Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 30 oktober 2006

Uittreksel uit arrest nr. 158/2006 van 18 oktober 2006 Rolnummer 4033 In zake : het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 13 juni 2006 tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van Het Arbitragehof, beperkte kamer, samengesteld uit voorzitter A. Artsen de rechters-verslaggever(...)

bron
arbitragehof
numac
2006203523
pub.
30/10/2006
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

Uittreksel uit arrest nr. 158/2006 van 18 oktober 2006 Rolnummer 4033 In zake : het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 13 juni 2006 tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, ingesteld door L. Lamine.

Het Arbitragehof, beperkte kamer, samengesteld uit voorzitter A. Artsen de rechters-verslaggevers E. De Groot en J.-P. Moerman, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 3 augustus 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 4 augustus 2006, heeft L. Lamine, wonende te 3110 Rotselaar, Steenweg op Wezemaal 90, beroep tot gedeeltelijke vernietiging ingesteld van de wet van 13 juni 2006 tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 19 juli 2006, tweede editie).

Op 22 augustus 2006 hebben de rechters-verslaggevers E. De Groot en J.-P. Moerman, met toepassing van artikel 71, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, de voorzitter ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof, zitting houdende in beperkte kamer, voor te stellen een arrest te wijzen waarbij vastgesteld wordt dat het beroep tot vernietiging klaarblijkelijk niet ontvankelijk is. (...) II. In rechte (...) B.1. De verzoekende partij vordert de gedeeltelijke vernietiging van de wet van 13 juni 2006 tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd (hierna : wet van 13 juni 2006), die in het Belgisch Staatsblad van 19 juli 2006 (tweede editie) is verschenen.

Meer bepaald vordert de verzoekende partij de vernietiging van bepaalde gedeelten van artikel 3, (namelijk de woorden « en de gevolgen van hun daden » in artikel 3, 4°, artikel 3, 5°, a), de woorden « minimale » en « de belangen van hun familie » in artikel 3, 5°, f), en de volledige vernietiging van artikel 4 van de voormelde wet.

Die bepalingen luiden : «

Art. 3.In dezelfde wet wordt een voorafgaande titel ingevoegd, luidende : ' Voorafgaande titel : Beginselen van de rechtsbedeling ten aanzien van minderjarigen De volgende beginselen zijn erkend en van toepassing op de rechtsbedeling ten aanzien van minderjarigen : 1° de voorkoming van delinquentie is van wezenlijk belang om de maatschappij op lange termijn te beschermen.Zulks vereist dat de bevoegde autoriteiten de onderliggende oorzaken van de jeugddelinquentie aanpakken en een multidisciplinair actieplan uitwerken; 2° elke rechtsbedeling ten aanzien van minderjarigen gebeurt, voor zover zulks mogelijk is, door actoren, ambtenaren en magistraten met een specifieke en permanente opleiding inzake jeugdrecht;3° de rechtsbedeling ten aanzien van minderjarigen streeft doelstellingen na inzake opvoeding, verantwoordelijkheidszin, resocialisatie en bescherming van de maatschappij;4° de minderjarigen mogen geenszins worden gelijkgesteld met meerderjarigen wat de mate van verantwoordelijkheid en de gevolgen van hun daden betreft.De minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, moeten evenwel bewust worden gemaakt van de gevolgen van hun daden; 5° de minderjarigen genieten in het kader van deze wet van persoonlijke rechten en vrijheden, waaronder die omschreven in de Grondwet en in het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, inzonderheid het recht om te worden gehoord tijdens het proces dat leidt tot beslissingen die hen aangaan en het recht daaraan deel te nemen.Deze rechten en vrijheden moeten gepaard gaan met bijzondere waarborgen : a) telkens als de wet afbreuk kan doen aan bepaalde rechten en vrijheden van de jongeren, hebben die jongeren het recht te worden geïnformeerd over de inhoud van deze rechten en vrijheden;b) de vader en moeder nemen het onderhoud en de opvoeding van en het toezicht op hun kinderen op zich.Bijgevolg kunnen de jongeren enkel volledig of gedeeltelijk aan het ouderlijk gezag worden onttrokken in de gevallen waarin maatregelen houdende handhaving van dit gezag als een contra-indicatie kunnen worden beschouwd; c) de situatie van de minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, vereist toezicht, opvoeding, tucht en begeleiding.Hun toestand van afhankelijkheid, hun ontwikkelings- en maturiteitsgraad scheppen echter bijzondere noden die luisterbereidheid, raad en bijstand vereisen; d) elk optreden dat een opvoedende maatregel inhoudt, heeft tot doel de jongere aan te moedigen zich de maatschappelijke normen eigen te maken;e) bij de tenlasteneming van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, wordt, wanneer zulks mogelijk is, een beroep gedaan op de in de wet bepaalde vervangingsmaatregelen voor de gerechtelijke procedures, waarbij evenwel rekening wordt gehouden met de bescherming van de maatschappij;f) in het kader van de wet mogen aan het recht op vrijheid van de jongeren slechts minimale belemmeringen worden opgelegd die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de maatschappij, rekening houdend met de noden van de jongeren, de belangen van hun familie en het recht van de slachtoffers.'

