Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 02 februari 2001

Uittreksel uit arrest nr. 118/2000 van 16 november 2000 Rolnummer 1818 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 45 van de wet van 27 december 1961 houdende statuut van de onderofficieren van het actief kader der land-, lucht- en ze Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en G. De Baets, en de rechters L. (...)

bron
arbitragehof
numac
2001021047
pub.
02/02/2001
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

ARBITRAGEHOF


Uittreksel uit arrest nr. 118/2000 van 16 november 2000 Rolnummer 1818 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 45 van de wet van 27 december 1961 houdende statuut van de onderofficieren van het actief kader der land-, lucht- en zeemacht, gesteld door de Rechtbank van eerste Aanleg te Luik.

Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en G. De Baets, en de rechters L. François, P. Martens, A. Arts, R. Henneuse en E. De Groot, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag Bij vonnis van 19 november 1999 in zake R. Doumont tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 24 november 1999, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 45 van de wet van 27 december 1961 houdende statuut van de onderofficieren van het actief kader der land-, lucht- en zeemacht de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het bepaalt dat een militair beroepsmuzikant, niettegenstaande hij is gelijkgesteld met de beroepsonderofficieren, niet kan worden overgeplaatst in één van de ambtengroepen van de onderofficieren van het actief kader tenzij op voorwaarde te voldoen aan een geschiktheidsproef vastgesteld door de Minister van Landsverdediging en doordat het behoud van een gelijkwaardige graad hem niet wordt verzekerd noch, derhalve, het behoud van zijn wedde (de Minister bepaalt immers de graad die hem zal worden verleend), terwijl de beroepsonderofficieren op hun verzoek van ambtengroep kunnen veranderen zonder examen en met behoud van hun graad ? » (...) IV. In rechte (...) B.1. Artikel 45 van de wet van 27 december 1961 houdende statuut van de onderofficieren van het actief kader der land-, lucht- en zeemacht, waarop de prejudiciële vraag betrekking heeft, bepaalt : « De beroepsmuzikant kan niet overgeplaatst worden naar één der ambtengroepen van de onderofficieren van het actief kader tenzij op zijn aanvraag en op voorwaarde aan een geschiktheidsproef te voldoen.

De Minister van Landsverdediging bepaalt, in elk geval, rekening houdende met de vorming van de belanghebbende, het programma van de geschiktheidsproef die hij zal moeten ondergaan, en de graad die hem in geval van welslagen zal verleend worden.

De belanghebbende wordt gerangschikt, in de ambtengroep in welke hij ingedeeld werd, na de onderofficieren die op dezelfde datum benoemd werden in de graad die hem wordt verleend. » B.2. Doordat de in het geding zijnde bepaling de overplaatsing van de beroepsmuzikanten (gelijkgesteld met de beroepsonderofficieren) naar een van de ambtengroepen van de onderofficieren van het actief kader afhankelijk maakt van een geschiktheidsproef en de Minister van Landsverdediging machtigt om de graad te bepalen die hun zal worden toegekend in geval van welslagen, voert zij een verschil van behandeling in tussen de beroepsmuzikanten en de onderofficieren van het actief kader, wier overplaatsing niet bij wet afhankelijk wordt gemaakt van een dergelijk examen en aan wier graad niet wordt geraakt bij die overplaatsing. De voormelde wet van 27 december 1961 bepaalt immers in artikel 6 ervan dat « op aanvraag van de onderofficier [...] de Minister van Landsverdediging hem van krijgsmachtdeel of van ambtengroep [kan] veranderen ».

B.3.1. Er dient rekening te worden gehouden met de bijzonderheden van de functie van de militaire beroepsmuzikanten alsook met het specifieke karakter van hun benoemingsvoorwaarden en van hun loopbaan.

Het Hof stelt vast dat de wet niet op identieke wijze de benoemingsvoorwaarden van de beroepsonderofficieren (artikel 8 van de wet van 27 december 1961) en de benoemingsvoorwaarden van de militaire beroepsmuzikanten (artikel 44 van dezelfde wet) regelt. De omstandigheid dat de wet aan de Koning een machtiging verleent die - bovendien in verschillende bewoordingen - betrekking heeft op de organisatie van de professionele proeven waarin zij voorziet, impliceert, in tegenstelling tot wat de eiser voor de verwijzende rechter betoogt, niet dat de benoemingsvoorwaarden voor beiden soortgelijk zouden zijn.

De in het geding zijnde militaire loopbaan is tevens verschillend van die van de beroepsonderofficieren, vermits de muzikanten in hiërarchische orde in klassen worden ingedeeld (artikel 42, § 1, van de in het geding zijnde wet), zonder overeenstemming met de militaire graden (Parl. St., Kamer, 1959-1960, nr. 613/2, p. 4).

