Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 19 oktober 2004

Uittreksel uit arrest nr. 138/2004 van 22 juli 2004 Rolnummer 2804 In zake : de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 31 en 34 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, gesteld door de Commissie voor hu Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Mart(...)

bron
arbitragehof
numac
2004202953
pub.
19/10/2004
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

Uittreksel uit arrest nr. 138/2004 van 22 juli 2004 Rolnummer 2804 In zake : de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 31 en 34 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, gesteld door de Commissie voor hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden.

Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot en J.-P. Moerman, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij beslissing van 10 oktober 2003 in zake J. Ramoudt, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 16 oktober 2003, heeft de Commissie voor hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden de volgende prejudiciële vragen gesteld : « Zijn de bewoordingen van artikel 34 van de wet van 1 augustus 1985 [houdende fiscale en andere bepalingen], rekening houdend met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, niet in tegenspraak met die van artikel 31 (dat bepaalt dat een slachtoffer een verzoekschrift kan indienen na zich burgerlijke partij te hebben gesteld, een rechtstreekse dagvaarding te hebben uitgebracht of een procedure te hebben ingeleid bij de burgerlijke rechtbank) aangezien in artikel 34 niet meer wordt verwezen naar de burgerlijke rechtspleging, terwijl de twee artikelen klaarblijkelijk in samenhang moeten worden gelezen ? Naar gelang van het antwoord op die vraag, dient één van de twee volgende prejudiciële subvragen te worden beantwoord : 1) Indien de bewoordingen van artikel 34 in tegenspraak zijn met die van artikel 31, schendt artikel 34 van de wet van 1 augustus 1985 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden die geopteerd hebben voor een rechtspleging voor de burgerlijke rechtscolleges uitsluit van het voordeel van de wet, in tegenstelling tot de slachtoffers die op grond van een definitieve strafrechtelijke beslissing een verzoekschrift hebben ingediend ? 2) Indien de bewoordingen van artikel 34 niet in tegenspraak zijn met die van artikel 31, schenden de artikelen 31 en 34 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en zijn zij discriminerend doordat zij het verzoekschrift van een slachtoffer dat steunt op een definitief vonnis uitgesproken door een burgerlijk rechtscollege waarbij de aansprakelijkheid van de daders wordt erkend, onontvankelijk verklaren, in tegenstelling tot het verzoekschrift van een slachtoffer dat gebaseerd is op een vonnis uitgesproken door de strafrechter ? » (...) III. In rechte (...) B.1. De Commissie voor hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden (thans de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden) stelt het Hof een vraag over de bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van de artikelen 31 en 34 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen doordat, ingevolge die artikelen, de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden die geopteerd hebben voor een rechtspleging voor de burgerlijke rechtbank, verschillend zouden worden behandeld in vergelijking met de slachtoffers die op grond van een definitieve strafrechtelijke beslissing bij haar een verzoekschrift hebben ingediend.

B.2. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat alleen paragraaf 1, 3°, van artikel 31 en paragraaf 2, derde lid, van artikel 34 van de in het geding zijnde wet door de prejudiciële vraag worden beoogd.

B.3. Op het ogenblik dat de verwijzende rechter heeft beslist de prejudiciële vraag te stellen, op 10 oktober 2003, bepaalden de artikelen 31 en 34 van de wet van 1 augustus 1985 het volgende : «

Art. 31.§ 1. Wie ernstig lichamelijk letsel of nadeel voor zijn gezondheid heeft ondervonden als rechtstreeks gevolg van een opzettelijke gewelddaad in België gepleegd, kan een hulp aanvragen en wel onder de volgende voorwaarden : 1. het nadeel lijkt niet voldoende en op daadwerkelijke wijze door andere middelen te kunnen worden hersteld, zoals door betaling van schadevergoeding door de dader of door betaling van ieder bedrag met betrekking tot de schade door een stelsel van maatschappelijke zekerheid of van schadeloosstelling ten gevolge van arbeidsongevallen of beroepsziekten, dan wel van een private verzekering;2. het slachtoffer moet, op het ogenblik dat de gewelddaad wordt gepleegd, de Belgische nationaliteit bezitten of gerechtigd zijn het Rijk binnen te komen, er te verblijven of er zich te vestigen;3. het slachtoffer moet zich burgerlijk partij hebben gesteld uit hoofde van de bestanddelen van het strafbare feit van de opzettelijke gewelddaad of een rechtstreekse dagvaarding hebben uitgebracht of een procedure hebben ingeleid bij de burgerlijke rechtbank.» «

