Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 24 februari 2003

Uittreksel uit arrest nr. 155/2002 van 6 november 2002 Rolnummer 2216 In zake : de prejudiciële vragen over de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden in het algemeen en over artikel 31 van die wet in het Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters L. Fra(...)

bron
arbitragehof
numac
2003200094
pub.
24/02/2003
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

Uittreksel uit arrest nr. 155/2002 van 6 november 2002 Rolnummer 2216 In zake : de prejudiciële vragen over de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden in het algemeen en over artikel 31 van die wet in het bijzonder, gesteld door de Politierechtbank te Antwerpen.

Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters L. François, P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe en E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen Bij vonnis van 29 juni 2001 in zake W.-J. Van Huynegem tegen het Ministerie van Binnenlandse Zaken, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 4 juli 2001, heeft de Politierechtbank te Antwerpen de volgende prejudiciële vragen gesteld : « 1. Schendt de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden in het algemeen, artikel 31 in het bijzonder de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het ten aanzien van minderjarigen die rechtstreeks en persoonlijk door een administratieve sanctie worden getroffen géén bepalingen inhoudt betreffende hun procesrechtelijke bekwaamheid noch betreffende hun vertegenwoordiging waarbij mogelijkerwijze een belangenconflict bestaat met de wettige vertegenwoordigers ? 2. Schendt de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden in het algemeen, artikel 31 in het bijzonder de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het de politierechtbank aanwijst als bevoegde rechtsinstantie in hoger beroep tegen een administratieve maatregel terwijl voor diezelfde feiten, als misdrijf gekwalificeerd, die tot een strafrechtelijk onderzoek of strafrechtelijke vervolging zouden leiden ten aanzien van een minderjarige uitsluitend de jeugdrechtbank bevoegd is en uitsluitend de door de Wet op de Jeugdbescherming bepaalde maatregelen van toepassing kunnen zijn ? 3.Schendt de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden in het algemeen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het géén bepalingen inhoudt betreffende bijstand van een minderjarige in de mate hij verhoord wordt, bepaalde procedures of beslissingen worden aangezegd en bepaalde sancties worden getroffen dan wanneer hij anderzijds overeenkomstig de gemeenrechtelijke principes geacht wordt niet juridisch bekwaam te zijn ? » (...) IV. In rechte (...) B.1. De verwijzende rechter stelt drie prejudiciële vragen over de bestaanbaarheid met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie van de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden (hierna : voetbalwet), in zoverre die wet van toepassing zou zijn op minderjarigen.

Ten aanzien van de omvang van de saisine B.2.1. De eerste twee prejudiciële vragen beogen de voetbalwet « in het algemeen, artikel 31 in het bijzonder ». Artikel 31 voorziet in een beroep bij de politierechtbank tegen de door de bevoegde ambtenaar genomen beslissing.

De derde prejudiciële vraag beoogt de voormelde wet « in het algemeen ».

B.2.2. Zowel uit de motivering van de verwijzingsbeslissing als uit de formulering van de gestelde vragen blijkt dat, naast het uitdrukkelijk vermelde artikel 31 van de voetbalwet, tevens de artikelen 24 tot 30 van die wet bij de toetsing dienen te worden betrokken. Artikel 24 voorziet immers in de mogelijkheid in bepaalde gevallen een administratieve geldboete en een administratief stadionverbod, of één van beide sancties alleen, op te leggen. De artikelen 25 tot 30 voeren een aantal procedureregels in betreffende de administratieve rechtsvordering.

B.2.3. Bijgevolg onderzoekt het Hof de artikelen 24 tot 31 van de voormelde wet op hun bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen B.3.1. De in het geding zijnde bepalingen luiden : «

Art. 24.Overeenkomstig de procedure bepaald in Titel IV kan in geval van overtreding van de artikelen 20, 21, 22 of 23 een administratieve geldboete van tienduizend tot tweehonderdduizend frank en een administratief stadionverbod voor een duur van drie maanden tot vijf jaar worden opgelegd, of één van deze sancties alleen.

