Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 17 april 2008

Uittreksel uit arrest nr. 24/2008 van 21 februari 2008 Rolnummers 4177 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 418 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van de wet van 15 Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechter(...)

bron
grondwettelijk hof
numac
2008201179
pub.
17/04/2008
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

Uittreksel uit arrest nr. 24/2008 van 21 februari 2008 Rolnummers 4177 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 418 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van de wet van 15 maart 1999, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechters R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen J.-P. Snappe en E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 13 maart 2007 in zake Wilhelm Petersen en Jurriana Van Dijck tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 26 maart 2007, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 418 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, in de versie die van toepassing was vóór de inwerkingtreding van de wet van 15 maart 1999, zo geïnterpreteerd dat het toestaat dat enkel moratoriuminteresten worden toegekend bij de terugbetaling van belastingen, met uitsluiting van terugbetalingen van - bij gebrek aan inkohiering van de inkomstenbelasting - niet verrekende bedrijfsvoorheffingen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het een verschil in behandeling teweegbrengt tussen de belastingplichtige als schuldeiser van de fiscus aan wie een onterecht betaalde belasting wordt terugbetaald en de belastingplichtige als schuldeiser van de fiscus aan wie een onterecht betaalde bedrijfsvoorheffing wordt terugbetaald ? ». (...) III. In rechte (...) B.1. De artikelen 418 en 419 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992), zoals zij van toepassing waren voor het aanslagjaar waarop het geschil voor de verwijzende rechter betrekking heeft, dus vóór de wijziging ervan bij de artikelen 43 en 44 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen (Belgisch Staatsblad , 27 maart 1999), bepaalden : «

Art. 418.Bij terugbetaling van belastingen worden moratoriuminteresten toegekend tegen een rentevoet van 0,8 pct. per kalendermaand.

De Koning kan, wanneer zulks ingevolge de op de geldmarkt toegepaste rentevoeten verantwoord is, dit tarief aanpassen.

Die interesten worden berekend op het bedrag van elke betaling, afgerond op het lagere duizendtal; de maand waarin de betaling is geschied wordt niet medegerekend, doch de maand waarin aan de belastingschuldige het bericht wordt gestuurd dat de terug te betalen som te zijner beschikking stelt, wordt voor een gehele maand geteld ». «

Art. 419.Geen interest wordt toegekend bij terugbetaling : 1° van de bedrijfsvoorheffingen als bedoeld bij de artikelen 270 tot 275, die ten voordele van de schuldenaar van die voorheffingen geschiedt;2° van het overschot van voorheffingen en voorafbetalingen als bedoeld bij artikel 304, § 2, die ten voordele van de betrokken belastingplichtige geschiedt;3° van de overbelastingen als bedoeld bij artikel 376, §§ 1 en 2, die na het verstrijken van de termijnen van bezwaar en beroep van ambtswege geschiedt;4° van de verminderingen als bedoeld bij artikel 376, § 3, 2°, die na het verstrijken van de termijnen van bezwaar en beroep van ambtswege geschiedt. Evenmin wordt moratoriuminterest toegekend wanneer hij geen 200 frank per maand bedraagt ».

B.2. De verwijzende rechter ondervraagt het Hof over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van het voormelde artikel 418, eerste lid, in die zin geïnterpreteerd dat het toestaat dat moratoriuminteresten enkel worden toegekend bij terugbetaling van belastingen, met uitsluiting van terugbetalingen van niet verrekende bedrijfsvoorheffingen.

Sinds de wijziging ervan bij de wet van 15 maart 1999, bepaalt artikel 418, eerste lid, van het WIB 1992 : « Bij terugbetaling van belastingen, voorheffingen, voorafbetalingen, nalatigheidsinterest, belastingverhogingen of administratieve boeten, wordt moratoriuminterest toegekend tegen de wettelijke rentevoet, berekend per kalenderjaar ».