Art. 34.§ 1. [...] § 2. [...] Het verzoekschrift kan slechts worden ingediend nadat door een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing uitspraak is gedaan over de strafvordering, of, indien de dader niet kan worden vervolgd of veroordeeld na de beslissing van het onderzoeksgerecht. Het mag eveneens worden ingediend indien de dader onbekend blijft nadat een termijn van een jaar is verlopen na de datum van de burgerlijke partijstelling. » B.4. Het Hof stelt vast, zoals door de Ministerraad is opgemerkt, dat die bepalingen zijn gewijzigd bij de wet van 26 maart 2003 houdende de voorwaarden waaronder de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden een hulp kan toekennen, die het in het geding zijnde artikel 31 van de wet vervangt en een artikel 31bis invoegt, dat bepaalt : « De financiële hulp als bedoeld in artikel 31 wordt toegekend onder de volgende voorwaarden : 1° De gewelddaad is in België gepleegd. Hiermee wordt een in het buitenland gepleegde opzettelijke gewelddaad, waarvan een in artikel 42, § 2, bedoeld persoon in bevolen dienst het slachtoffer is, gelijkgesteld. 2° Het slachtoffer bezit op het moment van de gewelddaad de Belgische nationaliteit, is gerechtigd het Rijk binnen te komen, er te verblijven of er zich te vestigen, of heeft naderhand van de Dienst Vreemdelingenzaken een verblijfsvergunning van onbepaalde duur verkregen in het kader van een onderzoek wegens mensenhandel.3° Er is een definitieve rechterlijke beslissing over de strafvordering genomen en de verzoeker heeft schadevergoeding nagestreefd door middel van een burgerlijke partijstelling, een rechtstreekse dagvaarding of een vordering voor een burgerlijke rechtbank. Indien het strafdossier geseponeerd is wegens het onbekend blijven van de dader, kan de commissie oordelen dat het voldoende is dat de verzoeker klacht heeft ingediend of de hoedanigheid van benadeelde persoon heeft aangenomen. De hulp kan ook worden aangevraagd indien er meer dan een jaar verstreken is sinds de datum van de burgerlijke partijstelling en de dader onbekend blijft. 4° Het verzoek is binnen drie jaar ingediend.De termijn loopt, naargelang het geval, vanaf de eerste beslissing tot seponering, de beslissing van het onderzoeksgerecht, de dag waarop definitief uitspraak is gedaan over de strafvordering of de dag, indien deze van latere datum is, waarop uitspraak is gedaan over de burgerlijke belangen. 5° De schade kan niet afdoende worden hersteld door de dader of de burgerlijk aansprakelijke partij, op grond van een stelsel van sociale zekerheid of een private verzekering, noch op enige andere manier.» Overeenkomstig artikel 14 ervan is die wet in werking getreden op 1 januari 2004, op grond van artikel 24 van het koninklijk besluit van 19 december 2003 « tot wijziging van het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en van het artikel 29, tweede lid van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen ».

Overeenkomstig artikel 13 van de wet van 26 maart 2003 zijn de wijzigingen die in de artikelen 31 en 31bis zijn aangebracht, van toepassing op de verzoeken die hangende zijn bij de Commissie op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet.

B.5. Rekening houdend met de gewijzigde artikelen 31 en 31bis, die van toepassing zijn op de verzoeken die hangende zijn bij de Commissie, dient de zaak te worden teruggezonden naar die Commissie opdat zij nagaat of het antwoord op de prejudiciële vraag nog dienstig is.

Om die redenen, het Hof zendt de prejudiciële vraag terug naar de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 22 juli 2004.

De griffier, P.-Y. Dutilleux De voorzitter, M. Melchior

^