TITEL IV. - Procedure betreffende de administratieve rechtsvordering HOOFDSTUK I. - Vaststelling van de feiten

Art. 25.De feiten zoals gesanctioneerd in de artikelen 18 en 24 worden bij proces-verbaal vastgesteld door een politieambtenaar. De feiten zoals gesanctioneerd in artikel 18 kunnen ook bij proces-verbaal worden vastgesteld door een daartoe door de Koning aangewezen ambtenaar.

Het origineel van dit proces-verbaal wordt gestuurd aan de ambtenaar bedoeld in artikel 26, eerste lid.

Voor de feiten bedoeld in de artikelen 20, 21, 22 en 23 wordt een afschrift van het proces-verbaal terzelfder tijd gestuurd aan de procureur des Konings. HOOFDSTUK II. - Opleggen van sancties

Art. 26.De administratieve sanctie wordt opgelegd door de door de Koning aangewezen ambtenaar, met uitzondering van de ambtenaar die met toepassing van artikel 25 proces-verbaal heeft opgemaakt.

Wanneer de ambtenaar beslist dat er reden is om de administratieve procedure aan te vatten, deelt hij de overtreder door middel van een ter post aangetekende brief mee : 1° de feiten waarvoor de procedure is opgestart;2° het feit dat de overtreder de gelegenheid heeft om binnen dertig dagen te rekenen van de datum van kennisgeving van de aangetekende brief, zijn verweermiddelen uiteen te zetten bij een ter post aangetekende brief, en dat hij het recht heeft om bij die gelegenheid de in het eerste lid bedoelde ambtenaar om een mondelinge verdediging van zijn zaak te verzoeken;3° het feit dat de overtreder het recht heeft om zich te laten bijstaan door een raadsman;4° het feit dat de overtreder het recht heeft zijn dossier te consulteren;5° een afschrift van het in artikel 25, eerste lid, bedoelde proces-verbaal, gevoegd als bijlage. De in het eerste lid bedoelde ambtenaar bepaalt in voorkomend geval de dag waarop de betrokkene conform zijn verzoek krachtens het tweede lid, 2°, uitgenodigd wordt de mondelinge verdediging van zijn zaak voor te dragen.

Art. 27.Na afloop van de termijn bepaald in artikel 26, tweede lid, 2°, of in voorkomend geval na de schriftelijke of mondelinge verdediging van de zaak door de overtreder of zijn raadsman, kan de ambtenaar bedoeld in artikel 26, eerste lid, de overtreder een sanctie opleggen op basis van de artikelen 18 of 24.

Art. 28.De beslissing tot het opleggen van een administratieve sanctie heeft uitvoerbare kracht na het verstrijken van een termijn van een maand, te rekenen vanaf de dag van kennisgeving, bedoeld in artikel 30.

Het hoger beroep heeft schorsende kracht.

Art. 29.De beslissing tot het opleggen van een administratieve sanctie wordt gemotiveerd. Zij vermeldt eveneens het bedrag van de administratieve geldboete en de duur van het administratief stadionverbod, of een van die sancties alleen, en de bepalingen van artikel 31.

De administratieve sanctie staat in verhouding tot de ernst van de feiten die haar verantwoorden, en in verhouding tot de eventuele herhaling.

De vaststelling van meerdere samenlopende inbreuken op de artikelen 20, 21, 22 of 23 zal het voorwerp uitmaken van een enkele administratieve geldboete en een enkel administratief stadionverbod, of van een van deze sancties, in verhouding tot de ernst van het geheel van de feiten.

Wanneer de administratieve sanctie wordt opgelegd aan een organisator, bepaalt de genomen beslissing de termijn binnen dewelke aan de vastgestelde inbreuken moet verholpen worden. HOOFDSTUK III. - Kennisgeving van de beslissing

Art. 30.Van de beslissing wordt bij een ter post aangetekende brief kennis gegeven aan de overtreder en, bij schending van de artikelen 20, 21, 22 of 23, aan de procureur des Konings. HOOFDSTUK IV. - Hoger beroep

Art. 31.De overtreder die de beslissing van de in artikel 26, eerste lid, bedoelde ambtenaar betwist, tekent op straffe van verval binnen een termijn van een maand vanaf de kennisgeving van de beslissing, bij wege van verzoekschrift, beroep aan bij de politierechtbank.

