiek recht De Post, » ingevoegd tussen de woorden « de naamloze vennootschap van publiek recht Belgacom, » en de woorden « de naamloze vennootschap van publiek recht NMBS Holding, »;5° In het derde lid worden de woorden « 0,75 pct.» vervangen door de woorden « 1 pct. »; 6° in het vierde lid, ingevoegd bij de bepaling onder 3°, worden de woorden « twee derden » vervangen door de woorden « drie vierden ».

Art. 19.De artikelen 13, 1° en 2°, 15, 1° en 2°, 16, 17, c, en 18°, 1°, hebben uitwerking op 1 januari 2009.

De artikelen 17, A en B, en 18, 2° en 3°, treden in werking op 1 juni 2009.

De artikelen 9 tot 12 en 14 zijn van toepassing vanaf het aanslagjaar 2010.

De artikelen 13, 3° en 4°, 15, 3° en 4°, 17, D, en 18, 4° tot 6°, treden in werking op 1 januari 2010. HOOFDSTUK 4. - Liquiditeit van de ondernemingen

Art. 20.§ 1. In afwijking van artikel 412, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, is de bedrijfsvoorheffing verschuldigd op in artikel 30, 1° en 2°, van dat Wetboek bedoelde bezoldigingen, betaald of toegekend in de maanden maart tot en met augustus 2009, betaalbaar binnen de vijftien dagen na het verstrijken van de derde maand volgend op de maand van betaling of toekenning van de inkomsten.

In afwijking van artikel 412, derde lid, van hetzelfde Wetboek, is de bedrijfsvoorheffing verschuldigd op in artikel 30, 1° en 2°, van dat Wetboek bedoelde bezoldigingen, betaald of toegekend in het eerste en tweede trimester van 2009, betaalbaar binnen de vijftien dagen na het verstrijken van de derde maand volgend op de trimester waarin de inkomsten zijn betaald of toegekend.

Bij wanbetaling van de bedrijfsvoorheffing binnen de in de tweede voorgaande leden vastgestelde termijnen geven de verschuldigde sommen aanleiding tot na-latigheidsintresten overeenkomstig artikel 414 van dat Wetboek. § 2. Er wordt gedurende zes maanden door de Staat een interestbonificatie te zijnen laste genomen voor iedere leningovereenkomst die door de schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing op de bezoldigingen bedoeld in § 1 wordt gesloten met een kredietinstelling zoals gedefinieerd in de wet van 22 maart 1993.

Deze interestbonificatie is beperkt tot het bedrag van een lening, gelijk aan de tijdig betaalde bedrijfsvoorheffing op de bezoldigingen en zal enkel gelden voor de ondernemingen die van het uitstel overeenkomstig § 1 hebben gebruik gemaakt.

De Koning bepaalt, bij een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad, het percentage van de bonificatie, het aanvangsbedrag van de lening waarop deze bonificatie wordt toegekend, en de modaliteiten van de leningovereenkomst. HOOFDSTUK 5. - Aandelenopties

Art. 21.Artikel 47 van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, gewijzigd bij de programmawet (I) van 24 december 2002, wordt aangevuld met een paragraaf 5 luidende : « § 5. Voor de aandelenoptieplannen afgesloten tussen 1 januari 2003 en 31 augustus 2008, kan de vennootschap die de opties aanbiedt, vóór 30 juni 2009, met instemming van de begunstigden, de uitoefeningsperiode zonder bijkomende fiscale last met hoogstens vijf jaar verlengen. Evenwel geldt de verlenging, voor het geheel van plannen waarop eenzelfde begunstigde bij eenzelfde vennootschap heeft ingeschreven, slechts voor opties ten belope van een fiscale waarde van 100.000 euro.

Dit akkoord moet aan de Administratie worden betekend vóór 31 juli 2009.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt afgeweken van artikel 499 van het Wetboek van vennootschappen. ». HOOFDSTUK 6. - Bekrachtiging van een koninklijk besluit genomen ter uitvoering van artikel 37, § 1, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde

Art. 22.Het koninklijk besluit van 10 februari 2009 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, wordt bekrachtigd met ingang van 1 januari 2009. HOOFDSTUK 7. - Wetboek diverse rechten en taksen

Art. 23.Artikel 176-2, 1°, van het Wetboek diverse rechten en taksen, opgeheven bij de programmawet van 27 december 2005, wordt hersteld in de volgende lezing : « 1° de kredietverzekeringscontracten tegen commerciële risico's, tegen landenrisico's of tegen deze beide risico's; ».

