Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 18 januari 2008

Uittreksel uit arrest nr. 158/2007 van 19 december 2007 Rolnummer 4143 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 5 van de wet van 19 juli 2006 tot wijziging van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers, ingest Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechter(...)

bron
grondwettelijk hof
numac
2007203672
pub.
18/01/2008
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

Uittreksel uit arrest nr. 158/2007 van 19 december 2007 Rolnummer 4143 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 5 van de wet van 19 juli 2006 tot wijziging van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers, ingesteld door de VZW « Belgische Opvoedende Seminaries ».

Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 10 februari 2007 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 13 februari 2007, heeft de VZW « Belgische Opvoedende Seminaries », met maatschappelijke zetel te 3080 Vossem, Donkerstraat 2, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 5 van de wet van 19 juli 2006 tot wijziging van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 11 augustus 2006, tweede editie). (...) II. In rechte (...) B.1. Het beroep tot vernietiging is gericht tegen artikel 5 van de wet van 19 juli 2006 « tot wijziging van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers », dat artikel 5 van de wet van 3 juli 2005 vervangt. Thans luidt dit laatste artikel als volgt : « Behalve in geval van bedrog, zware fout of eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomende lichte fout van de vrijwilliger, is deze, behalve als het om schade gaat die hij zichzelf toebrengt, niet burgerlijk aansprakelijk voor de schade die hij veroorzaakt bij het verrichten van vrijwilligerswerk, ingericht door een in artikel 3, 3° bedoelde feitelijke vereniging die één of meer personen tewerkstelt die verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst voor werklieden of bedienden, door een in artikel 3, 3° bedoelde rechtspersoon, of door een feitelijke vereniging die op grond van haar specifieke verbondenheid hetzij met de voormelde feitelijke vereniging, hetzij met de voormelde rechtspersoon beschouwd kan worden als een afdeling daarvan. Voor deze schade zijn respectievelijk de feitelijke vereniging, de rechtspersoon of de organisatie waarvan de feitelijke vereniging een afdeling vormt, burgerlijk aansprakelijk.

Op straffe van nietigheid mag van de bij het eerste lid bepaalde aansprakelijkheid niet afgeweken worden in het nadeel van de vrijwilliger ».

Artikel 3, 3°, van de voormelde wet van 3 juli 2005, aangevuld bij artikel 2 van de wet van 19 juli 2006, waarnaar wordt verwezen in artikel 5, luidt als volgt : «

Art. 3.Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder : [...] 3° organisatie : elke feitelijke vereniging of private of publieke rechtspersoon zonder winstoogmerk die werkt met vrijwilligers, waarbij onder feitelijke vereniging wordt verstaan elke vereniging zonder rechtspersoonlijkheid van twee of meer personen die in onderling overleg een activiteit organiseren met het oog op de verwezenlijking van een onbaatzuchtige doelstelling, met uitsluiting van enige winstverdeling onder haar leden en bestuurders, en die een rechtstreekse controle uitoefenen op de werking van de vereniging;».

Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.2. De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging omdat de verzoekende partij niet aantoont in welk opzicht haar maatschappelijk doel zou worden geraakt door de bestreden bepaling, noch bewijst dat zij haar maatschappelijk doel werkelijk nastreeft, wat onder meer zou moeten blijken uit de neerlegging van haar ledenlijst en jaarrekening en andere feitelijke elementen.

B.3.1. Bij beschikking van 17 oktober 2007 heeft het Hof de verzoekende partij uitgenodigd om, uiterlijk ter terechtzitting, het bewijs te leveren van de bekendmakingen die op grond van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen noodzakelijk zijn op straffe van onontvankelijkheid van haar optreden in rechte.

B.3.2. De verzoekende partij is een vereniging zonder winstoogmerk die « de opleiding, het onderwijs, de opvoeding, de vorming, de raadgeving en de organisatie van seminaries, beraadslagingen en conferenties » tot maatschappelijk doel heeft.

Blijkens de overgelegde stukken werden de jaarrekeningen 2003, 2004, 2005 en 2006 neergelegd ter griffie van de Rechtbank van koophandel te Leuven, zodat is voldaan aan de voorwaarde om het bewijs te leveren van de op grond van artikel 26 van de wet van 27 juni 1921 vereiste bekendmakingen.