B.3. De artikelen 418 en 419 van het WIB 1992 vinden hun oorsprong in artikel 74, vijfde en zesde lid, van de gecoördineerde wetten van 15 januari 1948 betreffende de inkomstenbelastingen, ingevoegd bij artikel 5 van de wet van 27 juli 1953. Nadat die bepalingen het beginsel hadden gesteld van de betaling van moratoriuminteresten door de Staat in geval van terugbetaling van belasting, voorzagen zij in een uitzondering, met name wanneer de terugbetaling « aan de bron verschuldigde belastingen » betrof, thans « voorheffingen » genoemd.

De memorie van toelichting van de wet van 27 juli 1953 stelt dat « deze bepaling, die dateert van de wet van 28 februari 1924, was gesteund op redenen van billijkheid » (Parl. St., Kamer, 1952-1953, nr. 277, p. 9) en dat, zoals de nalatige belastingplichtigen verwijlinteresten moeten betalen aan de Staat, « om dezelfde redenen [...] het dan ook billijk [is] moratoire interesten aan de belastingplichtigen toe te kennen telkens de Staat een gekweten belasting terugbetaalt [...] » (ibid., p. 10).

De uitzondering, inzonderheid in verband met de terugbetaling van de aan de bron verschuldigde belastingen, thans overeenstemmende met het overschot van voorheffing, wordt in de parlementaire voorbereiding van de wet als volgt gemotiveerd : « [...] de terugbetaling [kan] voortspruiten namelijk uit vergissingen begaan door de schuldenaar van het inkomen die verantwoordelijk is voor de storting van de belasting in de Schatkist maar deze last niet zelf draagt of niet geacht wordt hem zelf te dragen, uit de toepassing van artikel 52, waarbij maatregelen voorzien worden ten einde de dubbele belasting van dezelfde inkomsten in hoofde van dezelfde belastingplichtige te vermijden, en ten slotte uit de regularisatie van de fiscale toestand van de wedde-, loon-, pensioentrekkenden, enz., wanneer het bedrag van de bij de bron ingehouden belasting hoger is dan dit der belastingen werkelijk vorderbaar op het geheel der bedrijfsinkomsten van de belastingplichtige.

De toekenning van moratoire interesten in voormelde gevallen zou doorgaans op aanzienlijk materiële moeilijkheden stuiten, en zulks zonder werkelijk nut. Zij zou anderdeels ongerechtvaardigd zijn wanneer zij het gevolg is van vergissingen in de storting der bij de bron verschuldigde belastingen, of van de toepassing van artikel 52, vermits in het eerste geval, het de schuldenaar van de belasting practisch onmogelijk zou zijn de moratoire interesten te verdelen over de werkelijke belastingplichtigen, te weten de begunstigden der belastbare inkomsten en, in de tweede onderstelling, de terugbetaling niet toegestaan wordt aan de werkelijke begunstigden van de inkomsten, doch aan de vennootschap die de last van de mobiliënbelasting niet zelf droeg of niet geacht wordt die last te hebben gedragen » (ibid., p. 10). B.4.1. Zoals het Hof in zijn arresten nrs. 35/99, 113/2001 en 20/2007 heeft geoordeeld, kan het worden verantwoord dat geen enkele interest verschuldigd is bij terugbetaling van voorheffingen wanneer de schuldenaar spontaan meer heeft betaald dan hij verschuldigd was of wanneer het praktisch onmogelijk is de datum vast te stellen waarop de interesten zijn beginnen te lopen die moeten worden verdeeld onder de belastingplichtigen ten gunste van wie de inhoudingen zijn gebeurd door de schuldenaar van de voorheffingen. Zulks is met name het geval voor het overschot van bedrijfsvoorheffingen wanneer zij niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een inkohiering op naam van de schuldenaar.

Niets verantwoordt daarentegen dat moratoriuminteresten worden geweigerd wanneer het gaat om roerende voorheffingen, wanneer de niet tijdig uitgevoerde terugbetaling van hun overschot is toe te schrijven aan een vergissing van de administratie en wanneer het mogelijk is de datum vast te stellen waarop de interesten beginnen te lopen (arresten nrs. 35/99 en 20/2007). Het is evenmin verantwoord moratoriuminteresten te weigeren wanneer het gaat om roerende voorheffingen, wanneer de terugbetaling ervan noodzakelijk wordt gemaakt door het verstrijken van de wettelijke aanslagtermijn zodat het onmogelijk is ze aan te rekenen op de belasting en wanneer het mogelijk is de datum vast te stellen waarop de interesten beginnen te lopen (arrest nr. 113/2001).

