Etaamb.openjustice.be
Wet van 27 mei 2002
gepubliceerd op 19 oktober 2002

Wet houdende instemming met de Overeenkomst opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie aangaande de verkorte procedure tot uitlevering tussen de Lidstaten van de Europese Unie, gedaan te Brussel op 10 maart 1995

bron
federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
numac
2002015119
pub.
19/10/2002
prom.
27/05/2002
ELI
eli/wet/2002/05/27/2002015119/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

27 MEI 2002. - Wet houdende instemming met de Overeenkomst opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie aangaande de verkorte procedure tot uitlevering tussen de Lidstaten van de Europese Unie, gedaan te Brussel op 10 maart 1995 (1)


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :

Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

Art. 2.De Overeenkomst opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie aangaande de verkorte procedure tot uitlevering tussen de Lidstaten van de Europese Unie, gedaan te Brussel op 10 maart 1995, zal volkomen gevolg hebben.

Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Gegeven te Brussel, 27 mei 2002.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Buitenlandse Zaken, L. MICHEL De Minister van Justitie, M. VERWILGHEN Met 's Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie, M. VERWILGHEN _______ Nota's (1) Zitting 2000-2001. Senaat.

Documenten. - Ontwerp van wet ingediend op 11 april 2001, nr. 2-717/1.

Zitting 2001-2002.

Verslag namens de commissie, nr. 2-717/2. - Verslag namens de commissie, nr. 2-717/3.

Parlementaire Handelingen. - Bespreking, vergadering van 21 februari 2002. - Stemming, vergadering van 21 februari 2002. Kamer van volksvertegenwoordigers.

Documenten. - Tekst overgezonden door de Senaat, nr. 50-1651/1. - Tekst aangenomen in plenaire vergadering en aan de Koning ter bekrachtiging voorgelegd, nr. 50-1651/2.

Parlementaire Handelingen. - Bespreking, vergadering van 27 maart 2002. - Stemming, vergadering van 28 maart 2002. Overeenkomst opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie aangaande de verkorte procedure tot uitlevering tussen de Lid-Staten van de Europese Unie De Hoge Verdragsluitende Partijen bij deze Overeenkomst, Lid-Staten van de Europese Unie, Onder verwijzing naar de Akte van de Raad van 10 maart 1995, Wensend de justitiële samenwerking in strafzaken tussen de Lid-Staten van de Europese Unie te verbeteren, zowel wat betreft het instellen van vervolgingen als wat betreft het ten uitvoer leggen van straffen, Erkennend het belang van de uitlevering als onderdeel van de justitiële samenwerking voor het verwezenlijken van dit doel, Ervan overtuigd dat de uitleveringsprocedure dient te worden vereenvoudigd, op een wijze die verenigbaar is met hun fundamentele rechtsbeginselen, met inbegrip van de beginselen van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, Vaststellend dat bij een groot aantal uitleveringsprocedures de betrokkene zich niet tegen zijn overlevering verzet, Overwegende dat het wenselijk is dat in dergelijk geval de tijd die met de uitlevering gemoeid is evenals de duur van de hechtenis met het oog op de uitlevering, tot een minimum worden beperkt, Overwegende dat de toepassing van het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 derhalve dient te worden vergemakkelijkt door de uitleveringsprocedure te vereenvoudigen en te verbeteren, Overwegende dat de bepalingen van het Europees Verdrag betreffende uitlevering van toepassing blijven op alle aspecten die niet in deze Overeenkomst worden behandeld, Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen : ARTIKEL 1 Algemene bepalingen 1. Deze Overeenkomst strekt ertoe door aanvulling van het Europees Verdrag betreffende uitlevering, de toepassing ervan tussen de Lid-Staten van de Europese Unie te vergemakkelijken.2. Lid 1 laat de toepassing van gunstiger bepalingen van geldende bilaterale en multilaterale overeenkomsten tussen Lid-Staten onverlet. ARTIKEL 2 Verplichting tot overlevering De Lid-Staten verplichten zich ertoe om elkaar, overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst, personen die voor uitlevering worden gezocht over te leveren volgens de bij deze Overeenkomst vastgestelde verkorte procedure, mits de betrokken persoon daarmee instemt en de aangezochte Staat zijn toestemming voor deze overlevering heeft gegeven.

