Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 29 mei 2009

Uittreksel uit arrest nr. 62/2009 van 25 maart 2009 Rolnummer 4492 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 1, zesde lid, van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag, gesteld door de Arbeidsrechtbank Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechter(...)

bron
grondwettelijk hof
numac
2009202028
pub.
29/05/2009
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

GRONDWETTELIJK HOF


Uittreksel uit arrest nr. 62/2009 van 25 maart 2009 Rolnummer 4492 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 1, zesde lid, van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Luik.

Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters P. Martens, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 24 juni 2008 in zake Samira Saidi tegen de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers (RKW), waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 1 juli 2008, heeft de Arbeidsrechtbank te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 1, tweede lid, van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag, zoals in die wet ingevoegd bij artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 242 van 31 december 1983, genomen ter uitvoering van artikel 1, 2°, van de wet van 6 juli 1983 tot toekenning van bepaalde bijzondere machten aan de Koning en bekrachtigd bij artikel 8, 8°, van de wet van 6 december 1984 tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten vastgesteld ter uitvoering van artikel 1, 1° en 2°, van de voormelde wet van 6 juli 1983, en zoals gewijzigd bij de wet van 29 april 1996, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het aan de natuurlijke persoon die gewaarborgde gezinsbijslag vraagt ten gunste van een kind dat hij ten laste heeft, dat in België is geboren en er sindsdien verblijft, de verplichting oplegt werkelijk en ononderbroken in België te hebben verbleven gedurende ten minste de laatste vijf jaar die de indiening van de aanvraag voorafgaan ? Bestaat er geen verschil in behandeling tussen, enerzijds, het Belgische kind, ten laste van een persoon van Belgische nationaliteit, dat gewaarborgde gezinsbijslag geniet zonder verblijfsvoorwaarde en, anderzijds, het Belgische kind, ten laste van een persoon van vreemde nationaliteit die niet voldoet aan de voorwaarde van een voorafgaand verblijf van vijf jaar, dat die bijslag niet kan genieten ? Is de vereiste van een verblijf van ten minste vijf jaar voor de natuurlijke persoon die het kind ten laste heeft, naast de voorwaarde van werkelijk verblijf van het kind, al dan niet onevenredig gelet op de bekommernis om het voordeel van het residuaire stelsel van de gewaarborgde gezinsbijslag uit te breiden, waarbij eveneens wordt vereist dat een voldoende band met de Belgische Staat wordt vastgesteld, terwijl de hoedanigheid van Belg van het kind, in samenhang met de voorwaarde van werkelijk verblijf van het kind sinds zijn geboorte in België, alsmede de Belgische nationaliteit van één van de ouders, een verbondenheid met de Belgische Staat bewijst ? Zou er ook geen verschil in behandeling bestaan voor zover het Belgische kind dat in België verblijft en geboren is uit een ouder van Belgische nationaliteit en uit een ouder van vreemde nationaliteit, gewaarborgde gezinsbijslag zou kunnen genieten naargelang het kind hoofdzakelijk ten laste zou zijn van de ene of de andere ouder ? ». (...) III. In rechte (...) B.1.1. De prejudiciële vraag heeft, volgens de formulering ervan, betrekking op artikel 1, tweede lid, van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag. Uit de feiten van de zaak en de motivering van het verwijzingsvonnis vloeit echter voort dat ze betrekking heeft op het zesde lid van die bepaling.

Artikel 1 bepaalt : « Onverminderd de bepalingen van artikel 10, wordt gezinsbijslag toegekend, onder de bij of krachtens deze wet bepaalde voorwaarden, ten behoeve van het kind dat uitsluitend of hoofdzakelijk ten laste is van een natuurlijke persoon die in België verblijft.

Wanneer het kind een vergoeding geniet als bedoeld in de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers, is dit geen beletsel voor de toekenning van gezinsbijslag.