Een bijkomend onderscheid invoeren, naargelang de voorheffing het voorwerp heeft uitgemaakt van een inkohiering, berust op een objectief criterium maar is niet pertinent ten aanzien van het nagestreefde doel (arresten nrs. 35/99 en 20/2007).

B.4.2. In zijn arrest nr. 85/2004 oordeelt het Hof dat het niet verantwoord blijkt moratoriumintresten toe te kennen in het geval van terugbetaling van een belasting en niet in het geval van een belastingverhoging. In beide gevallen gaat het immers om het terugbetalen van een door de Staat onterecht ontvangen som, die door de belastingadministratie is ingehouden en die aan de belastingplichtigen interesten ontzegt op de sommen die hun onterecht zijn ontnomen. De eigen kenmerken van de belasting en van de belastingverhoging zijn niet relevant om te verantwoorden dat de terugbetaling ervan het voorwerp zou zijn van een verschillende behandeling wat de moratoriumintresten betreft. Ten gevolge van dat arrest werd een beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 418, eerste lid, van het WIB 1992, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij de wet van 15 maart 1999. Bij het arrest nr. 52/2006 werd dat beroep verworpen, nu het artikel 418 van het WIB 1992 (vroeger artikel 308 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1964), vóór de wijziging ervan bij artikel 43 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, in die zin moet worden geïnterpreteerd dat het toestaat dat moratoriuminteresten worden toegekend bij de terugbetaling van belastingverhogingen.

B.5. In de voormelde arresten heeft het Hof de elementen aangegeven aan de hand waarvan kan worden nagegaan of het al dan niet toekennen van moratoriuminteresten bestaanbaar is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Weliswaar hebben die arresten betrekking op de terugbetaling van roerende voorheffingen en belastingverhogingen en niet, zoals te dezen, op niet verrekende bedrijfsvoorheffingen, toch dienen dezelfde beginselen die in die arresten in aanmerking werden genomen, op de thans voorliggende aangelegenheid te worden toegepast.

Daaruit volgt dat het kan worden verantwoord dat geen enkele interest verschuldigd is bij terugbetaling van niet verrekende bedrijfsvoorheffing wanneer de schuldenaar spontaan meer heeft betaald dan hij verschuldigd is of wanneer het praktisch onmogelijk is de datum vast te stellen waarop de interesten zijn beginnen te lopen die moeten worden verdeeld onder de belastingplichtigen ten gunste van wie de inhoudingen zijn gebeurd door de schuldenaar van de voorheffingen.

Niets verantwoordt daarentegen dat moratoriuminteresten worden geweigerd wanneer het gaat om niet verrekende bedrijfsvoorheffingen, wanneer de niet tijdig uitgevoerde terugbetaling van hun overschot is toe te schrijven aan een vergissing van de administratie, en wanneer het mogelijk is de datum vast te stellen waarop de interesten beginnen te lopen die niet moeten worden verdeeld tussen verschillende belastingplichtigen.

B.6. Het staat aan de verwijzende rechter te onderzoeken of de voormelde omstandigheden waarin, inzake niet verrekende bedrijfsvoorheffing, al dan niet moratoriuminteresten moeten worden toegekend, al dan niet voorhanden zijn in het geschil dat voor hem aanhangig is.

Overigens is de verwijzende rechter - en niet het Hof - bevoegd om zich uit te spreken over de vraag vanaf welke datum de eisers in het bodemgeschil in voorkomend geval aanspraak op moratoriuminteresten kunnen maken. Die aangelegenheid is trouwens vreemd aan de prejudiciële vraag, zoals die door de verwijzende rechter is gesteld.

B.7. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 418, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vóór de wijziging ervan bij artikel 43 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, in die zin geïnterpreteerd dat het in geen enkel geval toestaat dat moratoriuminteresten worden toegekend bij de terugbetaling van niet verrekende bedrijfsvoorheffingen, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 21 februari 2008.

De griffier, P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter, M. Bossuyt.

^