Wet
gepubliceerd op 04 februari 2016
Justitie digitaliseren: Call to Contribution

Uittreksel uit arrest nr. 160/2015 van 4 november 2015 Rolnummer : 6075 In zake : het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van artikel 68 en tot gehele vernietiging van de artikelen 69 en 70 van de wet van 10 april 2014 houdende diverse bepa Het Grondw

bron
grondwettelijk hof
numac
2015205366
pub.
04/02/2016
prom.
--
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

Numac : 2015205366

GRONDWETTELIJK HOF


Uittreksel uit arrest nr. 160/2015 van 4 november 2015 Rolnummer : 6075 In zake : het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van artikel 68 en tot gehele vernietiging van de artikelen 69 en 70 van de wet van 10 april 2014 houdende diverse bepalingen inzake gezondheid, ingesteld door de cvba « Centrale Afdeling voor Fractionering van het Rode Kruis ».

Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en J. Spreutels, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 28 oktober 2014 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 30 oktober 2014, is beroep ingesteld tot gedeeltelijke vernietiging van artikel 68 en tot gehele vernietiging van de artikelen 69 en 70 van de wet van 10 april 2014 houdende diverse bepalingen inzake gezondheid (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 april 2014) door de cvba « Centrale Afdeling voor Fractionering van het Rode Kruis », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Caestecker en Mr. A. Verlinden, advocaten bij de balie te Brussel. (...) II. In rechte (...) B.1. De cvba « Centrale Afdeling voor Fractionering van het Rode Kruis » vordert de gedeeltelijke vernietiging van artikel 68 en de gehele vernietiging van de artikelen 69 en 70 van de wet van 10 april 2014 houdende diverse bepalingen inzake gezondheid.

B.2.1. Artikel 68 van de wet van 10 april 2014 voegt in de wet van 5 juli 1994 betreffende bloed en bloedderivaten van menselijke oorsprong (hierna : wet van 5 juli 1994) een artikel 20/1 in.

De verzoekende partij vordert de vernietiging van het negende lid van dat artikel 20/1, dat bepaalt : « Voor de jaren 2014 en 2015 is de CVBA Centrale Afdeling voor Fractionering van het Rode Kruis een heffing verschuldigd aan het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering per liter plasma waarvan de plasmaderivaten aan de Belgische ziekenhuizen werden afgeleverd tegen de in toepassing van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging vastgestelde vergoedingsbasis. Deze heffing bedraagt 49,40 euro per liter plasma.

Het globaal bedrag van de heffing wordt in 2014 en in 2015 beperkt tot het op basis van de in 2012 geleverde hoeveelheid plasma berekende bedrag. Een voorschot van 75 % berekend op basis van de in 2012 geleverde hoeveelheid plasma wordt voor 31 december 2014 respectievelijk 31 december 2015 gestort aan het RIZIV. Het saldo wordt gestort voor 30 juni 2015 respectievelijk 30 juni 2016. Wanneer wordt vastgesteld dat de geleverde hoeveelheid plasma lager ligt dan in 2012 wordt de heffing pro rata verminderd ».

B.2.2. Artikel 69 van de wet van 10 april 2014 vult artikel 191, eerste lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, aan met een bepaling onder 33°. Dat artikel 191 maakt deel uit van afdeling I (« Verzekeringsinkomsten ») van hoofdstuk I (« Verzekeringsinkomsten en hun verdeling ») van titel IX (« Financiering ») van de op 14 juli 1994 gecoördineerde wet.

Ten gevolge van de voormelde aanvulling bepaalt artikel 191, eerste lid : « De verzekeringsinkomsten bestaan uit : [...] 33° de opbrengst van de in artikel 20/1, negende lid, van de wet van 5 juli 1994 betreffende bloed en bloedderivaten van menselijke oorsprong, bedoelde heffing ». B.2.3. Artikel 70 van de wet van 10 april 2014 vervangt in artikel 192, vierde lid, 1°, j), eerste lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, de woorden « tot 32° » door de woorden « tot 33° ».

Die wijziging brengt met zich mee dat de opbrengst van de in artikel 20/1, negende lid, van de wet van 5 juli 1994 bedoelde heffing door het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering dient te worden toegewezen aan de tak geneeskundige verzorging.