Tegen de beslissing van de politierechtbank staat geen hoger beroep open.

Onverminderd de bepalingen in het eerste en tweede lid zijn de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing op het beroep bij de politierechtbank en het buitengewoon hoger beroep. » B.3.2. De mogelijkheid een beroep te doen op administratieve sancties om sommige inbreuken op de voetbalwet te bestraffen, werd tijdens de parlementaire voorbereiding als volgt verantwoord : « Voor wat betreft de sancties ten aanzien van [...] de in het stadion aanwezige personen, werd gekozen voor een administratief systeem, teneinde de zaken op een snelle wijze af te handelen en ook aangezien een dergelijk systeem minder repressief is voor de betrokken personen dan een strafrechtelijke aanpak (geen enkele vrijheidsberovende maatregel wordt voorzien - welnu, dergelijke maatregelen bedoeld door artikel 7 van het Strafwetboek zijn zwaarder dan een geldboete, de administratieve sancties worden niet opgenomen in het strafregister van de betrokkene,...).

Tegelijkertijd wil de wet ook erop toezien dat de op de wet toepasselijke vereisten van de artikelen 6 en 7 van het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens worden nageleefd.

In het bijzonder werd rekening gehouden met de rechten van verdediging (zie de administratieve procedure in Titel III), met het legaliteitsbeginsel (zoals dit blijkt uit de rechtspraak van het Europees Hof [...] voor de rechten van de mens), het gelijkheidsbeginsel (zoals dit blijkt uit de rechtspraak van het Arbitragehof, onder meer specifiek met betrekking tot de administratieve sancties; zie artikel 37), en met het proportionaliteitsbeginsel (artikel 29, lid 2). » (Parl. St. , Kamer, 1997-1998, nr. 1572/1, pp. 1-2) Inzake de toepassing van administratieve sancties ter bestrijding van het voetbalgeweld verklaarde de Minister van Binnenlandse Zaken het volgende : « [De administratieve sancties] vervolledigen het strafrecht zonder het te vervangen via de introductie van een systeem dat de samenloop van strafrechtelijke en administratieve vervolgingen regelt [...]. Zij brengen een eenvoudiger systeem voor de bewijslast met zich hetgeen een aanzienlijk voordeel in vergelijking met de bestaande strafrechtelijke bepalingen betekent . Zij verzekeren een efficiënte, vlugge en slagvaardige maatschappelijke reactie aangezien de voorgeschreven administratieve sancties eigen zijn aan de geviseerde feiten [...]. Zij vormen het antwoord op het gebrek aan maatschappelijke reactie wegens de overbelasting van de rechtbanken en de seponeringen door de parketten, omdat de administratieve procedure gevoerd zal worden door ambtenaren ' gespecialiseerd ' in het voetbal [...]. Uiteindelijk hebben ze een preventief effect wegens de ' dreiging ' wegens zware sancties [...]. Er mag dus van uitgegaan worden dat zij een veel grotere algemeen preventieve werking zullen hebben dan het geval is bij de huidige stand van de wetgeving. » (Parl. St. , Senaat, 1998-1999, nr. 1-1060/3, pp. 5-7) Ten aanzien van artikel 31 vermeldt de memorie van toelichting : « De overtreder heeft het recht om de juistheid van de beslissing van de ambtenaar te laten toetsen door een rechter. Om een vluggere behandeling van het beroep mogelijk te maken, werd hiertoe de politierechter aangeduid.

De wet laat geen gewoon hoger beroep toe met betrekking tot de beslissing van de politierechter, maar de buitengewone rechtsmiddelen (Cassatieberoep, derdenverzet, ...) zijn nog steeds mogelijk. » (Parl.