Wanneer het kind een soldij geniet als bedoeld in de wet van 11 april 2003 tot instelling van een vrijwillige dienst van collectief nut, is dit geen beletsel voor de toekenning van gezinsbijslag.

Een kind wordt geacht hoofdzakelijk ten laste te zijn van de in het eerste lid bedoelde natuurlijke persoon indien deze persoon voor meer dan de helft bijdraagt in het onderhoud van het kind.

De natuurlijke persoon wordt geacht tot bewijs van het tegendeel deze voorwaarde te vervullen indien uit de inschrijving in het bevolkings- of vreemdelingenregister of het Rijksregister van de natuurlijke personen blijkt dat het kind deel uitmaakt van zijn gezin. Dit vermoeden kan niet worden omgekeerd om de reden dat het kind een bestaansminimum ontvangt toegekend krachtens de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum.

De natuurlijke persoon bedoeld in het eerste lid moet werkelijk en ononderbroken verbleven hebben in België gedurende minstens de laatste vijf jaar die de indiening van de aanvraag om gewaarborgde gezinsbijslag voorafgaan.

Van deze voorwaarde worden vrijgesteld : 1° de persoon die onder de toepassing valt van de Verordening (EEG) nr.1408/71 van 14 juni 1971 van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de toepassing van de sociale verzekeringsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen; 2° de staatloze;3° de vluchteling in de zin van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van de vreemdelingen;4° de persoon die niet bedoeld is onder 1° en die onderdaan is van een Staat die het Europees Sociaal Handvest of het Herziene Europees Sociaal Handvest heeft geratificeerd. Als de natuurlijke persoon bedoeld in het eerste lid vreemdeling is, moet hij toegelaten of gemachtigd zijn in België te verblijven of zich er te vestigen, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 15 december 1980, betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.

De gezinsbijslag omvat : 1° de kinderbijslag;2° de leeftijdsbijslag;3° het kraamgeld;4° de bijzondere bijslag bedoeld in artikel 10;5° de adoptiepremie;6° jaarlijkse leeftijdsbijslag;7° de maandelijkse bijslag. De Koning kan andere bijslagen toekennen wanneer en in de mate waarin deze bijslagen eveneens verleend worden in de regeling van de gezinsbijslag voor zelfstandigen ».

B.1.2. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, heeft de prejudiciële vraag geen betrekking op artikel 1, vierde en vijfde lid, van de in het geding zijnde wet, dat de hoedanigheid van rechthebbende afhankelijk maakt van de voorwaarde dat diegene die die hoedanigheid opeist, wordt geacht het rechtgevende kind ten laste te hebben. Hoewel de prejudiciële vraag in haar laatste alinea verwijst naar de persoon van wie het rechtgevende kind ten laste is, heeft de vraag betrekking op de situatie van het kind, rekening houdend met de nationaliteit van de ouder die het ten laste heeft, en niet op het vermoeden dat bij artikel 1, vierde en vijfde lid, is ingevoerd om de ouder van wie het kind ten laste is aan te wijzen en, via hem, de rechthebbende.

Bovendien staat het niet aan de partijen de omvang van de aan de toetsing van het Hof onderworpen bepalingen te wijzigen.

B.2. In zijn oorspronkelijke formulering bepaalde artikel 1 van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag : « Gezinsbijslag wordt toegekend, onder de bij of krachtens deze wet bepaalde voorwaarden, ten behoeve van het kind dat uitsluitend of hoofdzakelijk ten laste is van een natuurlijke persoon. De Koning bepaalt welke kinderen als hoofdzakelijk ten laste aangezien worden.