ARTIKEL 3 Voorwaarden voor de overlevering 1. Krachtens artikel 2 wordt elke persoon om wiens voorlopige aanhouding in overeenstemming met artikel 16 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering is verzocht, overgeleverd volgens het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 12, lid 1, van de onderhavige Overeenkomst.2. De in lid 1 bedoelde overlevering is niet afhankelijk van de indiening van een verzoek tot uitlevering en van de ingevolge artikel 12 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering vereiste documenten. ARTIKEL 4 Mededeling van gegevens 1. Ten behoeve van de voorlichting van de aangehouden persoon met het oog op de toepassing van de artikelen 6 en 7, en van de bevoegde autoriteit als bedoeld in artikel 5, lid 2, worden de volgende door de verzoekende Staat mede te delen gegevens toereikend geacht : a) de identiteit van de gezochte persoon;b) de om aanhouding verzoekende autoriteit;c) het bestaan van een bevel tot aanhouding of van een akte die dezelfde kracht heeft, of van een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis;d) de aard en wettelijke omschrijving van het strafbaar feit;e) een omschrijving van de omstandigheden waaronder het strafbaar feit is begaan, met inbegrip van tijdstip, plaats en mate van betrokkenheid van de gezochte persoon bij het strafbaar feit;f) voor zover mogelijk de gevolgen van het strafbaar feit.2. Niettegenstaande lid 1 kunnen aanvullende gegevens worden gevraagd, indien de in lid 1 bedoelde gegevens voor de bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat onvoldoende blijken te zijn om haar toestemming te geven voor de overlevering. ARTIKEL 5 Instemming en toestemming 1. De instemming van de aangehouden persoon wordt gegeven overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 6 en 7.2. De bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat geeft haar toestemming overeenkomstig haar nationale procedures. ARTIKEL 6 Informatie van de betrokkene Wanneer een voor uitlevering gezochte persoon wordt aangehouden op het grondgebied van een andere Lid-Staat, stelt de bevoegde autoriteit deze persoon in overeenstemming met haar nationaal recht in kennis van het verzoek dat te zijnen aanzien is gedaan, en van de mogelijkheid die hem wordt geboden in te stemmen met zijn overlevering aan de verzoekende Staat volgens de verkorte procedure.

ARTIKEL 7 Verkrijging van de instemming 1. De instemming van de aangehouden persoon en, in voorkomend geval, zijn uitdrukkelijke afstand van de bescherming van het specialiteitsbeginsel, geschiedt ten overstaan van de bevoegde rechterlijke instanties van de aangezochte Staat, overeenkomstig het nationaal recht van die Staat.2. Elke Lid-Staat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de instemming, en, in voorkomend geval, de afstand, als bedoeld in lid 1, wordt verkregen onder omstandigheden waaruit blijkt dat de betrokkene uit vrije wil handelt en zich volledig bewust is van de gevolgen.De aangehouden persoon heeft te dien einde het recht zich door een raadsman te doen bijstaan. 3. De instemming en, in voorkomend geval, de afstand, als bedoeld in lid 1, worden opgetekend in een proces-verbaal dat wordt opgemaakt overeenkomstig het nationaal recht van de aangezochte Staat.4. De instemming en, in voorkomend geval, de afstand, als bedoeld in lid 1, kan niet worden herroepen.Bij de nederlegging van hun instrumenten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, kunnen de Lid-Staten in een verklaring te kennen geven dat de instemming en, in voorkomend geval, de afstand overeenkomstig hun nationaal recht kan worden herroepen. In dat geval wordt het tijdvak tussen de kennisgeving van de instemming en de kennisgeving van de herroeping niet in aanmerking genomen voor het bepalen van de in artikel 16, lid 4, van het Europees Verdrag betreffende uitlevering bedoelde termijn.

