Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 28 juni 2001

Uittreksel uit arrest nr. 60/2001 van 8 mei 2001 Rolnummers 1849, 1922, 1923 en 2009 In zake : de prejudiciële vragen over de artikelen 34, 91, 92, 93 en 97 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, artik Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters H. Boel en M. Melchior, de rechters L. Françoi(...)

bron
arbitragehof
numac
2001021332
pub.
28/06/2001
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

ARBITRAGEHOF


Uittreksel uit arrest nr. 60/2001 van 8 mei 2001 Rolnummers 1849, 1922, 1923 en 2009 In zake : de prejudiciële vragen over de artikelen 34, 91, 92, 93 en 97 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, artikel 11, eerste lid, van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken en de artikelen 386 tot 391 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door het Hof van Beroep te Gent, het Hof van Beroep te Luik en het Hof van Cassatie.

Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters H. Boel en M. Melchior, de rechters L. François, R. Henneuse en M. Bossuyt, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, emeritus voorzitter G. De Baets en ererechter J. Delruelle, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van emeritus voorzitter G. De Baets, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen a. Bij arrest van 16 december 1999 in zake L.Van Daele en E. Van der Gucht tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 21 december 1999, heeft het Hof van Beroep te Gent volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 11, eerste lid, van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken en 97, zevende lid, van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet in zoverre zij een onderscheid in het leven roepen vanaf 6 april 1999 tussen, enerzijds, de belastingplichtigen, die een geschil hebben met de administratie en die het geding vóór 1 maart 1999 hebben ingeleid voor het hof van beroep alwaar zij beperkt worden door de g nieuwe grieven =-regeling van het W.I.B. 1992 en, anderzijds, die belastingplichtigen, die een geschil hebben met de administratie en die het geding vanaf 6 april 1999 inleiden voor de rechtbank van eerste aanleg en daar de mogelijkheid bezitten om hun vordering te wijzigen en uit te breiden overeenkomstig het gemene recht van de artikelen 807 en 808 Ger. Wb., rekening houdend met het feit dat van de gewone regeling inzake inwerkingtreding en overgang bij invoering van nieuwe regels (artikel 3 Ger. Wb.) afgeweken werd zonder motivering en dit de onderscheiden behandeling in het leven heeft geroepen ?" Die zaak is ingeschreven onder nummer 1849 van de rol van het Hof. b. Bij twee arresten van 15 maart 2000 in zake de stad Luik tegen de n.v. Résidence Les Beaux Chênes en in zake de gemeente Fléron tegen de n.v. Steiner & Cie, waarvan de expedities ter griffie van het Arbitragehof zijn ingekomen op 27 maart 2000, heeft het Hof van Beroep te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 91, 92, 93 en 97 van de wet van 15 maart 1999 alsmede artikel 11 van de wet van 23 maart 1999 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat zij, in tegenstelling tot de mogelijkheid die is voorbehouden aan de belastingplichtigen van Rijksbelastingen om daartegen op te komen bij de directeur, de belastingplichtigen van een lokale belasting die het voorwerp is van een soortgelijk beroep bij de bestendige deputatie dat op 6 april 1999 hangende is gebleven, niet toestaan een dubbele aanleg te verkrijgen, vermits laatstgenoemden ertoe gehouden blijken een beroep in eerste en laatste aanleg in te stellen bij het hof van beroep, op basis van de ten tijde van het bezwaarschrift geldende procedure ?" Die zaken zijn ingeschreven onder de nummers 1922 en 1923 van de rol van het Hof. c. Bij arrest van 29 juni 2000 in zake R.Bloden en D. Lonneux tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 10 juli 2000, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Worden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet geschonden door de artikelen 34 en 97, laatste lid, van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen en door artikel 11, eerste lid, van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, in hun uitlegging dat, zelfs na 6 april 1999, voorzieningen in cassatie tegen arresten die uitspraak doen op beroepen inzake inkomstenbelastingen die vóór 1 maart 1999 bij de hoven van beroep zijn ingesteld, beheerst worden door de regels van de artikelen 386 tot 391 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, ook al werden die artikelen vanaf 1 maart 1999 uitdrukkelijk opgeheven bij de artikelen 34 en 97, laatste lid, van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting in fiscale geschillen ?" Die zaak is ingeschreven onder nummer 2009 van de rol van het Hof. (...) IV. In rechte (...) Over het middel aangevoerd door de Waalse Regering B.1. De Waalse Regering voert in haar memorie een nieuw middel aan.

Nieuwe middelen mogen enkel worden aangevoerd in het geval bedoeld in artikel 85 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof. Aangezien de memorie niet steunt op artikel 85, maar op artikel 87 van de voormelde wet, is het nieuwe middel dat erin wordt aangevoerd, onontvankelijk.