St. , Kamer, 1997-1998, nr. 1572/1, p. 22) Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag B.4. Nu het antwoord op de tweede prejudiciële vraag het antwoord op de eerste en de derde vraag zal bepalen, onderzoekt het Hof eerst de tweede prejudiciële vraag.

B.5. De verwijzende rechter overweegt dat de in het geding zijnde bepalingen van toepassing zijn op minderjarigen die feiten hebben gepleegd die zowel een inbreuk uitmaken op de bepalingen van de voetbalwet als op die van het Strafwetboek.

Volgens hem rijst dan de vraag naar de bestaanbaarheid van die bepalingen met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, nu ten aanzien van minderjarigen uitsluitend de jeugdrechtbank bevoegd is en uitsluitend de door de wet betreffende de jeugdbescherming bepaalde maatregelen op hen van toepassing kunnen zijn.

Aldus zouden voor de vervolging en de berechting van dezelfde feiten twee categorieën van minderjarigen bestaan : enerzijds, de categorie van minderjarigen waarop ook de administratieve sancties en de procedure betreffende de administratieve rechtsvordering waarin de voetbalwet voorziet, van toepassing zijn en, anderzijds, de categorie van minderjarigen waarop uitsluitend de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming van toepassing is.

B.6. Het invoeren van administratieve sancties om sommige inbreuken op de voetbalwet te bestraffen, vermag de door de wetgever nagestreefde preventieve en repressieve doelstellingen te verwezenlijken, die in de in B.3.2 aangehaalde parlementaire voorbereiding zijn verwoord.

B.7.1. Het Hof onderzoekt enkel of, in de hypothese dat die administratieve sancties op de wijze en volgens de procedure vastgesteld in de voetbalwet, op minderjarigen zouden worden toegepast, die maatregelen de evenredigheidstoets kunnen doorstaan.

B.7.2. De toepassing van die administratieve sancties zou bepaalde minderjarigen beroven van de procedurele waarborgen die de voormelde wet van 8 april 1965 heeft ingesteld voor alle minderjarigen, welke ook de ernst van de feiten is.

Uit artikel 37, § 1, van de wet van 8 april 1965 volgt dat aan de minderjarigen in beginsel enkel « maatregelen van bewaring, behoeding en opvoeding » kunnen worden opgelegd - hetgeen elke geldboete uitsluit - en zulks enkel door de jeugdgerechten. Die gespecialiseerde rechtscolleges staat aldus een ruime waaier van maatregelen, nader bepaald in artikel 37, § 2, van de voormelde wet, ter beschikking die volgens de omstandigheden kunnen worden opgelegd aan personen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en die de leeftijd van achttien jaar niet hebben bereikt.

B.7.3. In tegenstelling tot de vermogensstraf, omschreven als een administratieve geldboete door de in het geding zijnde wet, kan een stadionverbod deel uitmaken van die maatregelen. Evenwel is het niet redelijk verantwoord dat de wetgever, wanneer het om voetbalwedstrijden gaat, de zorg die hij tot uiting heeft gebracht om de minderjarigen te beschermen en hun toekomst te vrijwaren door hen bijzondere procedurele waarborgen te verlenen, opgeeft.

De omstandigheid dat de artikelen 36bis en 38 van de wet van 8 april 1965 in specifieke gevallen toestaan personen ouder dan zestien jaar op het ogenblik van de feiten voor het gerecht, bevoegd op grond van het gemeen recht, te brengen, volstaat niet om aan de in het geding zijnde maatregelen hun onevenredig karakter te ontnemen.

B.8. Uit het voorgaande vloeit voort dat het niet naar redelijkheid verantwoord is om op minderjarigen de door de voetbalwet voorgeschreven administratieve sancties toe te passen volgens de bij die wet georganiseerde rechtspleging.

B.9. De tweede prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

Ten aanzien van de eerste en de derde prejudiciële vraag B.10. Gelet op het antwoord op de tweede prejudiciële vraag, behoeven de andere vragen geen antwoord.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : In zoverre zij van toepassing zijn op minderjarigen, schenden de artikelen 24 tot 31 van de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 6 november 2002.

De griffier, P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter, A. Arts.

^