ARTIKEL 8 Mededeling van de instemming 1. De aangezochte Staat deelt de verzoekende Staat onmiddellijk de instemming van de betrokken persoon mee.Ten einde, in voorkomend geval, de verzoekende Staat in de gelegenheid te stellen een verzoek tot uitlevering in te dienen, deelt de aangezochte Staat uiterlijk tien dagen na de voorlopige aanhouding mee of de betrokken persoon al dan niet zijn instemming heeft gegeven. 2. De in lid 1 bedoelde mededeling geschiedt rechtstreeks tussen de bevoegde autoriteiten. ARTIKEL 9 Afstand van de bescherming van het specialiteitsbeginsel Elke Lid-Staat kan bij de nederlegging van zijn instrument van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding of op ieder ander tijdstip verklaren dat het bepaalde in artikel 14 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering niet van toepassing is indien de betrokkene, overeenkomstig artikel 7 van de onderhavige Overeenkomst : a) met de uitlevering instemt of b) met de uitlevering instemt en uitdrukkelijk afstand doet van de bescherming van het specialiteitsbeginsel. ARTIKEL 10 Mededeling van het besluit 1. In afwijking van het bepaalde in artikel 18, lid 1, van het Europees Verdrag betreffende uitlevering, vindt de mededeling van de ingevolge de verkorte procedure genomen beslissing tot uitlevering en van de informatie betreffende de toepassing van deze procedure rechtstreeks tussen de bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat en de autoriteit van de verzoekende Staat die om voorlopige aanhouding heeft verzocht, plaats.2. De in lid 1 bedoelde mededeling geschiedt uiterlijk twintig dagen na de datum waarop de betrokken persoon zijn instemming heeft gegeven. ARTIKEL 11 Termijn voor de overlevering 1. De overlevering van de betrokken persoon vindt plaats uiterlijk twintig dagen na de datum van mededeling van de beslissing tot uitlevering overeenkomstig artikel 10, lid 2.2. Indien de betrokken persoon in hechtenis is, wordt hij bij het verstrijken van de in lid 1 bedoelde termijn op het grondgebied van de aangezochte Staat in vrijheid gesteld.3. Indien de betrokken persoon door overmacht niet binnen de in lid 1 bedoelde termijn kan worden overgeleverd, stelt de betrokken autoriteit als bedoeld in artikel 10, lid 1, de andere autoriteit hiervan in kennis.Zij komen onderling een nieuwe datum voor de overlevering overeen. In dat geval vindt de overlevering plaats binnen twintig dagen na de aldus overeengekomen nieuwe datum. Indien de betrokken persoon bij het verstrijken van die termijn nog in hechtenis is, wordt hij in vrijheid gesteld. 4. De leden 1, 2 en 3 van dit artikel zijn niet van toepassing in geval de aangezochte Staat artikel 19 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering wenst toe te passen. ARTIKEL 12 Instemming die na het verstrijken van de in artikel 8 bepaalde termijn of in andere omstandigheden wordt gegeven 1. Indien de betrokken persoon zijn instemming geeft na het verstrijken van de in artikel 8 bepaalde termijn van tien dagen, - past de aangezochte Staat de bij deze Overeenkomst vastgelegde verkorte procedure toe, indien hij nog geen verzoek tot uitlevering als bedoeld in artikel 12 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering heeft ontvangen; - kan de aangezochte Staat deze verkorte procedure toepassen, indien hij inmiddels een verzoek tot uitlevering als bedoeld in artikel 12 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering heeft ontvangen. 2. Indien geen verzoek tot voorlopige aanhouding is ingediend en de instemming is gegeven nadat de aangezochte Staat een verzoek tot uitlevering heeft ontvangen, kan deze de bij deze Overeenkomst vastgelegde verkorte procedure toepassen.3. Bij de nederlegging van zijn instrument van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, geeft elke Lid-Staat in een verklaring te kennen of hij het voornemen heeft lid 1, tweede streepje, en lid 2, toe te passen en, zo ja, onder welke voorwaarden hij zulks zal doen. ARTIKEL 13 Verderlevering aan een andere Lid-Staat Wanneer de uitgeleverde persoon overeenkomstig de in artikel 9 van deze Overeenkomst bedoelde verklaring van de Lid-Staat niet de bescherming van het specialiteitsbeginsel geniet, is artikel 15 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering niet van toepassing op de verderlevering van deze persoon aan een andere Lid-Staat, tenzij in die verklaring anders is bepaald.

ARTIKEL 14 Doortocht In geval van doortocht in de zin van artikel 21 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering, geldt bij uitlevering volgens de verkorte procedure het volgende : a) in dringende gevallen kan het verzoek, vergezeld van de in artikel 4 genoemde gegevens, bij de Staat van doortocht worden ingediend met alle middelen die een schriftelijke melding opleveren.De Staat van doortocht kan zijn beslissing op dezelfde wijze kenbaar maken; b) de gegevens als bedoeld in artikel 4 zijn voldoende om de bevoegde autoriteit van de Staat van doortocht in staat te stellen na te gaan of het een verkorte uitleveringsprocedure betreft en ten aanzien van de uitgeleverde persoon de nodige dwangmaatregelen te nemen voor de uitvoering van de doortocht. ARTIKEL 15 Aanwijzing van de bevoegde autoriteiten Elke Lid-Staat geeft bij de nederlegging van zijn instrument van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding in een verklaring aan, welke de bevoegde autoriteiten zijn in de zin van de artikelen 4 tot en met 8, 10 en 14.

