Wet
gepubliceerd op 06 oktober 2015
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Uittreksel uit arrest nr. 109/2015 van 16 juli 2015 Rolnummer : 6028 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 32,

bron
grondwettelijk hof
numac
2015204396
pub.
06/10/2015
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

Numac : 2015204396

GRONDWETTELIJK HOF


Uittreksel uit arrest nr. 109/2015 van 16 juli 2015 Rolnummer : 6028 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 32, § 1, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, zoals vervangen bij artikel 4 van de wet van 26 maart 2003 houdende de voorwaarden waaronder de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden een hulp kan toekennen, gesteld door de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders.

Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en J. Spreutels, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, T. Merckx-Van Goey, F. Daoût en T. Giet, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij beslissing van 2 september 2014 in zake D. D.V., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 3 september 2014, heeft de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 32, § 1, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, door de persoonlijke (morele) en de economische (arbeids-)component van de ongeschiktheid expliciet op te nemen in de limitatieve opsomming van posten die in aanmerking komen voor een financiële hulp vanwege de Staat maar door niet de huishoudelijke component van de ongeschiktheid te weerhouden, aldus een onderscheid creërend tussen, enerzijds, slachtoffers, die actief op de arbeidsmarkt zijn en aan wie alzo de kans wordt geboden op het bekomen [van] een financiële hulp in hoofde van een vermindering van arbeidsvermogen en, anderzijds, slachtoffers, die niet actief op de arbeidsmarkt zijn en aan wie alzo geen kans wordt geboden op het bekomen [van] een financiële hulp in hoofde van waardeverlies bij het verrichten van hun huishoudelijke taken? ». (...) III. In rechte (...) B.1. De Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders (hierna : de Commissie) vraagt of artikel 32, § 1, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen (hierna : de wet van 1 augustus 1985) bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.2. Artikel 32, § 1, van de wet van 1 augustus 1985, vervangen bij artikel 4 van de wet van 26 maart 2003 houdende de voorwaarden waaronder de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden een hulp kan toekennen, bepaalt : « § 1. Voor de toekenning van een hulp aan de personen als bedoeld in artikel 31, 1°, steunt de commissie uitsluitend op de volgende bestanddelen van de geleden schade : 1° de morele schade, rekening houdend met de tijdelijke of blijvende invaliditeit;2° de medische kosten en de ziekenhuiskosten, met inbegrip van de prothesekosten;3° de tijdelijke of blijvende invaliditeit;4° een verlies of vermindering aan inkomsten ten gevolge van de tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid;5° de esthetische schade;6° de procedurekosten;7° de materiële kosten;8° de schade die voortvloeit uit het verlies van een of meer schooljaren ». B.3. Het stelsel van de financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden bepaald in de artikelen 28 en volgende van de wet van 1 augustus 1985, berust op de collectieve solidariteit (zie, o.a., Parl. St., Senaat, 1984-1985, nr. 873/1, pp. 17, en ibid., nr. 873/2/1, p. 22).

De personen bedoeld in artikel 31 van die wet (hierna : de slachtoffers) kunnen bij de Commissie, die een administratiefrechtelijk rechtscollege is, een financiële tegemoetkoming vragen die bedoeld is als een « subsidiaire solidariteitstussenkomst » (Parl. St., Senaat, 1984-1985, nr. 873/2/1, p. 19).Uit de parlementaire voorbereiding van de oorspronkelijke regeling blijkt voorts dat de wetgever bewust de begrippen « schadeloosstelling » en « vergoeding » heeft willen vermijden en dat die financiële tegemoetkoming is bedoeld als een « hulp » voor het dragen van een zeker nadeel ingevolge opzettelijke gewelddaden (Parl.

St., Senaat, 1984-1985, nr. 873/2/1, pp. 25 en 30).

Het bedrag van die financiële hulp wordt « naar billijkheid » (artikel 33, § 1) bepaald door de Commissie.

In de verantwoording bij het amendement van de Regering dat leidde tot de thans in het geding zijnde bepaling is erop gewezen dat « de commissie geen integrale schadeloosstelling verzekert, maar een billijke financiële hulp toekent voor de schadeposten die ruim, maar niettemin limitatief zijn opgesomd in artikel 32 » (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-0626/002, p. 11). Door het expliciete gebruik van het woord « uitsluitend » in artikel 32, §§ 1, 2 en 3, van de wet van 1 augustus 1985, is benadrukt dat enkel de in dat artikel limitatief opgesomde bestanddelen van het geleden nadeel bij het bepalen van de hulp door de Commissie in aanmerking kunnen worden genomen (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-0626/004, p. 3).

Voorts blijkt uit de wettekst en uit de parlementaire voorbereiding dat het om een subsidiair stelsel gaat : de financiële hulp kan maar worden toegekend op voorwaarde dat « de schade [...] niet afdoende [kan] worden hersteld door de dader of de burgerlijk aansprakelijke partij, op grond van een stelsel van sociale zekerheid of een private verzekering, noch op enige andere manier » (artikel 31bis, 5°, en Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-0626/002, p. 11).