Art. 24.Artikel 23 is van toepassing op de premies die vervallen vanaf de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. HOOFDSTUK 8. - Woon - werkverplaatsingen met de fiets

Art. 25.Artikel 38, § 1, eerste lid, 14°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 8 augustus 1997 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 juli 2000 en 13 juli 2001 en bij de wet van 28 april 2003, wordt vervangen als volgt : « 14° a) de kilometervergoeding toegekend voor de werkelijk met de fiets gedane verplaatsingen tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling voor een bedrag van maximum 0,145 euro per kilometer; b) het voordeel dat voortvloeit uit de terbeschikkingstelling van een fiets en de toebehoren, met inbegrip van de onderhouds- en stallingskosten, die daadwerkelijk wordt gebruikt voor de verplaatsingen tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling ».

Art. 26.In artikel 64ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de programmawet van 8 juni 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid wordt aangevuld als volgt : « 3° de kosten die specifiek zijn gedaan of gedragen om het gebruik van de fiets door de personeelsleden voor hun verplaatsingen tussen hun woonplaats en hun plaats van tewerkstelling aan te moedigen in de mate dat deze gedaan of gedragen zijn om : a) een onroerend goed te verwerven, te bouwen of te verbouwen dat bestemd is voor het stallen van fietsen tijdens de werkuren van de personeelsleden of voor het ter beschikking stellen van die personeelsleden van een kleedruimte of sanitair, al dan niet met douches;b) fietsen en hun toebehoren te verwerven, te onderhouden en te herstellen die ter beschikking gesteld worden van de personeelsleden. »; 2° het derde lid wordt vervangen als volgt : « Wanneer de in het eerste lid, 1° en 3°, bedoelde kosten bestaan uit afschrijvingen van de in het eerste lid, 3°, bedoelde materiële vaste activa of van de in het tweede lid bedoelde voertuigen, wordt het aftrekbare bedrag per belastbaar tijdperk bekomen door het normale bedrag van de afschrijvingen van dat tijdperk met 20 pct.te verhogen.

De in het eerste lid, 3°, b, bedoelde fietsen worden afgeschreven met vaste annuïteiten waarvan het aantal niet minder dan drie mag bedragen. »; 3° in het vijfde lid worden de woorden « van de in het eerste lid, 3°, bedoelde materiële vaste activa en » ingevoegd tussen het woord « beleggingswaarde » en de woorden « van de in het tweede lid bedoelde voertuigen » en worden de woorden « meerwaarden en minderwaarden van die voertuigen » vervangen door de woorden « meerwaarden en minderwaarden op die materiële vaste activa en die voertuigen ».

Art. 27.Artikel 66bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2001, wordt aangevuld met een derde lid, luidende : « In afwijking van het eerste lid worden beroepskosten met betrekking tot de verplaatsing tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling die per fiets wordt gedaan, bij gebrek aan bewijzen, forfaitair bepaald op 0,145 euro per afgelegde kilometer. ».

Art. 28.In artikel 178, § 2, derde lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk vervangen bij het koninklijk besluit van 13 juli 2001, worden de woorden « artikel 147 » telkens vervangen door de woorden « de artikelen 38, § 1, eerste lid, 14°, a, 66bis, derde lid, en 147 ».

Art. 29.Hoofdstuk 8 is van toepassing vanaf aanslagjaar 2010, met uitzondering van artikel 26 dat van toepassing is op de kosten die worden gedaan of gedragen vanaf 1 januari 2009.

