Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 29 april 2004

Uittreksel uit arrest nr. 49/2004 van 24 maart 2004 Rolnummer 2660 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 44 van de wet van 22 augustus 2002 houdende maatregelen inzake gezondheidszorg, ingesteld door de v.z.w. Association franco Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters L. Fran(...)

bron
arbitragehof
numac
2004200902
pub.
29/04/2004
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

ARBITRAGEHOF


Uittreksel uit arrest nr. 49/2004 van 24 maart 2004 Rolnummer 2660 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 44 van de wet van 22 augustus 2002 houdende maatregelen inzake gezondheidszorg, ingesteld door de v.z.w. Association francophone d'institutions de santé.

Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters L. François, P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman en E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 6 maart 2003 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 10 maart 2003, heeft de v.z.w. Association francophone d'institutions de santé, met zetel te 1000 Brussel, Sint-Jansstraat 32, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 44 van de wet van 22 augustus 2002 houdende maatregelen inzake gezondheidszorg (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 10 september 2002). (...) II. In rechte (...) Ten aanzien van de bestreden bepaling B.1. De verzoekende partij vordert de vernietiging van artikel 44 van de wet van 22 augustus 2002 houdende maatregelen inzake gezondheidszorg. Dat artikel bepaalt : « In [de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987] wordt in hoofdstuk V van Titel II een artikel 107quater ingevoegd, luidend als volgt : ' § 1. Een forfaitaire bijdrage van de patiënten die zich aanmelden in een eenheid voor spoedgevallenzorg, kan enkel door het ziekenhuis worden gevorderd overeenkomstig de voorwaarden bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. De Koning bepaalt het bedrag van die bijdrage, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. § 2. De Koning onderwerpt deze regeling twee jaar na de inwerkingtreding ervan aan een evaluatie en dient terzake bij de federale Wetgevende Kamers een verslag in. ' » Ten aanzien van het belang om in rechte te treden B.2.1. De Ministerraad betwist het belang van de verzoekende vereniging om in rechte te treden.

B.2.2. Wanneer een vereniging zonder winstoogmerk zich op een collectief belang beroept, is vereist dat haar maatschappelijk doel van bijzondere aard is en, derhalve, onderscheiden van het algemeen belang; dat het collectief belang niet tot de individuele belangen van de leden is beperkt; dat het maatschappelijk doel door de bestreden norm kan worden geraakt; dat ten slotte niet blijkt dat het maatschappelijk doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd.

B.2.3. De v.z.w. Association francophone d'institutions de santé heeft met name tot doel : « een op solidariteit berustend gezondheidsbeleid, de gelijke toegang tot de gezondheidszorg, de zorgverstrekking binnen multidisciplinaire teams te vrijwaren en te bevorderen [...] ». Dat maatschappelijk doel is onderscheiden van het algemeen belang en is niet beperkt tot de individuele belangen van de leden. Het beroep tot vernietiging is niet vreemd aan dat doel, aangezien een wet wordt bestreden die het mogelijk maakt een forfaitaire bijdrage op te leggen aan de patiënten die zich tot een spoeddienst wenden, en aldus de toegang tot de spoedgevallenzorg beperkt.

Ten gronde B.3. De middelen zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 23, van de Grondwet, in zoverre de bestreden bepaling het mogelijk zou maken een forfaitaire bijdrage op te leggen aan de meeste personen die zich in een spoeddienst laten behandelen en aldus de toegang tot eenheden voor spoedgevallenzorg van een ziekenhuis beperken en in zoverre zij de Koning ermee belast zowel het bedrag als de voorwaarden voor de vaststelling van de bij die bepaling ingevoerde forfaitaire bijdrage te bepalen, zonder de doelstellingen, noch de criteria vast te stellen waarmee Hij rekening zou moeten houden, waardoor aldus aan de instellingen voor gezondheidszorg en de betrokken zieken de waarborgen worden ontnomen die zijn verbonden aan het optreden van de wetgever.

B.4. Uit de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling blijkt dat de wetgever het « ondoelmatig gebruik van de faciliteiten op spoedopname » heeft willen inperken. Teneinde hiervoor een oplossing te vinden, dient, volgens dezelfde parlementaire voorbereiding, « gestreefd te worden naar een regeling die de problematiek van de wachtdiensten in zijn globaliteit aanpakt, zowel op het niveau spoedopname als op het niveau huisarts en het niveau patiënt ». Een van de maatregelen daartoe is de « reglementering met betrekking tot een bijdrage aan het ziekenhuis ».