B.3.2. Het in B.2 omschreven verschil in behandeling berust op een objectief criterium en is in redelijkheid verantwoord ten aanzien van de vereisten inzake de goede werking en de doeltreffendheid van de krijgsmacht. De maatregel die ertoe strekt de overplaatsing van militaire beroepsmuzikanten slechts toe te staan op voorwaarde dat zij aan een geschiktheidsproef voldoen, waarvan de moeilijkheidsgraad op zichzelf niet ter discussie is gesteld, is niet onevenredig vermits die vereisten zich ertegen verzetten dat de betrokkenen zouden kunnen worden aangesteld in ambtengroepen die zijn vastgesteld voor de beroepsonderofficieren en zijn opgericht rekening houdend met de steeds toenemende techniciteit en specialiteit van de militaire functies (Parl. St., Kamer, 1959-1960, nr. 613/1, p. 2) zonder dat de geschiktheid van de betrokkenen om die functies uit te oefenen - die niet kon worden vastgesteld aan de hand van de functies die ze tot dan uitoefenden - wordt onderzocht.

B.3.3. De machtiging die bij de in het geding zijnde bepaling aan de Minister van Landsverdediging wordt verleend en die betrekking heeft op de vaststelling van de graad die, na welslagen voor de geschiktheidsproef zou worden verleend, - evenmin als die welke betrekking heeft op de vaststelling van het programma van die proef - kan niet in die zin worden uitgebreid dat zij de minister ertoe machtigt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet te schenden. De op basis daarvan genomen beslissingen zijn bovendien onderworpen aan de jurisdictionele toetsing.

B.4. De wet van 27 december 1961 bepaalt weliswaar, zoals de verwijzende rechter doet opmerken, dat « de militaire beroepsmuzikanten zijn gelijkgesteld met de beroepsonderofficieren » (artikel 42, § 2), en ze plaatst het hoofdstuk (VII) dat de regels bevat die van toepassing zijn op eerstgenoemden onder de titel (II) welke de regels bevat die van toepassing zijn op laatstgenoemden.

Behoudens het feit dat de structuur en de opschriften van de onderverdelingen van de wetten geen kracht van wet hebben, kan de in het geding zijnde gelijkstelling echter niet zo ruim worden opgevat dat zij het specifieke karakter zou ontkennen van diegenen die men gelijk wil stellen en diegenen met wie men ze gelijk wil stellen. Te dezen heeft de wetgever, zoals de Raad van State hem heeft verzocht (Parl. St., Kamer, 1959-1960, nr. 613/1, p. 16), ervoor gezorgd de regels betreffende de militaire beroepsmuzikanten te laten voorafgaan door een bepaling die stelt dat « op de militaire beroepsmuzikanten [...] de bijzondere in dit hoofdstuk bepaalde regelen van toepassing [zijn] » (artikel 41) en in artikel 43 van de in het geding zijnde wet te specifiëren welke van de op de beroepsonderofficieren toepasbare regels van toepassing zijn op de militaire beroepsmuzikanten. De gelijkstelling waarvan hier sprake is, is dus beperkt, wat overigens wordt bevestigd in de parlementaire voorbereiding van de wet van 27 december 1961. De memorie van toelichting geeft immers aan : « Alhoewel de beroepsmuzikanten geen beroepsonderofficieren zijn, vinden toch heel wat regelen van het statuut der beroepsonderofficieren toepassing op deze categorie. Daarom wordt er in dit ontwerp een hoofdstuk aan gewijd, en in hetwelk inzonderheid de voorwaarden worden bepaald waarin de beroepsmuzikant zijn overplaatsing naar de categorie der beroepsonderofficieren kan bekomen. » (Parl. St., Kamer, 1959-1960, nr. 613/1, p. 6) en het verslag aan de Kamer van volksvertegenwoordigers preciseert in verband met de militaire beroepsmuzikanten : « Zijn onderverdeeld in klassen, die niet met de militaire graden overeenstemmen. De voornaamste bepalingen van het statuut der beroepsonderofficieren zijn op hen van toepassing. Mogelijkheid om onder bepaalde voorwaarden, op aanvraag, onderofficier te worden. » (idem, nr. 613/2, p. 4) B.5. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 45 van de wet van 27 december 1961 houdende statuut van de onderofficieren van het actief kader der land-, lucht- en zeemacht schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in zoverre het bepaalt dat een militaire beroepsmuzikant niet kan worden overgeplaatst in een van de ambtengroepen van de onderofficieren van het actief kader tenzij op voorwaarde te voldoen aan een geschiktheidsproef vastgesteld door de Minister van Landsverdediging.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 16 november 2000.

De griffier, De voorzitter, L. Potoms. M. Melchior.

^