B.3. In een eerste onderdeel van het eerste middel voert de verzoekende partij aan dat de bestreden bepalingen niet bestaanbaar zijn met het eigendomsrecht, zoals gewaarborgd door artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.4.1. Artikel 16 van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling ».

Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht.

De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren ».

B.4.2. Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens heeft een draagwijdte die analoog is met die van artikel 16 van de Grondwet, waardoor de erin vervatte waarborgen een onlosmakelijk geheel vormen met diegene die zijn ingeschreven in die grondwetsbepaling, zodat het Hof, bij zijn toetsing van de bestreden bepalingen, rekening houdt met die verdragsbepaling.

B.4.3. Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol biedt niet alleen bescherming tegen een onteigening of een eigendomsberoving (eerste alinea, tweede zin), maar ook tegen elke verstoring van het genot van eigendom (eerste alinea, eerste zin). Een belasting of een andere heffing houdt in beginsel een inmenging in het recht op ongestoord genot van de eigendom in.

Bovendien vermeldt artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol dat de bescherming van het eigendomsrecht « echter op geen enkele wijze het recht [aantast] dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren ».

Dienaangaande dient te worden opgemerkt dat, ook al beschikt de wetgever over een ruime beoordelingsbevoegdheid, een belasting of een andere heffing onevenredig kan zijn en op onverantwoorde wijze afbreuk kan doen aan het ongestoord genot van iemands eigendom indien zij het billijke evenwicht verbreekt tussen de vereisten van het algemeen belang en de bescherming van het recht op het ongestoord genot van eigendom (EHRM, 31 januari 2006, Dukmedjian t. Frankrijk, §§ 52-54; beslissing, 15 december 2009, Tardieu de Maleissye t. Frankrijk).

B.5. Krachtens artikel 20/1, negende lid, van de wet van 5 juli 1994, zoals ingevoegd bij artikel 68 van de wet van 10 april 2014, is de cvba « Centrale Afdeling voor Fractionering van het Rode Kruis » voor de jaren 2014 en 2015 een heffing verschuldigd aan het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering per liter plasma waarvan de plasmaderivaten aan de Belgische ziekenhuizen werden geleverd tegen de met toepassing van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen vastgestelde vergoedingsbasis.

De heffing bedraagt 49,40 euro per liter plasma. Het totale bedrag van de heffing wordt in 2014 en in 2015 beperkt tot het op basis van de in 2012 geleverde hoeveelheid plasma berekende bedrag.

Krachtens de bestreden artikelen 69 en 70 van de wet van 10 april 2014 komt de opbrengst van de heffing toe aan het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering en is die opbrengst bestemd voor de tak geneeskundige verzorging.

B.6.1. De bestreden bepalingen maken deel uit van een geheel van maatregelen waarmee de wetgever « een systeem van zelfvoorziening voor stabiele plasmaderivaten [beoogt in te stellen], niet alleen om leveringsproblemen te voorkomen, maar ook om forse prijsstijgingen te verhinderen » (Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3349/005, p. 18).

De parlementaire voorbereiding vermeldt : « Plasmaderivaten, afgeleid van menselijk bloedplasma, vormen voor de behandeling van sommige ernstige aandoeningen de enige remedie.

Momenteel leveren Belgische donors, via het Rode Kruis, tussen 50 en 60 % van de in België gebruikte derivaten. De rest wordt via het buitenland aangekocht.

In het rapport 120 A van het Federaal Kenniscentrum wordt gepleit voor de ontwikkeling van een systeem van zelfvoorziening en voor een grotere financiële transparantie. Ook door de Europese Commissie wordt een beleid van zelfvoorziening gepromoot. Een aantal landen hebben maatregelen genomen of bereiden initiatieven terzake voor.

Tenslotte moet worden vermeden dat door schommelingen op de internationale markt beleveringsproblemen zouden ontstaan of forse prijsstijgingen zouden worden doorgevoerd.

Om al die redenen stelt het ontwerp van wet een systeem van zelfvoorziening in waarvoor de Koning alle nuttige maatregelen kan nemen, uiteraard na advies van de wetenschappelijke wereld. Hierbij wordt ook de rol verduidelijkt van de instellingen die erkend zijn voor de afneming, de bereiding, de bewaring en de distributie van bloed en labiele bloedderivaten, die belast worden met een openbare dienstverplichting voor het collecteren van bloed van onbezoldigde en vrijwillige donoren en het afleveren van het plasma aan een onderneming belast met het verwerken ervan tot stabiele plasma-derivaten. Deze onderneming zal ook een permanente strategische voorraad aanleggen (die uiteraard continu moet worden vervangen en op peil gehouden).