TITEL 3. - Sociale zaken HOOFDSTUK 1. - Welvaartsaanpassingen Werkverwijdering zwangere vrouwen

Art. 30.Wanneer er met toepassing van artikel 41 van de arbeidswet van 16 maart 1971, een risico is vastgesteld, en wanneer de werkgever één van de maatregelen bedoeld in artikel 42, § 1, van dezelfde wet heeft genomen, is een tussenkomst van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering voorzien : 1° voor de zwangere werkneemster die aanvaardt om een aangepaste arbeid uit te oefenen die tot loonverlies leidt;2° voor de zwangere werkneemster van wie de uitvoering van de arbeidsovereenkomst is geschorst. De zwangere werkneemster bedoeld in het eerste lid, 1°, heeft recht op een vergoeding die overeenstemt met het verschil tussen het loon dat ze verdiende vóór de maatregel van werkverwijdering en het loon waarop zij recht heeft ingevolge haar wedertewerkstelling.

De zwangere werkneemster bedoeld in het eerste lid, 1°, 2°, heeft recht op een daguitkering gelijk aan 78,237 pct. van het gemiddeld dagloon, vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 10 juni 2001, waarin, met toepassing van artikel 39 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, het uniform begrip « gemiddeld dagloon » wordt vastgesteld en sommige wettelijke bepalingen in overeenstemming worden gebracht.

Het recht op de vergoedingen wordt beperkt tot de periode die valt tussen het begin van de zwangerschap en het begin van de zes weken, die voorafgaan aan de vermoedelijke datum van de bevalling of van de acht voorafgaande weken wanneer de geboorte van een meerling wordt voorzien.

De toegekende vergoeding kan ten vroegste 365 dagen vóór de datum van de aanvraag ingaan.

Art. 31.Artikel 6 van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970, wordt als volgt aangevuld : « 13° De opvolging en analyse van de werk-verwijdering zwangere werkneemsters te verzekeren wanneer er met toepassing van artikel 41 van de arbeidswet van 16 maart 1971, een risico werd vastgesteld, en wanneer de werkgever één van de maatregelen bedoeld in artikel 42, § 1, van dezelfde wet, heeft genomen. Te dien einde baseert het Fonds zich op de informatiestromen, komende van de verzekeringsinstellingen, enerzijds, en van de werkgevers, anderzijds. De Koning kan nadere regels bepalen voor de uitoefening van deze bevoegdheid. ».

Art. 32.In artikel 37, § 2, van dezelfde wetten, wordt het tweede lid opgeheven.

Art. 33.Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2010. Artikel 30 is van toepassing op gevallen van werkverwijdering die zich voordoen vanaf deze datum. HOOFDSTUK 2. - Herverdeling van de sociale lasten

Art. 34.Artikel 37 van de programmawet van 8 juni 2008 wordt aangevuld met twee leden luidende als volgt : « Ze is beperkt tot 182.000,00 euro. Het bedrag van 182.000,00 euro is gekoppeld aan de gezondheidsindex van de maand september 2008 (111,15). Vanaf 1 januari 2010 wordt dit bedrag jaarlijks op 1 januari aangepast volgens de volgende formule : het basisbedrag wordt vermenigvuldigd met de gezondheidsindex van de maand september van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin het nieuwe bedrag van toepassing zal zijn, en gedeeld door de gezondheidsindex van de maand september 2008. Het aldus berekende bedrag wordt op de hogere euro afgerond. De Koning kan, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het bedrag 182.000,00 euro aanpassen opdat de door middel van de maatregel nagestreefde doelstelling zou worden bereikt. ».

Art. 35.Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2010. HOOFDSTUK 3. - Eenmalige innovatiepremies

Art. 36.In artikel 31 van de wet van 3 juli 2005 houdende diverse bepalingen betreffende het sociaal overleg, gewijzigd bij de wet van 17 mei 2007, worden de woorden « 1 januari 2009 » telkens vervangen door de woorden « 1 januari 2011 ».

Art. 37.Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2009. HOOFDSTUK 4. - Minnelijke schuldinvordering

Art. 38.In artikel 2 van de wet van 20 december 2002 met betrekking tot de minnelijke invordering van schulden van de consument, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° In § 1, 2°, worden de woorden « met uitzondering van de minnelijke invordering van schulden gedaan door een advocaat of een ministerieel ambtenaar of een gerechtelijk mandataris in de uitoefening van zijn beroep of ambt » geschrapt;2° § 2 wordt vervangen als volgt : « § 2.De artikelen 4, 8 tot 13 en 16 zijn niet van toepassing op de minnelijke invordering van schulden gedaan door een advocaat of een ministerieel ambtenaar of een gerechtelijk mandataris in de uitoefening van zijn beroep of ambt. ».

