Wet
gepubliceerd op 02 augustus 2005
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Uittreksel uit arrest nr. 126/2005 van 13 juli 2005 Rolnummers 3064 en 3065 In zake : de beroepen tot vernietiging van de artikelen 4, 5, 7, 25, 27, 30 en 31 van de wet van 12 januari 2004 « tot wijziging van de wet van 11 januari 1993 tot Het Arbitr

bron
arbitragehof
numac
2005201928
pub.
02/08/2005
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

Uittreksel uit arrest nr. 126/2005 van 13 juli 2005 Rolnummers 3064 en 3065 In zake : de beroepen tot vernietiging van de artikelen 4, 5, 7, 25, 27, 30 en 31 van de wet van 12 januari 2004 « tot wijziging van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, en de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs », ingesteld door de Orde van Franstalige en Duitstalige balies en anderen.

Het Arbitragehof, samengesteld uit rechter P. Martens, waarnemend voorzitter, voorzitter A. Arts en de rechters R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, J.-P. Snappe en J.-P. Moerman, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van rechter P. Martens, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 22 juli 2004 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 23 juli 2004, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 4, 27, 30 en 31 van de wet van 12 januari 2004 « tot wijziging van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, en de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 23 januari 2004, tweede uitgave), door de Orde van Franstalige en Duitstalige balies, met zetel te 1060 Brussel, Gulden Vlieslaan 65, en de Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel, met zetel te 1000 Brussel, Gerechtsgebouw, Poelaertplein 1.b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 22 juli 2004 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 23 juli 2004, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 4, 5, 7, 25, 27, 30 en 31 van dezelfde wet door de Orde van Vlaamse balies, met zetel te 1000 Brussel, Koningsstraat 148, en de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel, met zetel te 1000 Brussel, Gerechtsgebouw, Poelaertplein 1. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 3064 en 3065 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. (...) II. In rechte (...) Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.1. De Orde van Franstalige en Duitstalige balies, de Orde van Vlaamse balies, de Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel en de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel, verzoekende partijen, en de Orde van advocaten bij de balie te Luik, tussenkomende partij, doen blijken van het vereiste belang om de vernietiging te vorderen van bepalingen die op het beroep van advocaat betrekking hebben en de situatie van de advocaten rechtstreeks en ongunstig kunnen raken, wat overigens niet wordt betwist door de Ministerraad.

B.2.1. De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van de tussenkomst van de Raad van de Balies van de Europese Unie, om reden dat, enerzijds, de beslissing van die internationale vereniging zonder winstoogmerk om tussen te komen niet op geldige wijze door het bevoegde orgaan zou zijn genomen en, anderzijds, hij niet zou doen blijken van het bij de bijzondere wet van 6 januari 1989 vereiste belang om voor het Hof tussen te komen.

B.2.2. Artikel 7, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 verplicht de tussenkomende rechtspersoon ertoe « het bewijs van de beslissing » om tussen te komen, voor te leggen, zonder te preciseren welke vorm die beslissing moet aannemen. De wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, gewijzigd bij de wet van 2 mei 2002, legt overigens geen bijzondere vormvereisten op aan de internationale verenigingen zonder winstoogmerk voor de door hun « bestuursorgaan » genomen beslissingen.

Aangezien uit de aan het Hof voorgelegde stukken blijkt dat de beslissing om tussen te komen, is goedgekeurd door de meerderheid van de leden van het « permanent comité » van de vereniging dat, op grond van artikel XII, tweede lid, van haar statuten, bevoegd is om rechtsvorderingen te volgen, en dat de beslissing om tussen te komen derhalve is genomen door het bevoegde orgaan van de vereniging, heeft het weinig belang dat de stemming via elektronische post of op andere wijze heeft plaatsgehad en dat de personen die aan de beslissing hebben deelgenomen, daartoe niet fysiek zijn bijeengekomen.

B.2.3. In de statuten van de Raad van de Balies van de Europese Unie wordt vermeld dat die Raad « zonder enig winstoogmerk, tot doel heeft elke studie met betrekking tot normen die direct of indirect het beroep van advocaat betreffen, in het bijzonder in de Europese supranationale context, te bestuderen, te organiseren en te bevorderen » en dat hij ertoe gemachtigd is « [...] g) elke vraag met betrekking tot het beroep van advocaat te onderzoeken en oplossingen uit te werken teneinde de beroepsuitoefening ervan te harmoniseren, te coördineren en te ontwikkelen, en meer in het algemeen de belangen van het beroep van advocaat te behartigen en te bevorderen ».