De betrokken onderneming zal worden aangewezen op basis van een procedure van openbare aanbesteding. De ziekenhuizen zullen gehouden zijn om bij voorrang beroep te doen op de plasmaderivaten in het kader van de zelfvoorziening.

Hiertoe zal de bestaande situatie in overeenstemming worden gebracht met de vereisten van het Gemeenschapsrecht alsook met de behoefte tot maximale financiële transparantie in de sector.

De prijs van levering van het bloedplasma zal door de Koning worden vastgesteld. De vergoedingsbasis van de plasmaderivaten zal volgens de huidige bepalingen van de GVU wetgeving [lees : wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994] worden bepaald.

In afwachting van de gunning van de overheidsopdracht wordt de Centrale Afdeling voor Fractionering CVBA, die thans plasmaderivaten vervaardigt op basis van het bloedplasma aangeleverd door het Rode Kruis, belast met de verzekerde levering van de hoeveelheid stabiele plasmaderivaten voor de zelfvoorziening. Gelet op haar bijzondere situatie en de gewaarborgde afzetmogelijkheden zal zij gehouden zijn een heffing te betalen per liter bloedplasma. In het kader van de begroting 2013 werd vastgesteld dat thans aanzienlijke kortingen worden toegestaan. Deze zijn uiteraard niet te rechtvaardigen in een situatie waarbij een leveringswaarborg is voorzien. De opbrengst van de heffing wordt geraamd op 8,8 miljoen euro » (Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3349/001, pp. 55-56).

B.6.2. Uit de aangehaalde parlementaire voorbereiding, en uit de artikelen 4/1 en 20/1 van de wet van 5 juli 1994, zoals ingevoegd bij de artikelen 66 en 68 van de wet van 10 april 2014, blijkt dat de wetgever een systeem van zelfvoorziening op het vlak van stabiele plasmaderivaten heeft willen invoeren dat is gebaseerd op de volgende krachtlijnen : - de in artikel 4 van de wet van 5 juli 1994 bedoelde instellingen die erkend zijn voor de afneming, de bereiding, de bewaring en de distributie van bloed en labiele bloedderivaten, worden belast met een openbaredienstverplichting bestaande in het inzamelen van bloed van onbezoldigde en vrijwillige donoren en het leveren van plasma aan een onderneming - in artikel 20/1, eerste lid, van de wet van 5 juli 1994 omschreven als de « opdrachthouder » - belast met het verwerken ervan tot stabiele plasmaderivaten (artikel 4/1 van de wet van 5 juli 1994); - op basis van een procedure van openbare aanbesteding wordt een opdrachthouder aangewezen die wordt belast met het verwerken van plasma tot stabiele plasmaderivaten en het aanleggen van een permanente strategische voorraad (artikel 20/1, eerste lid, van de wet van 5 juli 1994); - de ziekenhuizen moeten bij voorrang een beroep doen op de plasmaderivaten ontwikkeld in het kader van de zelfvoorziening (artikel 20/1, vijfde lid, van de wet van 5 juli 1994); - in afwachting van de gunning van de voormelde overheidsopdracht, worden de taken van de opdrachthouder waargenomen door de cvba « Centrale Afdeling voor Fractionering van het Rode Kruis » en dit tot uiterlijk 31 december 2015 (artikel 20/1, zevende lid, van de wet van 5 juli 1994); - de cvba « Centrale Afdeling voor Fractionering van het Rode Kruis » is voor de jaren 2014 en 2015 een heffing verschuldigd aan het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering.

B.6.3. Artikel 20/1, vijfde lid, van de wet van 5 juli 1994 verplicht de ziekenhuizen om bepaalde percentages van de door hen benodigde plasmaderivaten - 50 pct. voor de immunoglobulinen en 100 pct. voor de albumineoplossingen - af te nemen van de nog aan te wijzen opdrachthouder « overeenkomstig de door de Koning vastgestelde prijzen, voorwaarden en nadere regels ».