Art. 39.Artikel 6, § 2, van dezelfde wet wordt aangevuld met een bepaling onder 6°, luidende : « 6° ingeval de invordering gebeurt door een advocaat, een ministerieel ambtenaar of een gerechtelijke mandataris wordt volgende tekst in een afzonderlijke alinea toegevoegd, in het vet gedrukt en in een ander lettertype : « Deze brief betreft een minnelijke invordering en geen gerechtelijke invordering (dagvaarding voor de rechtbank of beslag). » ».

TITEL 4. - Werk HOOFDSTUK 1. - Ondernemingen in herstructurering

Art. 40.Artikel 31 van de wet van 23 december 2005 betreffende het Generatiepact, wordt vervangen als volgt : «

Art. 31.Dit hoofdstuk is van toepassing op de werkgevers in herstructurering en op hun werknemers die worden ontslagen in het kader van de herstructurering.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder « werkgever in herstructurering » verstaan de werkgever die gelijktijdig de volgende voorwaarden vervult : 1° hij valt onder het toepassingsgebied van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités;2° hij gaat over tot de aankondiging van een collectief ontslag. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder « werknemer ontslagen in het kader van de herstructurering » verstaan de werknemer die gelijktijdig de volgende voorwaarden vervult : 1° hij is op het ogenblik van de aankondiging van het collectief ontslag tewerkgesteld bij de werkgever in herstructurering in de onderneming waarvoor een collectief ontslag werd aangekondigd;2° hij wordt ontslagen gedurende de periode van de herstructurering. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt met « ontslag » gelijkgesteld : 1° het niet verlengen van een arbeidsovereenkomst voor een bepaalde tijd ingevolge de herstructurering;2° het feit dat een arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid die een tewerkstelling bij de werkgever in herstructurering als voorwerp heeft, ingevolge de herstructurering niet wordt verlengd. Het vorige lid is slechts van toepassing indien de werknemer op het ogenblik van de aankondiging van het collectief ontslag ten minste één jaar ononderbroken dienstanciënniteit bij de werkgever in herstructurering heeft.

De periode van de herstructurering wordt vastgesteld door de Minister van Werk volgens de modaliteiten bepaald door de Koning, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.

Deze periode vangt aan op het ogenblik van de aankondiging van het collectief ontslag en eindigt maximaal twee jaar na de betekening van het collectief ontslag.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk bepaalt de Koning, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, wat moet worden verstaan onder onderneming, collectief ontslag, aankondiging van het collectief ontslag, betekening van het collectief ontslag en één jaar ononderbroken dienstanciënniteit bij de werkgever in herstructurering. ».

Art. 41.In artikel 33 van dezelfde wet, worden het eerste en tweede lid vervangen als volgt : « De werkgever in herstructurering moet, voor de werknemers ontslagen in het kader van de herstructurering, overgaan tot de oprichting van een tewerkstellingscel, die als taak heeft om deze werknemers maximale kansen op wedertewerkstelling te geven.

In afwijking van het vorige lid bepaalt de Koning, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en rekening houdend met het aantal werknemers tewerkgesteld bij de werkgever of met het feit dat het om een specifieke categorie werknemers gaat, welke werkgever in herstructurering kan vrijgesteld worden van de verplichting een tewerkstellingscel op te richten.

Voor de toepassing van deze afdeling bepaalt de Koning, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de voorwaarden waaraan de tewerkstellingscel moet voldoen opdat de ontslagen werknemers in aanmerking zouden komen voor de inschakelingsvergoeding bedoeld in afdeling 3. ».

Art. 42.Artikel 34 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : «

Art. 34.De werknemers die ontslagen worden in het kader van de herstructurering, moeten bij deze tewerkstellingscel ingeschreven zijn conform de procedure en volgens de modaliteiten bepaald door de Koning, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.

Deze werknemers moeten, tijdens de periode van inschrijving bij de tewerkstellingscel, eveneens ingeschreven zijn als werkzoekende bij de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling.