De Raad van de Balies van de Europese Unie doet derhalve blijken van het vereiste belang om tussen te komen in vernietigingsberoepen betreffende bepalingen die de situatie van de advocaten rechtstreeks en ongunstig kunnen raken.

B.3. De exceptie van onontvankelijkheid wordt verworpen.

Ten gronde B.4. De verzoekende partijen vorderen de gedeeltelijke vernietiging van de wet van 12 januari 2004 « tot wijziging van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld, de wet van 22 maart 1993 op het statuut en het toezicht op de kredietinstellingen, en de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs ». De bepalingen van die wet waartegen de beroepen zijn gericht, luiden : «

Art. 4.In dezelfde wet wordt een artikel 2ter ingevoegd, luidende : '

Art. 2ter.- Voor zover zij daarin uitdrukkelijk voorzien, zijn de bepalingen van deze wet eveneens van toepassing op de advocaten : 1° wanneer zij hun cliënt bijstaan bij het voorbereiden of uitvoeren van verrichtingen in verband met : a) de aan- of verkoop van onroerend goed of bedrijven;b) het beheren van diens geld, waardepapieren of andere activa;c) de opening of het beheer van bank-, spaar- of effectenrekeningen;d) het organiseren van inbreng die nodig is voor de oprichting, de uitbating of het beheer van vennootschappen;e) de oprichting, uitbating of het beheer van trusts, vennootschappen of soortgelijke structuren;2° of wanneer zij optreden in naam en voor rekening van hun cliënt in enigerlei financiële verrichtingen of verrichtingen in onroerend goed. '

Art. 5.In artikel 3 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 7 april 1995, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° een § 1bis wordt ingevoegd, luidende als volgt : ' § 1bis.Voor de toepassing van deze wet wordt financiering van terrorisme verstaan in de zin van artikel 2, § 2, b), van het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijdingen en van artikel 2 van het Internationaal verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme, goedgekeurd te New York op 9 december 1999. '; 2° in § 2, 1°, worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) in het eerste gedachtestreepje wordt het woord ' terrorisme ' vervangen door de woorden ' terrorisme of de financiering van terrorisme ';b) in het achtste gedachtestreepje worden de woorden 'illegaal gebruik bij dieren van stoffen met hormonale, antihormonale, beta-adrenergische of productiestimulerende werking of illegale handel in dergelijke stoffen ' vervangen door de woorden ' illegaal gebruik bij dieren van stoffen met hormonale werking of illegale handel in dergelijke stoffen ';c) in het tiende gedachtestreepje worden de woorden ' van de Europese Unie ' vervangen door de woorden van de ' Europese Gemeenschappen ';d) in het twaalfde gedachtestreepje worden de woorden ' omkoping van openbare ambtenaren ' vervangen door de woorden ' verduistering door personen die een openbare functie uitoefenen en omkoping ';e) 1° wordt vervolledigd door de volgende streepjes : ' - ernstige milieucriminaliteit; - namaak van muntstukken of bankbiljetten; - namaak van goederen; - zeeroverij '; 3° in § 2, 2°, worden de woorden ' of een onwettig openbaar aantrekken van spaargelden ' vervangen door de woorden ', het onwettig openbaar aantrekken van spaargelden of het verlenen van beleggingsdiensten, diensten van valutahandel of van geldoverdracht zonder vergunning ';4° in § 2, 3°, worden de woorden ' een financiële oplichting ' vervangen door de woorden ' een oplichting, een misbruik van vertrouwen, een misbruik van vennootschapsgoederen ' en worden de woorden ' een bedrieglijke bankbreuk ' vervangen door de woorden ' een misdrijf dat verband houdt met de staat van faillissement ';5° in § 3 worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) de woorden ' in artikel 2 ' worden vervangen door de woorden ' in de artikelen 2, 2bis en 2ter ';b) de woorden ' van witwassen van geld ' worden vervangen door de woorden ' van witwassen van geld en van financiering van terrorisme '. [...]