B.3.3. Een vereniging zoals de verzoekende partij kan rechtstreeks en ongunstig worden geraakt door een wetsbepaling die haar aansprakelijkheid regelt voor het optreden van haar vrijwilligers.

B.3.4. Het vereiste voor een vereniging zonder winstoogmerk om in het kader van het beroep tot vernietiging bij het Hof, aan te tonen dat zij haar maatschappelijk doel werkelijk nastreeft, geldt enkel wanneer de vereniging zonder winstoogmerk niet haar persoonlijk belang aanvoert.

B.3.5. De exceptie van niet-ontvankelijkheid van het beroep wordt verworpen.

Ten aanzien van de omvang van het beroep B.4. De Ministerraad werpt tevens de exceptie van onontvankelijkheid van het tweede middel op. Dat middel is specifiek gericht tegen de verplichting tot het afsluiten van een burgerlijke aansprakelijkheidsverzekering door onder meer de verzoekende partij als rechtspersoon die geen personeel tewerkstelt. Vermits die verzekeringsplicht is opgenomen in artikel 6, § 1, van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers, zoals vervangen bij artikel 6, 1°, van de wet van 19 juli 2006, dat evenwel niet wordt bestreden met het beroep, zou het tweede middel niet ontvankelijk zijn.

B.5. Volgens de voormelde bepaling moeten de organisaties die krachtens artikel 5 burgerlijk aansprakelijk zijn voor de schade die een vrijwilliger veroorzaakt, tot dekking van de risico's met betrekking tot vrijwilligerswerk een verzekeringscontract sluiten, dat ten minste de burgerlijke aansprakelijkheid van de organisatie dekt, met uitzondering van de contractuele aansprakelijkheid.

Vermits de bestreden bepaling, die voorziet in een aansprakelijkheidsregeling die analoog is aan de regeling van artikel 18 van de arbeidsovereenkomstenwet, die de beste waarborgen op bescherming van de vrijwilliger zou bieden, onlosmakelijk verbonden is met de verzekering van de organisatie (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2496/001, p. 7), dient het tweede middel te worden betrokken bij de beoordeling van het eerste middel dat tegen de bestreden bepaling is gericht.

De exceptie van niet-ontvankelijkheid van het tweede middel wordt verworpen.

Ten gronde B.6. Het bestreden artikel 5 van de wet van 19 juli 2006 sluit de burgerlijke aansprakelijkheid van de vrijwilliger uit voor de schade die hij zou veroorzaken bij het verrichten van vrijwilligerswerk, behalve in geval van bedrog, zware fout of eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomende lichte fout. Die uitsluiting geldt evenwel slechts voor het vrijwilligerswerk dat wordt ingericht door de bij de wet bedoelde rechtspersonen, door de bij de wet omschreven feitelijke verenigingen die één of meer personen met een arbeidsovereenkomst tewerkstellen en door de feitelijke verenigingen die wegens hun specifieke verbondenheid met een rechtspersoon of met een feitelijke vereniging die één of meer personen tewerkstelt, als een afdeling van beide voormelde entiteiten kunnen worden beschouwd.

B.7. Het middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat een verschil in behandeling zou worden ingesteld tussen de vrijwillige verantwoordelijken van een feitelijke vereniging en de vrijwillige bestuurders van een VZW die beide geen werknemers met een arbeidsovereenkomst tewerkstellen, doordat, enerzijds, de eerstgenoemden zouden zijn ontheven van aansprakelijkheid bij schade veroorzaakt door of ten gevolge van vrijwilligers bij de uitoefening van het vrijwilligerswerk, terwijl de laatstgenoemden daarvan niet zouden zijn ontheven (eerste onderdeel) en, anderzijds, de eerstgenoemden een beroep zouden kunnen doen op hun familiale polis die de schade, veroorzaakt door of ten gevolge van de vrijwilliger in de uitoefening van diens vrijwilligerswerk, dekt, terwijl dat niet het geval zou zijn voor de laatstgenoemden (tweede onderdeel).