Volgens de wetgever mag « het bekomen van een financiële opbrengst in se [...] niet het voornaamste doel zijn, noch [...] leiden tot het aanscherpen van concurrentie tussen de ziekenhuizen » (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1905/001, p. 30).

B.5.1. Door het een ziekenhuis mogelijk te maken een forfaitaire bijdrage, overeenkomstig de voorwaarden bepaald door de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, te vorderen van de patiënten die zich zonder medische urgentie tot een eenheid voor spoedgevallenzorg wenden, heeft de wetgever een verschil in behandeling ingevoerd tussen die patiënten en de andere patiënten.

B.5.2. Dat verschil in behandeling berust op een objectief criterium : het beroep op een eenheid voor spoedgevallenzorg. Het is tevens relevant ten aanzien van de door de wetgever nagestreefde doelstellingen. Het heeft, enerzijds, tot gevolg het bedrag van de bijdrage te beperken dat door de ziekenhuizen kan worden gevorderd.

Het maakt het, anderzijds, mogelijk het oneigenlijk gebruik van de door de spoeddiensten geboden faciliteiten te beperken. De zorg om te vermijden dat personen zich tot een eenheid voor spoedgevallenzorg wenden terwijl zij in redelijkheid niet kunnen aannemen dat zij zich in een toestand van medische urgentie bevinden, verantwoordt de bekritiseerde maatregel in zijn beginsel.

B.6.1. Artikel 44 van de wet van 22 augustus 2002 is dusdanig geformuleerd dat het zich ertoe beperkt te verbieden dat de forfaitaire bijdrage wordt gevorderd buiten de door de Koning vastgestelde voorwaarden en dat zij het door Hem vastgestelde bedrag overschrijdt.

B.6.2. De aan de Koning opgedragen bevoegdheid om het bedrag van de forfaitaire bijdrage en de voorwaarden inzake de verschuldigdheid ervan vast te stellen, miskent op zich de in het middel aangevoerde bepalingen niet. Uit het feit dat de wetgever de Koning ertoe heeft gemachtigd uitvoeringsmaatregelen te nemen, kan niet worden afgeleid dat hij Hem zou hebben toegestaan het beginsel van gelijkdheid en niet-discriminatie te schenden.

B.6.3. Uit de tekst van de wet blijkt evenwel - en dat punt wordt bevestigd door de tekst van het koninklijk besluit van 19 februari 2003 tot uitvoering ervan (Belgisch Staatsblad van 28 februari 2003) - dat de mogelijkheid om de betaling van een bijdrage, waartegenover geen bijkomende zorgverstrekking staat, al dan niet op te leggen, aan het discretionaire oordeel van elk ziekenhuis zal worden overgelaten.

Hoewel een dergelijke maatregel in beginsel verantwoord is, brengt de ontstentenis van aanwijzingen omtrent de elementen waarop de verschuldigdheid van de bijdrage berust, een onzekerheid teweeg, waardoor die maatregel onverenigbaar wordt met het gelijkheidsbeginsel.

B.7. De gevolgen van de bestreden bepaling dienen evenwel op de in het dictum vermelde wijze te worden gehandhaafd, teneinde de administratieve moeilijkheden te voorkomen die zouden voortvloeien uit de terugwerkende kracht van de vernietiging, in het bijzonder voor een bijdrage waarvan het huidige bedrag, zoals het bij het koninklijk besluit van 19 februari 2003 is vastgesteld, tot 12,50 euro is beperkt en rekening houdend met het feit dat de wetgever de Koning ermee heeft belast de maatregel twee jaar na de inwerkingtreding van dat koninklijk besluit te evalueren.

Om die redenen, het Hof - vernietigt artikel 107quater, § 1, van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, ingevoegd bij artikel 44 van de wet van 22 augustus 2002 houdende maatregelen inzake gezondheidszorg; - handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepaling tot 31 juli 2005.

Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 24 maart 2004.

De griffier, P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter, M. Melchior.

^