Art. 7.Artikel 4 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 10 augustus 1998, wordt vervangen als volgt : '

Artikel 4.- § 1. De in de artikelen 2, 2bis, 1° tot 4°, en 2ter bedoelde ondernemingen en personen dienen hun cliënten en de lasthebbers van hun cliënten te identificeren en hun identiteit te controleren, aan de hand van een bewijsstuk, waarvan een afschrift wordt genomen op papier of op elektronische drager wanneer : 1° ze een zakenrelatie aanknopen waardoor de betrokkenen gewone cliënten worden; 2° de cliënt wenst over te gaan tot het uitvoeren van : a) een verrichting voor een bedrag van 10.000 EUR of meer, ongeacht of zij wordt uitgevoerd in één of in verscheidene verrichtingen waartussen een verband blijkt te bestaan; of b) een verrichting, zelfs wanneer het bedrag lager is dan 10.000 EUR, zodra wordt vermoed dat het gaat om witwassen van geld of om financiering van terrorisme; of c) een geldoverdracht waarvan sprake in artikel 139bis van de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs;3° ze twijfelen aan de waarachtigheid of aan de juistheid van de identificatiegegevens over een bestaande cliënt. De identificatie en de controle betreffen de naam, de voornaam en het adres voor natuurlijke personen. Niettegenstaande artikel 5, § 1, betreffen ze voor rechtspersonen en trusts de naam en de zetel van de rechtspersoon, de bestuurders en de kennis van de bepalingen omtrent de bevoegdheid verbintenissen aan te gaan voor de rechtspersoon of de trust. De vereenzelviging slaat ook op het voorwerp en de verwachte aard van de zakenrelatie. § 2. De ondernemingen en personen bedoeld in de artikelen 2, 2bis, 1° tot 4°, en 2ter, moeten een bestendige waakzaamheid aan de dag leggen ten opzichte van de zakenrelatie en een aandachtig onderzoek verzekeren van de uitgevoerde verrichtingen om zich ervan te vergewissen dat deze stroken met de kennis die ze hebben van hun cliënt, van zijn commerciële activiteiten, van zijn risicoprofiel en, indien nodig, van de herkomst van de fondsen. § 3. Wanneer de ondernemingen en personen bedoeld in de artikelen 2, 2bis, 1° tot 4°, en 2ter, hun waakzaamheidsplicht bedoeld in de §§ 1 en 2 niet kunnen nakomen, mogen ze geen zakenrelatie aanknopen of in stand houden. Ze beslissen zo een melding aan de Cel voor financiële informatieverwerking overeenkomstig de artikelen 12 tot 14ter zich opdringt. § 4. De ondernemingen en personen bedoeld in artikel 2, met uitzondering van de 17°, 18° en 21°, mogen de waakzaamheidsplicht bedoeld in de §§ 1 en 2 laten uitvoeren door een derde zaakaanbrenger, voor zover deze eveneens een krediet- of financiële instelling is in de zin van artikel 1 van richtlijn 91/308/EEG of een krediet- of financiële instelling uit een land waarvan de wetgeving waakzaamheidsverplichingen oplegt die evenwaardig zijn met deze bepaald in de artikelen 4 en 5. De lid-Staten van de Financiële Actiegroep worden vermoed aan deze vereiste te voldoen. Op advies van de Cel voor financiële informatieverwerking kan de Koning dit vermoeden uitbreiden tot andere Staten. § 5. De ondernemingen bedoeld in artikel 2, waarvan de activiteiten geldoverdrachten behelzen in de zin van artikel 139bis van de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs, vermelden bij het overschrijven of overdragen van geld en bij de mededelingen daaromtrent, correcte en dienstige inlichtingen over hun cliënten-opdrachtgevers van de betrokken verrichtingen. Deze ondernemingen bewaren al die inlichtingen en geven ze door ingeval zij als tussenpersoon optreden in een betaalketen. § 6. De toepassingsmodaliteiten van de hierboven opgesomde verplichtingen worden verduidelijkt door de overheden bedoeld in artikel 21 en, desgevallend, via reglement overeenkomstig artikel 21bis, in functie van het risico dat de cliënt, de zakenrelatie of de verrichting vertegenwoordigt. Met betrekking tot § 5 wordt daarbij inzonderheid bepaald onder welke omstandigheden gegevens moeten worden bewaard of ter beschikking gesteld van overheden of van andere financiële instellingen, met dien verstande dat in het reglement in specifieke bepalingen kan worden voorzien voor de grensoverschrijdende overschrijvingen die in batch worden doorgestuurd. '. [...]