Art. 4.Artikel 10 van dezelfde wet, opgeheven bij de wet van 10 oktober 1967, wordt hersteld in de volgende lezing : '

Art. 10.- Elke beslissing, ongeacht of het gaat om een voorlopige maatregel of om een maatregel ten gronde, die door de jeugdrechter of de jeugdrechtbank in eerste aanleg of in hoger beroep genomen is, wordt op de dag van de beslissing zelf, door toedoen van de griffier, bij gewone kopie overgezonden aan de advocaat van de minderjarige. ' ».

B.2. Artikel 3 van de wet van 13 juni 2006 voert een voorafgaande titel in in de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, waarin een aantal algemene beginselen worden omschreven die van toepassing zijn op de rechtsbedeling ten aanzien van minderjarigen.

Artikel 4 maakt deel uit van hoofdstuk II « Gerechtelijke bescherming » van de voormelde wet.

B.3. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt doet blijken van een belang.

Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt; bijgevolg is de actio popularis niet toelaatbaar.

B.4. Ter staving van zijn belang voert de verzoeker aan dat hij, « net zoals iedereen, het slachtoffer [kan] worden van een minderjarige die een als misdrijf omschreven feit pleegt ». Verder wijst hij op het feit dat hij gedagvaard is om op 4 september 2006 te verschijnen voor de Politierechtbank te Leuven. Hij wenst te verkrijgen dat de regeling van artikel 4 van de wet van 13 juni 2006 van toepassing zou zijn in alle strafzaken en dus ook ten aanzien van meerderjarigen, mede gelet op het feit dat artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek in de praktijk volgens de verzoeker niet blijkt te worden toegepast in strafzaken.

B.5. Het door de verzoeker aangevoerde belang verschilt niet van het belang dat iedere persoon erbij heeft dat de wettigheid in alle aangelegenheden in acht wordt genomen. Het enkele feit gedagvaard te zijn voor de politierechtbank wegens overtreding van het verkeersreglement volstaat te dezen niet om het rechtens vereiste belang op te leveren. De verzoeker toont niet aan hoe hij rechtstreeks en ongunstig in zijn situatie zou kunnen worden geraakt door de bestreden bepalingen van de wet van 13 juni 2006. Het nadeel dat hij bij de ontwikkeling van zijn middelen en in zijn « niet-officiële » memorie met verantwoording aanvoert, vloeit niet voort uit het bestreden artikel 4 van de wet van 13 juni 2006, maar uit de bepalingen inzake de kennisgeving en betekening van vonnissen en arresten.

Het erkennen van het door de verzoeker aangevoerde belang komt dan ook neer op het aanvaarden van de actio popularis, hetgeen de Grondwetgever niet heeft gewild.

B.6. Daaruit volgt dat het beroep tot vernietiging kennelijk niet ontvankelijk is.

Om die redenen, het Hof, beperkte kamer, met eenparigheid van stemmen uitspraak doende, verklaart het beroep tot vernietiging onontvankelijk.

Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 18 oktober 2006.

De griffier, P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter, A. Arts.

^