Over de grond van de zaak B.2. De wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen en de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken hebben de fiscale geschillenregeling grondig hervormd. Na het administratieve beroep worden fiscale geschillen voortaan afgehandeld door de rechterlijke macht, in beginsel volgens de regels van het Gerechtelijk Wetboek.

In zoverre de wetten van 15 maart 1999 en 23 maart 1999 in geen bijzondere regels ter zake hebben voorzien, treden zij in werking vanaf de tiende dag na de publicatie in het Belgisch Staatsblad, zijnde 6 april 1999. De wetten bevatten evenwel een aantal overgangsbepalingen die aanleiding hebben gegeven tot de voorliggende prejudiciële vragen.

De zaak nr. 1849 B.3.1. Op grond van de wetten van 15 maart 1999 en 23 maart 1999, die in werking zijn getreden op 6 april 1999, behoren de fiscale geschillen tot de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg. In het kader van die procedure kan de belastingplichtige overeenkomstig de artikelen 807 en 808 van het Gerechtelijk Wetboek zijn vordering uitbreiden of wijzigen, indien de nieuwe op tegenspraak genomen conclusies berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is.

Ingevolge de overgangsregeling vervat in artikel 11, eerste lid, van de wet van 23 maart 1999 en in artikel 97, zevende lid, van de wet van 15 maart 1999 worden de gedingen die hangende zijn voor de hoven, de rechtbanken en andere instanties, met inbegrip van de rechtsmiddelen die tegen hun beslissingen kunnen worden aangewend, vervolgd en afgehandeld met toepassing van de vóór 1 maart 1999 geldende regels.

Overeenkomstig die vroegere regeling kunnen in beroep slechts nieuwe grieven worden aangevoerd voor zover zij een overtreding van de wet of een schending van op straffe van nietigheid voorgeschreven procedurevormen aanvoeren.

B.3.2. De verwijzende rechter vraagt of de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zijn geschonden doordat vanaf 6 april 1999 een onderscheid bestaat tussen, enerzijds, de belastingplichtigen die vóór 1 maart 1999 een geding hebben ingeleid bij het hof van beroep en daarbij onder de toepassing vallen van de regeling inzake nieuwe grieven die is vervat in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en, anderzijds, de belastingplichtigen die na 1 maart 1999 hun zaak kunnen voorleggen aan de rechtbank van eerste aanleg en de mogelijkheid hebben om zich te beroepen op de regeling in de artikelen 807 en 808 van het Gerechtelijk Wetboek. De rechter wijst er ook op dat de overgangsregeling daarmee afwijkt van de algemene regeling van artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek.

B.3.3. Artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt : « De wetten op de rechterlijke organisatie, de bevoegdheid en de rechtspleging zijn van toepassing op de hangende rechtsgedingen, zonder dat die worden onttrokken aan de instantie van het gerecht waarvoor zij op geldige wijze aanhangig zijn, en behoudens de uitzonderingen bij de wet bepaald. » B.3.4. Zoals de in die bepalingen gebruikte bewoordingen aangeven, staat het aan de wetgever om uit te maken of hij in een bepaald geval afwijkt van de algemene regeling vervat in die bepaling, zonder dat door dat enkele feit het gelijkheidsbeginsel in het gedrang zou komen.

De artikelen 10 en 11 van de Grondwet zijn geschonden indien de in het geding zijnde overgangsregeling een onderscheid in behandeling doet ontstaan waarvoor geen objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat.

B.3.5. Het onderscheid in behandeling waarover het Hof wordt ondervraagd, vloeit voort uit twee wettelijke regelingen die elkaar opvolgen in de tijd, zij het dat beide regelingen, ingevolge de overgangsbepalingen van de nieuwe wet, nog een tijdlang naast elkaar bestaan.

Rekening houdend met het omvattend en ingrijpend karakter van de hervorming van de fiscale geschillenregeling en met de verregaande reorganisatie op het vlak van de rechtscolleges die daarmee gepaard gaat, komt het niet onredelijk voor dat de wetgever die nieuwe regeling slechts laat ingaan voor de toekomstige en niet voor de hangende gedingen.

B.3.6. De prejudiciële vraag moet ontkennend worden beantwoord.