In afwijking van de vorige leden kan de Koning, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en rekening houdend met hun leeftijd, beroepsverleden of de aard van hun arbeidsovereenkomst, bepalen welke werknemers niet moeten, maar kunnen ingeschreven zijn bij de tewerkstellingscel en als werkzoekende. ».

Art. 43.In artikel 36 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid wordt vervangen als volgt : « De werkgever in herstructurering is gehouden aan elke in het kader van de herstructurering ontslagen werknemer die ingeschreven is bij de tewerkstellingscel en die, op het ogenblik van de aankondiging van het collectief ontslag, ten minste één jaar ononderbroken dienstanciënniteit bij de werkgever in herstructurering heeft, een inschakelingsvergoeding te betalen. Deze inschakelingsvergoeding wordt betaald gedurende een periode van : 1° zes maanden indien de ontslagen werknemer op het ogenblik van de aankondiging van het collectief ontslag minstens 45 jaar is;2° drie maanden indien de ontslagen werknemer op het ogenblik van de aankondiging van het collectief ontslag minder dan 45 jaar is. Deze inschakelingsvergoeding is gelijk aan het lopend loon en de voordelen verworven krachtens de overeenkomst, zoals bedoeld in artikel 39 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.

De vorige leden zijn niet van toepassing indien het een werknemer betreft bedoeld in artikel 31, vierde lid. »; 2° in het tweede lid, dat het vijfde lid wordt, worden de woorden « het vorige lid » vervangen door de woorden « de vorige leden »;3° het derde lid wordt opgeheven.

Art. 44.In artikel 37 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt : « § 1.In afwijking van de voormelde wet van 3 juli 1978, en voor zover de werknemer bedoeld in artikel 36, tweede lid, 1°, recht heeft op een opzeggingstermijn van zes maanden of minder, moet de werkgever de arbeidsovereenkomst beëindigen door middel van de uitbetaling van de inschakelingsvergoeding gedurende zes maanden, overeenkomstig artikel 36, tweede lid, 1°.

In afwijking van de voormelde wet van 3 juli 1978, en voor zover de werknemer bedoeld in artikel 36, tweede lid, 2°, recht heeft op een opzeggingstermijn van drie maanden of minder, moet de werkgever de arbeidsovereenkomst beëindigen door middel van de uitbetaling van de inschakelingsvergoeding gedurende drie maanden, overeenkomstig artikel 36, tweede lid, 2°.

In afwijking van de voormelde wet van 3 juli 1978, en voor zover de werknemer op het ogenblik van de aankondiging van het collectief ontslag minder dan één jaar ononderbroken dienstanciënniteit bij de werkgever in herstructurering heeft, moet de werkgever de arbeidsovereenkomst beëindigen door middel van de uitbetaling van de opzeggingsvergoeding vastgesteld met toepassing van de voormelde wet van 3 juli 1978. ». 2° paragraaf 2, eerste lid, wordt vervangen als volgt : « In afwijking van de voormelde wet van 3 juli 1978, en voor zover de werknemer bedoeld in artikel 36, tweede lid, 1°, recht heeft op een opzeggingstermijn van meer dan zes maanden, moet de arbeidsovereenkomst ten laatste beëindigd worden de laatste dag van de zevende maand voorafgaand aan het einde van de opzeggingstermijn.Aan die werknemer is een opzeggingsvergoeding verschuldigd die overeenkomt met de op dat ogenblik nog te lopen opzeggingstermijn.

In afwijking van de voormelde wet van 3 juli 1978, en voor zover de werknemer bedoeld in artikel 36, tweede lid, 2°, recht heeft op een opzeggingstermijn van meer dan drie maanden, moet de arbeidsovereenkomst ten laatste beëindigd worden de laatste dag van de vierde maand voorafgaand aan het einde van de opzeggingstermijn. Aan die werknemer is een opzeggingsvergoeding verschuldigd die overeenkomt met de op dat ogenblik nog te lopen opzeggingstermijn. ».

Art. 45.In titel 4, hoofdstuk 5 van dezelfde wet, wordt een afdeling 3/1 ingevoegd, luidende « Afdeling 3/1. - Toezicht ».