Het zesde lid van die bepaling machtigt de Koning bovendien om uitvoeringsmaatregelen te nemen, waaronder het bepalen van (1) de duur van de periode van marktfalen waarvoor de zelfvoorziening moet worden verzekerd, (2) de hiërarchie van indicaties waarvoor de stabiele plasmaderivaten alsdan worden voorgeschreven, (3) de hoeveelheid plasma vereist voor de zelfvoorziening en (4) de wijze waarop marktfalen wordt vastgesteld door het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten.

B.6.4. Krachtens artikel 20/1, zevende lid, van de wet van 5 juli 1994, worden de contractuele verbintenissen die de erkende instellingen met de cvba « Centrale Afdeling voor Fractionering van het Rode Kruis » hebben aangegaan vóór de inwerkingtreding van het hoofdstuk III/1 (« Bepalingen inzake de zelfvoorziening van plasmaderivaten ») van die wet, in afwachting van de aanwijzing van de opdrachthouder, voortgezet uiterlijk tot 31 december 2015.

De cvba « Centrale Afdeling voor Fractionering van het Rode Kruis » wordt tot die datum belast met de taken van de opdrachthouder. Tot 31 december 2015 wordt als zelfvoorzieningsvoorraad beschouwd de helft van de totale afname van immunoglobulinen en 100 pct. van de totale afname van albumineoplossingen over het jaar 2012 zoals vastgesteld door het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering.

De stabiele plasmaderivaten vervaardigd uit het door de erkende instellingen aangeleverde plasma worden aan de ziekenhuizen geleverd tegen de met toepassing van artikel 35bis van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, vastgestelde vergoedingsbasis.

De ziekenhuizen nemen de in het kader van de zelfvoorziening vervaardigde stabiele plasmaderivaten van de cvba « Centrale Afdeling voor Fractionering van het Rode Kruis » af « overeenkomstig de door de Koning vastgestelde prijzen en voorwaarden » (artikel 20/1, achtste lid).

B.7. Uit het voorgaande blijkt dat de wetgever een systeem heeft willen opzetten dat met zich meebrengt dat aan de cvba « Centrale Afdeling voor Fractionering van het Rode Kruis » tijdelijk een waarborg voor de levering van plasmaderivaten aan de ziekenhuizen wordt verleend, in die zin dat de ziekenhuizen worden verplicht om bepaalde percentages van de door hen benodigde plasmaderivaten af te nemen van de cvba « Centrale Afdeling voor Fractionering van het Rode Kruis », en dit vanaf de inwerkingtreding van artikel 20/1 van de wet van 5 juli 1994 - op 10 mei 2014 - tot uiterlijk 31 december 2015.

De ziekenhuizen dienen die plasmaderivaten bovendien af te nemen « tegen de in toepassing van artikel 35bis van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 vastgestelde vergoedingsbasis ». De parlementaire voorbereiding, aangehaald in B.6.1, doet ervan blijken dat de wetgever heeft willen verhinderen dat de in het kader van de zelfvoorziening vervaardigde plasmaderivaten met kortingen zouden worden geleverd aan de ziekenhuizen, omdat kortingen « niet te rechtvaardigen [zijn] in een situatie waarbij een leveringswaarborg is voorzien ».

B.8. Gelet op de door de wetgever nagestreefde doelstellingen, kan artikel 20/1, negende lid, van de wet van 5 juli 1994, in tegenstelling tot wat de verzoekende partij aanvoert, uitsluitend in die zin worden geïnterpreteerd dat de heffing wordt berekend aan de hand van het aantal liters plasma waarvan de plasmaderivaten door de cvba « Centrale Afdeling voor Fractionering van het Rode Kruis » aan de Belgische ziekenhuizen werden geleverd tegen « de in toepassing van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging vastgestelde vergoedingsbasis ».

B.9. Uit de in B.6.1 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever de bestreden heffing heeft ingevoerd als compensatie voor de « bijzondere situatie en de gewaarborgde afzetmogelijkheden » van de cvba « Centrale Afdeling voor Fractionering van het Rode Kruis ».

B.10.1. Krachtens artikel 20/1, achtste lid, van de wet van 5 juli 1994, zoals ingevoegd bij het bestreden artikel 68 van de wet van 10 april 2014, nemen de ziekenhuizen de in het kader van de zelfvoorziening vervaardigde stabiele plasmaderivaten af « overeenkomstig de door de Koning vastgestelde prijzen en voorwaarden ».