B.8. Met de bestreden bepaling beoogde de wetgever een aantal verbeteringen aan te brengen in de aansprakelijkheidsregeling voor de vrijwilliger, die werd ingevoerd bij de wet van 3 juli 2005 en gewijzigd bij de wet van 27 december 2005. Zo was het onder meer de bedoeling « rekening [te] houden met de concrete problemen die de door de wetgever initieel beoogde regeling inzake aansprakelijkheid en verzekering inhoudt ten aanzien van een aantal kleine, tijdelijke, feitelijke verenigingen » (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2496/001, p. 6).

Daarbij werd ervan uitgegaan dat een goede aansprakelijkheids- en verzekeringsregeling moet rusten op drie pijlers : het slachtoffer kan worden vergoed; de vrijwilliger die schade veroorzaakt, wordt zoveel als mogelijk beschermd door een door de organisatie afgesloten verzekering; andere vrijwilligers of leden van de organisatie kunnen niet worden aangesproken voor de fout van een bepaalde vrijwilliger (ibid., pp. 6-7).

B.9. De bestreden bepaling die het verschil in behandeling inzake de aansprakelijkheid van de vrijwilliger instelt, berust op een objectief criterium, namelijk de aard van de organisatie waarvoor hij vrijwilligerswerk verricht.

Dat criterium is, op grond van de in de parlementaire voorbereiding opgegeven motieven, pertinent om de door de wetgever nagestreefde doelstelling te verwezenlijken. De persoonlijke aansprakelijkheid van de vrijwilliger wordt immers uitgesloten voor die organisaties die de mogelijkheden hebben die meer gestructureerde verenigingen - als rechtspersoon of als feitelijke vereniging die één of meer personen met een arbeidsovereenkomst tewerkstelt of die een afdeling is van één van de voormelde andere organisaties - ter beschikking staan. Vermits zij reeds zijn onderworpen aan een reeks van wettelijke formaliteiten die een gestructureerde werking, met een doordachte leiding, noodzakelijk maken, kunnen zij ook worden geacht op de hoogte te zijn van de verplichtingen die, onder meer op het vlak van de verzekering van het vrijwilligerswerk binnen hun organisatie, op hen rusten. Op die wijze wordt tevens de vrijwilliger op maximale wijze beschermd, en wordt tegelijk rekening gehouden met de eigenheid van het verenigingsleven, die eraan in de weg staat dat dezelfde verplichtingen zouden gelden voor kleine, tijdelijke feitelijke verenigingen die niet beschikken over dezelfde mogelijkheden als meer gestructureerde verenigingen (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2496/001, pp. 7-8).

De maatregel heeft bovendien geen onevenredige gevolgen aangezien de verplichting tot het sluiten van een verzekeringscontract tot dekking van de risico's met betrekking tot vrijwilligerswerk, op zich niet als overdreven kan worden ervaren voor de organisaties die reeds aan uitgebreide wettelijke verplichtingen zijn onderworpen. Teneinde het voldoen aan die verplichting te vergemakkelijken, heeft de wetgever in artikel 6, § 5, van de wet van 3 juli 2005, toegevoegd bij artikel 6, 5°, van de wet van 19 juli 2006, voorzien in de mogelijkheid voor die organisaties om zich, tegen betaling van een premie, aan te sluiten bij een collectieve polis die voldoet aan de in paragraaf 3 van dat artikel bedoelde voorwaarden.

Het aldus gemaakte onderscheid met betrekking tot de aansprakelijkheidsregeling voor vrijwilligerswerk die is gekoppeld aan een verzekeringsplicht, is objectief en redelijk verantwoord.

B.10. Uit de bestreden bepaling wordt door de verzoekende partij afgeleid dat de vrijwillige verantwoordelijken van een feitelijke vereniging die geen werknemers met een arbeidsovereenkomst tewerkstelt, worden ontheven van aansprakelijkheid bij schade veroorzaakt door of ten gevolge van vrijwilligers bij de uitoefening van het vrijwilligerswerk, terwijl de vrijwillige bestuurders van een VZW die geen werknemers met een arbeidsovereenkomst tewerkstelt, daarvan niet zouden worden ontheven.