Art. 46.In afdeling 3/1, van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 45, wordt een artikel 38/1 ingevoegd, luidende : «

Art. 38/1.Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, houden de door de Koning aangewezen ambtenaren toezicht op de naleving van de bepalingen van dit hoofdstuk.

Deze ambtenaren oefenen dit toezicht uit overeenkomstig de bepalingen van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie. ».

Art. 47.De artikelen 40 tot 46 treden in werking de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. De artikelen 40 tot 46 zijn van toepassing op alle collectieve ontslagen die vanaf deze datum zijn aangekondigd. HOOFDSTUK 2. - Sociale Maribel

Art. 48.Artikel 35 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, wordt aangevuld met een paragraaf 6, luidende : « § 6. A. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, onder de voorwaarden die hij bepaalt, aan de fondsen bedoeld in § 5, C, 1°, een gedeelte toekennen van het niet door te storten gedeelte van de bedrijfsvoorheffing bedoeld in het vierde lid van artikel 275/7 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

B. De bepalingen van titel VII van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 zijn van toepassing op het deel van de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing, bedoeld in het vierde lid van artikel 275/7, toegewezen aan de financiering van het Sociale Maribelfonds.

C. In afwijking van punt E. van § 5, wordt het bedrag van het niet doorgestort gedeelte van de bedrijfsvoorheffing dat op 31 december op de rekening van elk fonds staat, met inbegrip van de interesten, verminderd met het bedrag van het niet doorgestort gedeelte van de bedrijfsvoorheffing ontvangen in het lopende jaar, jaarlijks ter beschikking gesteld van het globaal beheer van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.

Dit bedrag wordt ingehouden van de opbrengst van de forfaitaire bijdragevermindering die ter beschikking wordt gesteld van elk sectoraal fonds voor het tweede jaar dat volgt op het jaar waarop dit bedrag betrekking heeft.

D. Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, houden de door de Koning aangewezen ambtenaren toezicht op de naleving van deze paragraaf en de uitvoeringsbesluiten ervan.

Deze ambtenaren oefenen dit toezicht uit overeenkomstig de bepalingen van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie.

E. De koning bepaalt de bijkomende voorwaarden en nadere regelen voor de toepassing van deze paragraaf. ». HOOFDSTUK 3. - Uitvoering van de IPA 2009-2010 Afdeling 1. - Arbeidsongevallen

Onderafdeling 1. - Vrije reserves

Art. 49.Artikel 59sexies, eerste lid, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, ingevoegd bij de wet van 6 juli 1989, wordt aangevuld als volgt : « Voor de jaren 2009 tot en met 2011 bepaalt de Koning het gedeelte van de opbrengst van de reserve zonder bepaalde aanwending dat wordt overgedragen aan de RSZ-Globaal/Beheer, alsmede de regels van deze overdracht. ».

Onderafdeling 2. - Verhoging van de plafondsuitkeringen

Art. 50.Artikel 39, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 9 juli 2004 en 27 december 2006, wordt aangevuld als volgt : « 4° met ingang van 1 januari 2009 : 36 809,73 euro. ».

Art. 51.Artikel 50 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2009. Afdeling 2. - Wijziging van de wet van 12 april 1965 betreffende de

bescherming van het loon der werknemers

Art. 52.In artikel 15 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, gewijzigd bij de wet van 3 juni 2007 en bij het koninklijk besluit van 1 maart 1971, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, luidende : « De Koning kan bepalen dat de afrekening bepaalde gegevens moet bevatten, en op welke wijze deze gegevens in rubrieken moeten worden onderverdeeld.»; 2° in het laatste lid worden de woorden « tweede lid » vervangen door de woorden « derde lid ». Afdeling 3. - Vereenvoudiging van de banenplannen

Art. 53.Artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002, wordt aangevuld met het volgend lid : « De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het toepassingsgebied van de categorie 3 uitbreiden met andere werkgevers die door de overheid erkend en gesubsidieerd zijn en die een sociale doelstelling hebben. ».

Art. 54.In artikel 331, zesde lid, van de programmawet (I) van 24 december 2002, worden de woorden « loongrens S0 » vervangen door de woorden « loongrenzen S0 en S1 » en worden de woorden « 1, 2 en » gevoegd tussen de woorden « voor categorie » en « 3 ».