Art. 25.In artikel 14bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1 wordt vervangen als volgt : ' § 1.De in artikel 2bis, 1° tot 4°, bedoelde personen die, bij de uitoefening van hun beroep, feiten vaststellen waarvan zij weten of vermoeden dat ze verband houden met het witwassen van geld of met de financiering van terrorisme, moeten de Cel voor financiële informatieverwerking daarvan onmiddellijk op de hoogte brengen '; 2° in § 2, eerste lid, worden de woorden ' het witwassen van geld ' vervangen door de woorden ' het witwassen van geld of de financiering van terrorisme ';3° dit artikel wordt aangevuld met de volgende paragraaf : ' § 3.De in artikel 2ter bedoelde personen die, bij de uitoefening van de in dat artikel opgesomde activiteiten, feiten vaststellen waarvan zij weten of vermoeden dat ze verband houden met het witwassen van geld of met de financiering van terrorisme, moeten de stafhouder van de Orde waartoe zij behoren daarvan onmiddellijk op de hoogte brengen.

De in artikel 2ter bedoelde personen delen die informatie echter niet mee in het geval zij deze van één van hun cliënten ontvangen of over één van hun cliënten verkrijgen wanneer zij de rechtspositie van hun cliënt bepalen, dan wel die cliënt in of in verband met een rechtsgeding verdedigen of vertegenwoordigen, met inbegrip van advies over het instellen of vermijden van een rechtsgeding, ongeacht of dergelijke informatie vóór, gedurende of na een dergelijk geding wordt ontvangen of verkregen.

De stafhouder controleert of de voorwaarden waarvan sprake in artikel 2ter en in het vorige lid zijn nageleefd. Indien deze voorwaarden zijn nageleefd, bezorgt hij de informatie onmiddellijk aan de Cel voor financiële informatieverwerking. '. [...]

Art. 27.Artikel 15, § 1, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 7 april 1995 en van 10 augustus 1998, wordt vervangen als volgt : ' § 1. Wanneer de Cel voor financiële informatieverwerking informatie ontvangt als bedoeld in artikel 11, § 2, mag de Cel of één van haar leden of één van haar personeelsleden, die daartoe is aangewezen door de magistraat die de Cel leidt of door zijn plaatsvervanger, eisen dat binnen de door hen bepaalde termijn alle bijkomende informatie wordt meegedeeld die zij nuttig achten voor de vervulling van de opdracht van de Cel : 1° door alle instellingen en personen bedoeld in de artikelen 2, 2bis en 2ter alsook door de stafhouder bedoeld in artikel 14bis, § 3;2° door de politiediensten, in afwijking van artikel 44/1 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, als gewijzigd bij de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten;3° door de administratieve diensten van de Staat;4° door de curatoren in een faillissement;5° door de voorlopige bewindvoerders bedoeld in artikel 8 van de faillissementswet van 8 augustus 1997;6° door de gerechtelijke overheden.Evenwel kunnen inlichtingen door een onderzoeksrechter niet worden medegedeeld aan de Cel zonder uitdrukkelijke toestemming van de procureur-generaal of van de federale procureur en kunnen de inlichtingen verkregen van een gerechtelijke overheid door de Cel niet worden medegedeeld aan een buitenlandse instelling bij toepassing van artikel 17, § 2, zonder de uitdrukkelijke toestemming van de procureur-generaal of van de federale procureur.

De in artikel 2ter bedoelde personen en de in artikel 14bis, § 3 bedoelde stafhouder delen die informatie niet mee als de in artikel 2ter bedoelde personen deze van één van hun cliënten ontvangen of over één van hun cliënten verkrijgen wanneer zij de rechtspositie van hun cliënt bepalen, dan wel die cliënt in of in verband met een rechtsgeding verdedigen of vertegenwoordigen, met inbegrip van advies over het instellen of vermijden van een rechtsgeding, ongeacht of dergelijke informatie vóór, gedurende of na een dergelijk geding wordt ontvangen of verkregen.

De gerechtelijke overheden, de politiediensten, de administratieve diensten van de Staat, de curatoren in een faillissement en de voorlopige bewindvoerders mogen de Cel voor financiële informatieverwerking op eigen initiatief alle informatie bezorgen die zij nuttig achten voor de vervulling van haar opdracht.

Het openbaar ministerie deelt aan de Cel voor financiële informatieverwerking alle definitieve beslissingen mee die zijn genomen in dossiers in verband waarmee de Cel informatie heeft meegedeeld met toepassing van de artikelen 12, § 3, en 16. ' [...]

Art. 30.In artikel 18 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 10 augustus 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid wordt vervangen als volgt : ' De mededeling van de in de artikelen 12 tot 14ter bedoelde informatie wordt normaliter gedaan door de persoon die binnen de in de artikelen 2 en 2bis, 5°, bedoelde ondernemingen overeenkomstig artikel 10 is aangesteld, of door de personen bedoeld in de artikelen 2bis, 1° tot 4° en 2ter.'; 2° in het tweede lid worden de woorden ' in de artikelen 2 en 2bis, 5°, ' vervangen door de woorden ' in de artikelen 2, 2bis en 2ter '.