B.11. Anders dan de verzoekende partij voorhoudt, zijn de vrijwillige bestuurders van een VZW die geen werknemers met een arbeidsovereenkomst tewerkstelt, alsmede de vrijwillige bestuurders van een andere organisatie die onder de toepassing van het bestreden artikel valt, niet aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door of ten gevolge van vrijwilligers bij het verrichten van het gewone vrijwilligerswerk, dit is het vrijwilligerswerk dat wordt verricht buiten het optreden als bestuurder. Artikel 5, eerste lid, tweede zin, van de wet van 3 juli 2005 bepaalt immers uitdrukkelijk dat voor de schade veroorzaakt bij het verrichten van vrijwilligerswerk waarvoor de vrijwilliger zelf niet burgerlijk aansprakelijk is, de feitelijke vereniging, de rechtspersoon of de organisatie waarvan de feitelijke vereniging een afdeling vormt, burgerlijk aansprakelijk zijn, en bijgevolg niet de vrijwilligers-bestuurders zelf.

B.12. Het eerste onderdeel van het eerste middel is niet gegrond.

B.13. Volgens de verzoekende partij wordt het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie eveneens geschonden doordat de vrijwillige verantwoordelijken van een feitelijke vereniging die geen werknemers met een arbeidsovereenkomst tewerkstelt, een beroep zouden kunnen doen op hun familiale polis die de schade dekt die zou worden veroorzaakt door of ten gevolge van hun vrijwilligerswerk, terwijl de vrijwillige bestuurders van een VZW die geen werknemers met een arbeidsovereenkomst tewerkstelt, daarop geen beroep zouden kunnen doen.

B.14. Het aangeklaagde verschil in behandeling tussen beide categorieën van personen, zoals het door de verzoekende partij wordt uiteengezet, bestaat slechts in zoverre hun hoedanigheid als verantwoordelijke van hun organisatie in aanmerking wordt genomen. De bestuurder van een VZW die geen werknemers met een arbeidsovereenkomst tewerkstelt, valt, met betrekking tot de handelingen die hij stelt als gewoon vrijwilliger van zijn organisatie - dit wil zeggen buiten zijn bestuurdersmandaat om -, onder de toepassing van de bestreden bepaling en geniet een gunstiger statuut dan de vrijwilliger van een feitelijke vereniging zonder werknemers in dienst, die voor zijn handelingen als vrijwilliger, ongeacht of hij als verantwoordelijke van de vereniging dan wel als gewoon vrijwilliger optreedt, op grond van het gemeen recht met zijn vermogen persoonlijk aansprakelijk is voor de eigen fout (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2496/001, p. 7).

B.15. Het aangeklaagde verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk de aard van de organisatie waarbij de vrijwilliger verantwoordelijkheid opneemt. Het vloeit niet zozeer voort uit de bestreden wetsbepaling zelf, die op algemene wijze het statuut van de vrijwilliger regelt, doch uit de specifieke wetgeving die het statuut - en de aansprakelijkheid - regelt van de bestuurders van een vereniging zonder winstoogmerk, waaronder in het bijzonder de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen.

Zoals uit de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling blijkt, primeert deze laatste wet als bijzondere regeling die geldt voor de bestuurders van een VZW, op de wet van 3 juli 2005, waarvan artikel 5 voorziet in de algemene aansprakelijkheidsregeling voor vrijwilligers (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2496/005, pp. 15 en 29).

Dat verschil in behandeling is redelijk verantwoord vermits van bestuurders van een VZW mag worden aangenomen dat zij op de hoogte zijn van de verplichtingen die zowel op de vereniging als op henzelf als bestuurders wegen, en die een bepaalde verantwoordelijkheid met zich meebrengen, die zij vrijwillig opnemen. Bovendien kunnen zij zich tegen het risico van hun bestuurdersmandaat verzekeren middels een specifieke bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering, zoals de verantwoordelijke van een feitelijke vereniging zonder werknemers dat kan via zijn familiale verzekering, waarbij het - weliswaar bestaande - verschil in premie het onvermijdelijke gevolg is van de omvang van de respectieve verantwoordelijkheden die worden opgenomen.

B.16. Het tweede onderdeel van het eerste middel is niet gegrond.

Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep.

Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 19 december 2007.

De griffier, P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter, M. Bossuyt.

^