De gezinsbijslag omvat : 1° de kinderbijslag;2° de leeftijdsbijslag;3° het kraamgeld ». B.3. Artikel 1 van de wet van 20 juli 1971 is herhaalde malen gewijzigd, met name om aan de erin bedoelde natuurlijke persoon een voorwaarde op te leggen met betrekking tot een werkelijk en ononderbroken verblijf in België gedurende ten minste de laatste vijf jaar die de indiening van de aanvraag om gewaarborgde gezinsbijslag voorafgaan. Die voorwaarde werd eerst opgelegd aan de natuurlijke persoon in het algemeen (artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 242 van 31 december 1983); ze werd vervolgens beperkt tot de natuurlijke persoon « die geen Belg of onderdaan van een Lid-Staat van de Europese Gemeenschap is en die geen staatloze of vluchteling is in de zin van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » (artikel 48 van de wet van 20 juli 1991). De vrijstellingen waarin momenteel is voorzien, zijn bij de wet van 29 april 1996 (artikel 59) in de in het geding zijnde bepaling opgenomen.

B.4. Uit de feiten van de zaak waarvan de verwijzende rechter kennis dient te nemen, blijkt dat de persoon die de gewaarborgde gezinsbijslag aanvraagt de Marokkaanse nationaliteit heeft. Rekening houdend met de motieven van de beslissing van de verwijzende rechter, is het verschil in behandeling dat door het Hof moet worden onderzocht, het verschil dat bestaat tussen, enerzijds, de kinderen die, ten laste zijnde van hetzij een persoon van Belgische nationaliteit, hetzij een persoon van vreemde nationaliteit die sedert meer dan vijf jaar in België verblijft op het ogenblik waarop de aanvraag voor gewaarborgde gezinsbijslag wordt ingediend, die bijslag genieten, en, anderzijds, de kinderen die de desbetreffende bijslag niet kunnen genieten omdat zij ten laste zijn van een persoon van vreemde nationaliteit die die verblijfsvoorwaarde niet vervult.

B.5. Om de prejudiciële vraag te beantwoorden, dient te worden onderzocht of het door de wetgever in aanmerking genomen criterium van onderscheid, dat is afgeleid uit de vereiste van een voorafgaand verblijf van vijf jaar in België, verantwoord is ten aanzien van het door hem nagestreefde doel en of een redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen het aangewende middel en het beoogde doel.

B.6.1. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 20 juli 1971 blijkt dat de wetgever de bedoeling had in de sector van de kinderbijslagen een residuair stelsel in te voeren : « er zijn sommige kinderen voor wie momenteel de kinderbijslag niet kan worden uitbetaald omdat er in hunnen hoofde geen rechthebbende is noch in het stelsel der werknemers noch in het stelsel der zelfstandigen. Het is derhalve nodig een residuair stelsel van kinderbijslag in te richten » (Parl. St., Senaat, 1970-1971, nr. 576, verslag, p. 1).

B.6.2. Nu de wetgever met de instelling van een gewaarborgde gezinsbijslag de bedoeling had een residuair stelsel in te voeren zodat de kinderen die van een verplicht stelsel zijn uitgesloten ook het voordeel van gezinsbijslag zouden genieten, rijst de vraag of de maatregel die ertoe leidt dat het voordeel van die wetgeving wordt geweigerd aan de kinderen die ten laste zijn van een persoon die niet sedert meer dan vijf jaar in België verblijft en die op basis van het voormelde artikel 1, zevende lid, niet van die voorwaarde kan zijn vrijgesteld, niet tegen de door de wetgever nagestreefde doelstelling ingaat.

B.6.3. Gelet op het niet-contributieve karakter van het residuaire stelsel, vermocht de wetgever dat voordeel afhankelijk te stellen van het bestaan van een voldoende band met België. De artikelen 1 en 2 van de wet van 20 juli 1971, niettegenstaande de opeenvolgende wijzigingen ervan, hebben steeds voorwaarden - van nationaliteit of van verblijf - voor het verkrijgen van een gewaarborgde gezinsbijslag opgelegd. De wet van 29 april 1996 die tot de in het geding zijnde bepaling heeft geleid, heeft die vereisten enkel gemilderd om de Belgen en de onderdanen van de Europese Economische Ruimte (Parl. St., Kamer, 1995-1996, nr. 352/1, p. 40) alsook de in B.3 aangehaalde staatlozen en vluchtelingen op identieke wijze te behandelen.