Art. 55.Artikel 32, § 2, van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid, gewijzigd bij de wetten van 22 december 2003 en 9 juli 2004, wordt aangevuld met een lid, luidende : « De Koning kan, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de startbaankaart vervangen door een ander attesteringsmiddel en de afleveringsmodaliteiten alsook de geldigheidsduur van de startbaankaart aanpassen. ».

Art. 56.Artikel 22 van de wet van 3 juli 2005 houdende diverse bepalingen betreffende het sociaal overleg, gewijzigd bij de wet van 23 december 2005, wordt opgeheven. Afdeling 4. - Halftijds brugpensioen

Art. 57.In artikel 112, eerste lid, van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, gewijzigd bij de wetten van 10 augustus 2001, 1 april 2003, 3 juli 2005 en 17 mei 2007, worden de woorden « voor de periode van 1 januari 2007 tot 31 december 2008 » vervangen door de woorden « voor de periode van 1 januari 2009 tot 31 december 2010 ».

Art. 58.§ 1. In artikel 1 van het koninklijk besluit van 27 januari 1997 houdende maatregelen met betrekking tot het halftijds brugpensioen, met toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen, gewijzigd bij de wetten van 26 maart 1999, 10 augustus 2001, 1 april 2003, 3 juli 2005 en 17 mei 2007, worden de woorden « voor de periode van 1 januari 2007 tot 31 december 2008 » vervangen door de woorden « voor de periode van 1 januari 2009 tot 31 december 2010 ». § 2. In artikel 4 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de wetten van 10 augustus 2001, 1 april 2003, 3 juli 2005 en 17 mei 2007, worden de woorden « 30 juni 2006 » vervangen door de woorden « 30 juni 2008 ». § 3. In artikel 5 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de wetten van 10 augustus 2001, 1 april 2003, 3 juli 2005 en 17 mei 2007, worden de woorden « 31 december 2008 » vervangen door de woorden « 31 december 2010 ».

TITEL 5. - Energie ENIG HOOFDSTUK. Toekenning van een korting op de elektriciteitsfactuur

Art. 59.De definities vervat in artikel 2 van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, zijn van toepassing op dit hoofdstuk.

Verder wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk verstaan onder : 1° « residentiële klanten » : klanten waarvan de leveranciers niet over een ondernemingsnummer beschikken, of de klanten waarvan het professionele verbruik minder dan 50 % van het totaal verbruik bedraagt, of de klanten waarvan het verbruik niet hoofdzakelijk uit professioneel verbruik bestaat;2° « rechthebbende » : de residentiële klant die klant is van een leverancier op 15 april 2009;3° « FOD Economie » : de Federale Overheidsdienst Economie, KMO, Middenstand en Energie;4° « MOZA » : Move out zonder afspraak, de residentiële klant die een toegangspunt verlaat zonder dit te laten afsluiten en wanneer de opvolger de nodige stappen niet onderneemt om zijn verhuistoestand op dit toegangspunt te regelen of er is geen opvolger.

Art. 60.Voor alle leveringen van elektriciteit aan residentiële klanten, klant van een leverancier op 15 april 2009, wordt een éénmalige forfaitaire toelage van 30 euro toegekend als tussenkomst in de betaling van de levering.

Deze toelage is niet van toepassing in geval van MOZA noch voor de personen die verblijven in een woongelegenheid waar de inwoners verblijfkosten betalen of waarvoor werkingskosten worden toegekend.

Art. 61.§ 1. Het bedrag van de forfaitaire toelage wordt toegekend aan de rechthebbende door de leverancier in de vorm van een tussenkomst in de betaling van de levering of voor de budgetmeterklanten in de vorm van een bijkomend bedrag van 30 euro bij de eerstvolgende oplaadbeurt. § 2. Het bedrag van de forfaitaire toelage wordt toegekend aan de rechthebbende via een elektriciteitsfactuur of een creditnota. De betaling van de toelage die in het kader van deze wet gebeurt, valt buiten de uitvoeringsbepalingen van de BTW-regelgeving. In geen geval kan BTW geheven of gerecupereerd worden op de forfaitaire toelage. § 3. In afwijking van §§ 1 en 2, en artikel 62, wordt voor de rechthebbende die een budgetmeter hebben en die rechtstreeks klant zijn bij een commerciële leverancier de budgetmeter ter waarde van 30 euro bijkomend opgeladen, wat zal gebeuren door de bevoegde distributienetbeheerder bij de eerstvolgende oplaadbeurt vanaf 16 april 2009 tot en met 16 oktober 2009.