De zaken nrs. 1922 en 1923 B.4.1. In beide zaken stelt de verwijzende rechter dezelfde prejudiciële vraag, die luidt : « Schenden de artikelen 91, 92, 93 en 97 van de wet van 15 maart 1999 alsmede artikel 11 van de wet van 23 maart 1999 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat zij, in tegenstelling tot de mogelijkheid die is voorbehouden aan de belastingplichtigen van Rijksbelastingen om daartegen op te komen bij de directeur, de belastingplichtigen van een lokale belasting die het voorwerp is van een soortgelijk beroep bij de bestendige deputatie dat op 6 april 1999 hangende is gebleven, niet toestaan een dubbele aanleg te verkrijgen, vermits laatstgenoemden ertoe gehouden blijken een beroep in eerste en laatste aanleg in te stellen bij het hof van beroep, op basis van de ten tijde van het bezwaarschrift geldende procedure ?" B.4.2. Uit de combinatie van artikel 97, derde lid, van de wet van 15 maart 1999 en artikel 11, eerste lid, van de wet van 23 maart 1999 en de toepassing van het beginsel lex posterior derogat priori en uit artikel 4 van de wet van 17 februari 2000, volgt dat de geschillen inzake de provincie- en gemeentebelastingen die op 6 april 1999 hangende zijn bij de bestendige deputatie en bij het rechtsprekend college van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, moeten worden gevoerd en afgehandeld met toepassing van de vóór 1 maart 1999 geldende regels.

B.4.3. In de geschillenregeling voor de provincie- en gemeentebelastingen, zoals zij van toepassing blijft op de hangende gedingen, heeft de bestendige deputatie een rechtsprekende functie en moet het beroep tegen de beslissingen van de bestendige deputatie worden ingesteld bij het hof van beroep. In tegenstelling tot wat in de prejudiciële vraag wordt gesteld, beschikt de belastingplichtige dus over een dubbele aanleg, zodat het verschil in behandeling waarover het Hof wordt ondervraagd niet bestaat.

Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de prejudiciële vragen zonder voorwerp zijn.

De zaak nr. 2009 B.5.1. Artikel 34 van de wet van 15 maart 1999 vervangt de artikelen 377 tot 392 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 door nieuwe bepalingen inzake de aanwending van rechtsmiddelen. Volgens artikel 97, laatste lid, van diezelfde wet, treedt artikel 34, voor zover het de artikelen 377 tot 392 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 opheft, in werking op 1 maart 1999. De vermelde bepalingen, zoals ze bestonden vóór hun opheffing, blijven evenwel van toepassing op de beroepen die vóór die datum zijn ingeleid.

Artikel 11, eerste lid, van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken bepaalt, zoals hiervoor is vermeld, dat de gedingen die hangende zijn bij de hoven, de rechtbanken en andere instanties, met inbegrip van de rechtsmiddelen die tegen hun beslissingen kunnen worden aangewend, worden vervolgd en afgehandeld met toepassing van de vóór 1 maart 1999 geldende regels.

B.5.2. De verwijzende rechter vraagt het Hof of de artikelen 10 en 11 van de Grondwet worden geschonden door de artikelen 34 en 97, laatste lid, van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen en door artikel 11, eerste lid, van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, in hun uitlegging dat, zelfs na 6 april 1999, voorzieningen in cassatie tegen arresten die uitspraak doen op beroepen inzake inkomstenbelastingen die vóór 1 maart 1999 bij de hoven van beroep zijn ingesteld, onderworpen zijn aan de regels van de artikelen 386 tot 391 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ook al werden die artikelen vanaf 1 maart 1999 uitdrukkelijk opgeheven bij de artikelen 34 en 97, laatste lid, van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen.

B.5.3. Om de redenen aangegeven in B.3.5, dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - Artikel 97, zevende lid, van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen en artikel 11, eerste lid, van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken schenden niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij vanaf 6 april 1999 een onderscheid in het leven roepen tussen, enerzijds, de belastingplichtigen die vóór 1 maart 1999 een geding hebben ingeleid bij het hof van beroep en daarbij onder de toepassing vallen van de regeling inzake nieuwe grieven die is vervat in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en, anderzijds, de belastingplichtigen die na 1 maart 1999 hun zaak kunnen voorleggen aan de rechtbank van eerste aanleg en de mogelijkheid hebben om zich te beroepen op de regeling in de artikelen 807 en 808 van het Gerechtelijk Wetboek. - De prejudiciële vragen gesteld in de zaken nrs. 1922 en 1923 zijn zonder voorwerp. - De artikelen 34 en 97, laatste lid, van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen en artikel 11, eerste lid, van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, in hun uitlegging dat, zelfs na 6 april 1999, voorzieningen in cassatie tegen arresten die uitspraak doen op beroepen inzake inkomstenbelastingen die vóór 1 maart 1999 bij de hoven van beroep zijn ingesteld, onderworpen zijn aan de regels van de artikelen 386 tot 391 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 8 mei 2001.

De griffier, L. Potoms De voorzitter, G. De Baets

^