Art. 31.In artikel 19 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 10 augustus 1998, worden de woorden ' de in de artikelen 2 en 2bis bedoelde ondernemingen of personen ' vervangen door de woorden ' de in de artikelen 2, 2bis en 2ter bedoelde ondernemingen of personen en de in artikel 14bis, § 3, bedoelde stafhouder ' ».

B.5. Uit de verzoekschriften en argumenten van de partijen blijkt dat in hoofdzaak wordt aangeklaagd dat de in het geding zijnde wet, bij artikel 4 ervan, het toepassingsgebied van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme uitbreidt tot de advocaten. De verzoekende partijen zijn van mening dat de wetgever, door de advocaten te beogen, op onverantwoorde wijze afbreuk doet aan de beginselen van het beroepsgeheim en van hun onafhankelijkheid, beginselen die een bestanddeel vormen van het fundamenteel recht van iedere rechtzoekende op een eerlijk proces en op de eerbiediging van zijn rechten van verdediging, waardoor de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, met de algemene rechtsbeginselen inzake de rechten van de verdediging, met artikel 6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en met de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, worden geschonden.

B.6.1. In België hebben de advocaten een aanzienlijk aandeel in de rechtsbedeling, wat verantwoordt dat met betrekking tot de voorwaarden van toegang tot en de uitoefening van dat beroep eigen regels in acht worden genomen die verschillend zijn van diegene die voor andere vrije beroepen gelden. Luidens artikel 456 van het Gerechtelijk Wetboek is het beroep van advocaat gebaseerd op de beginselen van « waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid ».

B.6.2. Ze zijn onderworpen aan strikte deontologische regels, waarvan de inachtneming wordt verzekerd door de Raad van de Orde. Die kan, naar gelang van het geval, « waarschuwen, censureren, berispen, schorsen voor een termijn van ten hoogste één jaar, van het tableau, van de lijst van advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie of van de lijst van stagiaires schrappen » (artikel 460, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek).

B.6.3. Uit het bijzondere statuut van de advocaten, vastgesteld in het Gerechtelijk Wetboek en in de reglementeringen die zijn aangenomen door de bij de wet van 4 juli 2001 opgerichte orden, vloeit voort dat het beroep van advocaat in België zich onderscheidt van andere zelfstandige juridische beroepen.

B.7.1. De effectiviteit van de rechten van de verdediging van iedere rechtzoekende veronderstelt noodzakelijkerwijs dat een vertrouwensrelatie tot stand kan komen tussen die persoon en de advocaat die hem raad geeft en hem verdedigt. Die noodzakelijke vertrouwensrelatie kan alleen tot stand komen en behouden blijven indien de rechtzoekende de waarborg heeft dat wat hij aan zijn advocaat toevertrouwt door die laatstgenoemde niet openbaar zal worden gemaakt. Hieruit volgt dat de regel van het beroepsgeheim, waarvan de schending met name bij artikel 458 van het Strafwetboek wordt bestraft, een fundamenteel element van de rechten van de verdediging is.

B.7.2. Weliswaar moet de regel van het beroepsgeheim wijken wanneer dat noodzakelijk blijkt of wanneer een hoger geachte waarde ermee in conflict treedt. Het opheffen van het beroepsgeheim van de advocaat moet evenwel, om met de fundamentele beginselen van de Belgische rechtsorde verenigbaar te worden geacht, door een dringende reden worden verantwoord en strikt evenredig zijn.

B.7.3. Op basis van die beginselen heeft het Hof in het verleden geoordeeld dat niet kon worden aanvaard dat de wetgever ten aanzien van de rechtzoekende in een procedure van collectieve schuldenregeling een vermoeden van vervroegde afstand van het beroepsgeheim instelt (arrest nr. 46/2000), of nog, dat het niet verantwoord was de curator ertoe te verplichten in het faillissementsdossier de prestaties aan te geven die hijzelf of een van zijn vennoten of rechtstreekse medewerkers zou hebben verricht voor de gefailleerde of de bestuurders of zaakvoerders van de gefailleerde vennootschap (arrest nr. 50/2004).

B.8. Luidens artikel 1 ervan heeft de bestreden wet tot doel richtlijn 2001/97/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2001 tot wijziging van richtlijn 91/308/EEG van de Raad tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld, in het Belgisch recht om te zetten.