ARTIKEL 16 Inwerkingtreding 1. Deze Overeenkomst moet worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden neergelegd bij het Secretariaat-Generaal van de Raad van de Europese Unie. De Secretaris-Generaal van de Raad stelt alle Lid-Staten van de nederlegging in kennis. 2. Deze Overeenkomst treedt in werking negentig dagen nadat de laatste Lid-Staat zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring heeft neergelegd.3. Tot de inwerkingtreding van deze Overeenkomst kan elke Lid-Staat bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring of op enig ander tijdstip verklaren dat de Overeenkomst negentig dagen na de nederlegging van zijn verklaring op hem van toepassing is in zijn betrekkingen met de Lid-Staten die een zelfde verklaring hebben afgelegd.4. De verklaringen als bedoeld in artikel 9 worden van kracht dertig dagen na de nederlegging ervan, doch ten vroegste op de datum van inwerkingtreding van de Overeenkomst of de datum waarop deze voor de betrokken Lid-Staat van toepassing is geworden.5. De Overeenkomst is alleen van toepassing op verzoeken die worden ingediend na de datum waarop deze in werking is getreden of tussen de aangezochte Staat en de verzoekende Staat van toepassing is geworden. ARTIKEL 17 Toetreding 1. Elke Staat die lid wordt van de Europese Unie, kan tot deze Overeenkomst toetreden.2. De door het Secretariaat-Generaal van de Raad van de Europese Unie vastgestelde en door alle Lid-Staten goedgekeurde tekst van deze Overeenkomst in de taal van de toetredende Staat, is met de andere teksten gelijkelijk authentiek.De Secretaris-Generaal zendt een eensluidend gewaarmerkt afschrift van deze tekst toe aan elke Lid-Staat. 3. De akten van toetreding worden neergelegd bij het Secretariaat-Generaal van de Raad van de Europese Unie.4. Deze Overeenkomst treedt ten aanzien van elke toetredende Staat in werking negentig dagen nadat diens akte van toetreding is neergelegd, of op de datum van inwerkingtreding van de Overeenkomst indien deze bij het verstrijken van de genoemde periode van negentig dagen nog niet in werking te getreden.5. Indien deze Overeenkomst op het tijdstip van nederlegging van zijn akte van toetreding nog niet in werking is getreden, is artikel 16, lid 3, van toepassing op de toetredende Lid-Staat. Ten blijke waarvan de ondergetekende gevolmachtigden hun handtekening onder deze Overeenkomst hebben gesteid.

Gedaan te Brussel, de tiende maart negentienhonderdvijfennegentig, in één exemplaar, in de Deense, de Duitse, de Engelse de Finse, de Franse, de Griekse, de Ierse, de Italiaanse, de Nederlandse, de Portugese, de Spaanse en de Zweedse taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek, dat wordt neergelegd in het archief van het Secretariaat-Generaal van de Raad van de Europese Unie. De Secretaris-Generaal zendt een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan toe aan elke Lid-Staat.

Overeenkomst opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie aangaande de verkorte procedure tot uitlevering tussen de Lid-Staten van de Europese Unie, gedaan te Brussel op 10 maart 1995 Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld België heeft volgende verklaringen afgelegd : 1. verklaring bij artikel 7 : « De instemming met de verkorte procedure, uitgedrukt in toepassing van de huidige Overeenkomst, door een in België gevonden persoon, alsook de hiermee samenhangende automatische afstand van het specialiteitsbeginsel zijn herroepbaar tot op het moment dat deze persoon in de handen van de autoriteiten van de verzoekende staat is overgedragen ».2. verklaring bij artikel 9 : « De regels die betrekking hebben op de specialiteit, voorzien in artikel 14 van het Europees Uitleveringsverdrag, zijn niet van toepassing indien de betrokken persoon instemt met zijn uitlevering ».3. verklaring bij artikel 12 : « België wil, met het oog op het uitbreiden van de toepassingsmogelijkheden van de verkorte procedure, artikel 12, paragraaf 1, 2e streepje en paragraaf 2 toepassen ».4. verklaring bij artikel 15 : « België benoemt als bevoegde autoriteiten enerzijds, de parketten van de rechtbanken van eerste aanleg en het federale parket in toepassing van de artikelen 4 tot en met 8 en artikel 10, en anderzijds de Dienst Individuele Gevallen, in de materie van de Internationale Gerechtelijke Samenwerking in Strafzaken van het Directoraat-Generaal Wetgeving en Fundamentele Rechten en Vrijheden van de Federale Overheidsdienst Justitie, in toepassing van artikel 14 ». 5. verklaring bij artikel 16 : « Wat België betreft en op grond van artikel 16, is deze Overeenkomst van toepassing in de betrekkingen met de andere lidstaten die eenzelfde verklaring hebben afgelegd ».

^