De rechthebbenden die een budgetmeter hebben en beleverd worden door een sociale leverancier krijgen van deze leverancier ofwel een waardebon die hen het recht geeft op een bijkomende oplading ter waarde van 30 euro bij de eerstvolgende oplaadbeurt, ofwel een automatische herlading van hun budgetmeterkaart door de distributienetbeheerder ter waarde van 30 euro.

Art. 62.De toekenning van de forfaitaire toelage door de leverancier volgens bovenvernoemde procedures moet gebeuren uiterlijk op 16 juli 2009.

Art. 63.Niettegenstaande de automatische toekenning van de forfaitaire toelage kan de rechthebbende, aan wie geen toelage zou toegekend zijn op datum van 17 juli 2009, daartoe een schriftelijke of elektronische aanvraag indienen bij zijn leverancier, voor zover die aanvraag wordt ontvangen vóór 15 september 2009.

Art. 64.Deze toegestane vermindering wordt vervolgens door de Staat als een element van de prijs van de levering van elektriciteit aan de leverancier betaald.

Art. 65.De toelage, bedoeld bij dit hoofdstuk is niet vatbaar voor overdracht, noch beslag. Zij wordt toegekend aan de rechthebbende, niettegenstaande elke toestand van samenloop of procedure van insolvabiliteit.

Art. 66.De leveranciers en, desgevallend, de distributienetbeheerders, kunnen tweewekelijks een aanvraag tot terugbetaling bij de FOD Economie indienen, op basis van de toegekende of ter beschikking gestelde toelagen gedurende een periode van vijftien dagen.

Art. 67.De beslissing met betrekking tot de aanvraag tot terugbetaling wordt genomen door de leidinggevende ambtenaar van de FOD Economie of door de door hem daartoe aangeduide ambtenaar, onverminderd de bepalingen van aritkel 30bis van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt.

De aanvrager heeft tot 31 oktober 2009 om een nieuwe aanvraag in te dienen.

Art. 68.De terugbetaling door de Staat dient te gebeuren binnen 10 werkdagen volgend op de ontvangst van de aanvraag tot terugbetaling bedoeld in artikel 66, ingediend door de leveranciers en, desgevallend, de distributienetbeheerders en voor de eerste keer vanaf 1 juni 2009.

Art. 69.De Koning bepaalt, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de toepassingsmodaliteiten van dit hoofdstuk.

Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Gegeven te Brussel, 27 maart 2009.

ALBERT Van Koningswege : De Eerste Minister, H. VAN ROMPUY De Minister van Financiën, D. REYNDERS De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, Mevr. L. ONKELINX De Minister van Werk, Mevr. J. MILQUET De Minister van Maatschappelijke Integratie, Pensioenen en Grote Steden, Mevr. M. ARENA De Minister van Klimaat en Energie, P. MAGNETTE De Staatssecretaris voor Armoedebestrijding, J.-M. DELIZEE Met 's Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie, S. DE CLERCK _______ Nota (1) Stukken van de Kamer van volksvertegenwoordigers : Doc 52-1788/ (2008/2009) : 001 : Wetsontwerp. 002 tot 007 : Amendementen. 008 : Verslag. 009 : Amendementen. 010 tot 012 : Verslagen. 013 : Tekst aangenomen door de commissies. 014 : Amendementen. 015 : Tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgezonden aan de Senaat.

Integraal verslag : 5 maart 2009.

Stukken van de Senaat : 4-1199 - 2008/2009 : Nr. 1 : Ontwerp geëvoceerd door de Senaat.

Nrs. 2 tot 3 : Verslagen.

Nr. 4 Beslissing om niet te amenderen.

Handelingen van de Senaat : 19 maart 2009.

^