Artikel 1, 2), van richtlijn 2001/97/EG voegt in richtlijn 91/308/EEG een artikel 2bis in, dat luidt : « De lidstaten zien erop toe dat de in deze richtlijn vastgestelde verplichtingen worden opgelegd aan de volgende instellingen : [...] 5. notarissen en andere onafhankelijke beoefenaars van juridische beroepen wanneer zij deelnemen : a) hetzij door het bijstaan bij het voorbereiden of uitvoeren van transacties voor hun cliënt in verband met : i) de aan- en verkoop van onroerend goed of bedrijven; ii) het beheren van diens geld, waardepapieren of andere activa; iii) de opening of het beheer van bank-, spaar- of effectenrekeningen; iv) het organiseren van inbreng die nodig is voor de oprichting, de exploitatie of het beheer van vennootschappen; v) de oprichting, exploitatie of het beheer van trusts, vennootschappen of soortgelijke structuren;b) hetzij door op te treden in naam en voor rekening van hun cliënt in enigerlei financiële of onroerendgoedtransactie; [...] ».

Hieruit volgt dat de uitbreiding van het personele toepassingsgebied van de wet van 11 januari 1993 tot de advocaten aan de Belgische wetgever wordt opgelegd door de voormelde richtlijn. Het Hof moet met dat element rekening houden alvorens te oordelen over de bestaanbaarheid van de wet met de Grondwet.

B.9. De Europese wetgever is, zoals de Belgische wetgever, gehouden tot de eerbiediging van de rechten van de verdediging en van het recht op een eerlijk proces. Artikel 6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie bepaalt immers : « De Unie eerbiedigt de grondrechten, zoals die worden gewaarborgd door het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en zoals zij uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten voortvloeien, als algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht ».

B.10. Het Hof is niet bevoegd om uitspraak te doen over de bestaanbaarheid van de voormelde richtlijn met het algemeen beginsel betreffende de rechten van de verdediging, waaraan de Europese wetgever op grond van het voormelde artikel 6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie is gebonden.

B.11. De verzoekende partijen vragen bijgevolg aan het Hof om aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen een prejudiciële vraag te stellen betreffende de geldigheid van artikel 1, 2), van richtlijn 2001/97/EG, ten aanzien van de grondbeginselen van het gemeenschapsrecht, die het recht op een eerlijk proces en de rechten van de verdediging omvatten.

B.12. Op grond van artikel 234 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is « het Hof van Justitie [...] bevoegd, bij wijze van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen : [...] b) over de geldigheid en de uitlegging van de handelingen van de instellingen van de Gemeenschap en van de ECB [...] ».

In de derde alinea van dezelfde bepaling wordt gepreciseerd : « Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen in een zaak aanhangig bij een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, is deze instantie gehouden zich tot het Hof van Justitie te wenden ».

B.13. Aangezien de beroepen tot vernietiging van de wet die ertoe strekt richtlijn 2001/97/EG om te zetten, de geldigheid ervan in twijfel trekken, is het vereist dat, teneinde uitspraak te doen over de beroepen, vooraf uitsluitsel wordt gegeven omtrent de geldigheid van de voormelde richtlijn. Vooraleer de middelen worden onderzocht, dient bijgevolg de in het dictum geformuleerde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te worden gesteld.

Om die redenen, het Hof, alvorens ten gronde uitspraak te doen, stelt aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen de volgende prejudiciële vraag : « Schendt artikel 1, 2), van de richtlijn 2001/97/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2001 tot wijziging van richtlijn 91/308/EEG van de Raad tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld, het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd bij artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en bijgevolg artikel 6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, in zoverre het nieuwe artikel 2bis, 5), dat het heeft ingevoegd in de richtlijn 91/308/EEG, voorziet in de opname van onafhankelijke beoefenaars van juridische beroepen, zonder het beroep van advocaat uit te sluiten, in de werkingssfeer van diezelfde richtlijn, die, in essentie, tot doel heeft dat aan de daarin beoogde personen en instellingen een verplichting wordt opgelegd de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de bestrijding van het witwassen van geld op de hoogte te brengen van elk feit dat zou kunnen wijzen op een dergelijk witwassen (artikel 6 van richtlijn 91/308/EEG, vervangen bij artikel 1, 5), van richtlijn 2001/97/EG) ? ».

Aldus uitgesproken in het Frans, in het Nederlands en in het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 13 juli 2005.

De griffier, P.-Y. Dutilleux.

De wnd. voorzitter, P. Martens.

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^