Aldus bepaalt artikel 1, achtste lid, van de in het geding zijnde wet : « Als de natuurlijke persoon bedoeld in het eerste lid vreemdeling is, moet hij toegelaten of gemachtigd zijn in België te verblijven of zich er te vestigen, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 15 december 1980, betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen ».

In zijn arrest nr. 110/2006 van 28 juni 2006 heeft het Hof geoordeeld dat de wetgever het voordeel van het residuaire stelsel afhankelijk kon stellen van de voorwaarde van een regelmatig verblijf in België.

B.7. Artikel 2 van de wet van 20 juli 1971 - dat in de prejudiciële vraag niet wordt beoogd - stelt het recht op een gewaarborgde gezinsbijslag afhankelijk van het werkelijke verblijf van het kind in België, en voegt er, voor sommigen onder hen, nog andere eisen aan toe.

De bijkomende vereiste van een verblijf van ten minste vijf jaar voor de rechthebbende die de in artikel 1, zevende lid, bedoelde vrijstellingen niet kan genieten, naast de voorwaarde van werkelijk verblijf van het kind, lijkt, wanneer, zoals te dezen, het kind Belg is, onevenredig met de bedoeling om het voordeel van het residuaire stelsel uit te breiden wanneer een voldoende band met de Belgische Staat is vastgesteld : de hoedanigheid van Belg van het kind, de verblijfsvoorwaarde voor het kind, en de vereiste voor de rechthebbende om te zijn toegelaten of gemachtigd in België te verblijven of er zich te vestigen, tonen immers voldoende de nagestreefde verbondenheid met de Belgische Staat aan en het lijkt niet redelijk verantwoord daarenboven van de rechthebbende een voorafgaand verblijf van een bepaalde duur in België te eisen. Zulks geldt des te meer daar artikel 2, lid 2, van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind de Staten die partij zijn bij dat Verdrag, verplicht « alle passende maatregelen [te nemen] om te waarborgen dat het kind wordt beschermd tegen alle vormen van discriminatie of bestraffing op grond van de status [...] van de ouders [...] van het kind » en daar artikel 26.1 van datzelfde Verdrag eveneens bepaalt dat de Staten die partij zijn, « voor ieder kind het recht [erkennen] de voordelen te genieten van voorzieningen voor sociale zekerheid, met inbegrip van sociale verzekering, en [...] de nodige maatregelen [nemen] om de algehele verwezenlijking van dit recht te bewerkstelligen in overeenstemming met hun nationale recht ».

In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, leidt het in aanmerking nemen van de nationaliteit van het kind, in het geval dat bij de verwijzende rechter aanhangig is gemaakt en waarover het Hof uitspraak doet, niet ertoe dat de bij de aanneming van het voormelde koninklijk besluit nr. 242 vervallen nationaliteitsvoorwaarde opnieuw wordt ingevoerd, maar maakt het deel uit van de elementen die het mogelijk maken aan te tonen of de voldoende band met België, waarvan de wetgever het in het geding zijnde voordeel afhankelijk maakt, al dan niet bestaat.

Daaruit volgt dat artikel 1, zesde lid, van de wet van 20 juli 1971, zoals het bij de wet van 29 april 1996 is vervangen, niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het van toepassing is op de rechthebbende die zich in de hierboven beschreven situatie bevindt.

B.8. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord, in de in B.7 aangegeven mate.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 1, zesde lid, van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het van toepassing is op de buitenlandse aanvrager van gewaarborgde gezinsbijslag die toegelaten of gemachtigd is om in België te verblijven of er zich te vestigen en die de in het zevende lid van dat artikel bedoelde vrijstellingen niet kan genieten, terwijl het kind dat hij ten laste heeft Belg is en werkelijk in België verblijft.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 25 maart 2009.

De griffier, P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter, M. Melchior.

^