B.4. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing en uit de bewoordingen van de prejudiciële vraag blijkt dat het verwijzende rechtscollege de in het geding zijnde bepaling in die zin interpreteert dat er wel een tegemoetkoming kan worden gegeven rekening houdend met de « persoonlijke (morele) en de economische (arbeids-)component van de ongeschiktheid » maar niet voor de « huishoudelijke component van de ongeschiktheid », die in de verwijzingsbeslissing ook is aangemerkt als « economische waarde huishoudelijke arbeid » en « ' economische schade huishouden ', ' waardeverlies huishouden ', ' huishoudelijke schade '... ».

Aldus zou een verschil in behandeling worden gecreëerd « tussen, enerzijds, slachtoffers, die actief op de arbeidsmarkt zijn en aan wie alzo de kans wordt geboden op het bekomen [van] een financiële hulp in hoofde van een vermindering van arbeidsvermogen en, anderzijds, slachtoffers, die niet actief op de arbeidsmarkt zijn en aan wie alzo geen kans wordt geboden op het bekomen [van] een financiële hulp in hoofde van waardeverlies bij het verrichten van hun huishoudelijke taken ».

B.5.1. De Ministerraad voert aan dat de in het geding zijnde bepaling het bekritiseerde verschil in behandeling niet bevat. Volgens hem worden de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden immers niet verschillend behandeld al naargelang zij al dan niet op de arbeidsmarkt actief zijn.

B.5.2. Volgens de « indicatieve tabel » van 2012 van het Nationaal Verbond van magistraten van eerste aanleg en het Koninklijk Verbond van vrede- en politierechters, waarvan in de verwijzingsbeslissing gewag is gemaakt, wordt in de gemeenrechtelijke schadevergoedingsregeling een onderscheid gemaakt tussen « persoonlijke », « huishoudelijke » en « economische » ongeschiktheid.

De gemeenrechtelijke schadevergoeding voor « huishoudelijke ongeschiktheid » beoogt de schade te dekken wanneer het slachtoffer zich niet meer, of moeilijker dan voorheen, kan toeleggen op huishoudelijke taken.

B.5.3. Voor het in overweging nemen van de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden is het, wat de eventuele huishoudelijke ongeschiktheid betreft, niet relevant rekening te houden met het gegeven dat de betrokkene al dan niet op de arbeidsmarkt actief is.

Men kan er immers niet van uitgaan dat wie actief is op de arbeidsmarkt, geen huishoudelijke taken zou uitvoeren of, omgekeerd, dat wie niet actief is op de arbeidsmarkt alle huishoudelijke taken op zich zou nemen.

In dat opzicht doet de in het geding zijnde bepaling derhalve niet het aangeklaagde verschil in behandeling ontstaan en dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord.

B.5.4. De prejudiciële vraag kan evenwel ook in die zin worden begrepen dat daarin een verschil in behandeling wordt aangevoerd tussen slachtoffers van opzettelijke gewelddaden, al naargelang de financiële tegemoetkoming die zij vragen betrekking heeft op een huishoudelijke ongeschiktheid, dan wel op een persoonlijk (moreel) of economisch nadeel.

Het verwijzende rechtscollege interpreteert de in het geding zijnde bepaling immers in die zin dat, op grond van zijn vaste rechtspraak, wel een tegemoetkoming kan worden gegeven wanneer het gaat om een slachtoffer dat een moreel of economisch nadeel ondervindt, maar niet wanneer het gaat om een slachtoffer dat geheel of gedeeltelijk ongeschikt is geworden om huishoudelijke taken op zich te nemen.

Het Hof gaat na of dat verschil in behandeling bestaanbaar is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie.

B.6. Uit de in B.3 weergegeven aard van het stelsel en de basisbeginselen waarop het berust, blijkt dat de wetgever enkel tot op zekere hoogte een hulp heeft willen verlenen aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden, zonder dat dit stelsel een integrale vergoeding van de schade waarborgt.

Rekening houdend met de voormelde doelstelling van de wetgever is het niet zonder redelijke verantwoording dat hij zekere beperkingen heeft gesteld aan de aard van de benadeling waarvoor een financiële tegemoetkoming kan worden gegeven.

Door, enerzijds, wel te voorzien in, onder meer, een eventuele hulp voor « de morele schade, rekening houdend met de tijdelijke of blijvende invaliditeit » (artikel 32, § 1, 1°, van de wet van 1 augustus 1985) alsook voor « een verlies of vermindering aan inkomsten ten gevolge van de tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid » (artikel 32, § 1, 4°, van de wet van 1 augustus 1985) maar, anderzijds, niet te voorzien in een dergelijke hulp voor « huishoudelijke ongeschiktheid », heeft de wetgever geen onevenredige maatregel genomen, temeer daar het het slachtoffer vrijstaat de gemeenrechtelijke schadevergoeding voor de huishoudelijke ongeschiktheid te vorderen bij de dader van het opzettelijke geweld of bij de voor hem burgerlijk aansprakelijke partij.

B.7. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 32, § 1, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, vervangen bij artikel 4 van de wet van 26 maart 2003 houdende de voorwaarden waaronder de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden een hulp kan toekennen, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 16 juli 2015.

De griffier, P.-Y. Dutilleux De voorzitter, A. Alen


begin


Publicatie : 2015-10-

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^