Ofschoon de wetgever een verplichting heeft willen invoeren voor de ziekenhuizen om een bepaald percentage van de door hen benodigde plasmaderivaten af te nemen van de cvba « Centrale Afdeling voor Fractionering van het Rode Kruis », is voor de verwezenlijking van die verplichting een optreden van de Koning vereist.

B.10.2. Zolang de Koning de desbetreffende prijzen en voorwaarden niet heeft vastgesteld, rust er op de ziekenhuizen geen verplichting om plasmaderivaten af te nemen van de cvba « Centrale Afdeling voor Fractionering van het Rode Kruis » tegen de met toepassing van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen vastgestelde vergoedingsbasis. Daaruit volgt eveneens dat, zolang de Koning ter zake niet is opgetreden, de cvba « Centrale Afdeling voor Fractionering van het Rode Kruis » niet het werkelijke genot heeft van het door de wetgever vooropstelde voordeel, ter compensatie waarvan de heffing is ingevoerd.

B.10.3. Het Hof stelt vast dat de Koning nog geen besluit heeft genomen ter bepaling van de nadere regels volgens welke de ziekenhuizen verplicht zijn de door hen benodigde plasmaderivaten af te nemen van de cvba « Centrale Afdeling voor Fractionering van het Rode Kruis ».

Dit brengt met zich mee dat de bestreden heffing, voor wat het jaar 2014 betreft, niet kan worden beschouwd als een compensatie voor een door de wetgever aan de cvba « Centrale Afdeling voor Fractionering van het Rode Kruis » verleend voordeel.

Het bedrag van de bestreden heffing is niet gekoppeld aan de periode tijdens welke de vennootschap het werkelijke genot heeft van dat voordeel. De vennootschap is de heffing immers verschuldigd per liter plasma waarvan de plasmaderivaten in 2015 aan de Belgische ziekenhuizen werden geleverd tegen een bepaalde prijs. Dit brengt met zich mee dat, ook voor wat het jaar 2015 betreft, de heffing niet kan worden beschouwd als een evenredige compensatie voor een aan de cvba « Centrale Afdeling voor Fractionering van het Rode Kruis » verleend voordeel.

B.11. Krachtens artikel 20/1, negende lid, vierde zin, van de wet van 5 juli 1994, zoals ingevoegd bij het bestreden artikel 68 van de wet van 10 april 2014, dient de cvba « Centrale Afdeling voor Fractionering van het Rode Kruis » bovendien, zowel voor wat het jaar 2014 als voor wat het jaar 2015 betreft, vóór 31 december een voorschot van 75 pct. te storten aan het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering, berekend op basis van de in 2012 geleverde hoeveelheid plasma.

Die verplichting leidt ertoe dat, in zoverre de cvba « Centrale Afdeling voor Fractionering van het Rode Kruis » in de jaren 2014 en 2015 geen plasmaderivaten aan de Belgische ziekenhuizen zou hebben geleverd tegen de met toepassing van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen vastgestelde vergoedingsbasis, die vennootschap niettemin een voorschot dient te betalen op een heffing die zij niet verschuldigd is en die is ingevoerd ter compensatie van een voordeel dat zij niet heeft genoten.

B.12. De ontstentenis van bepalingen die waarborgen dat de cvba « Centrale Afdeling voor Fractionering van het Rode Kruis » het werkelijke genot heeft van het door de wetgever beoogde voordeel, ter compensatie waarvan de bestreden heffing werd ingevoerd, brengt met zich mee dat die heffing afbreuk doet aan het billijke evenwicht tussen de vereisten van het algemeen belang en de bescherming van het recht op het ongestoord genot van eigendom.

B.13. In zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, is het eerste onderdeel van het eerste middel gegrond.

B.14. Artikel 20/1, negende lid, van de wet van 5 juli 1994, zoals ingevoegd bij artikel 68 van de wet van 10 april 2014, dient te worden vernietigd.

Vermits de overige bestreden bepalingen modaliteiten vormen van de door artikel 20/1, negende lid, in het leven geroepen heffing, zijn die bepalingen onlosmakelijk verbonden met de vernietigde bepaling, en dienen zij eveneens te worden vernietigd.

B.15. Vermits het onderzoek van het tweede onderdeel van het eerste middel en de andere middelen niet zou kunnen leiden tot een ruimere vernietiging, dienen zij niet te worden onderzocht.

Om die redenen, het Hof vernietigt - artikel 20/1, negende lid, van de wet van 5 juli 1994 betreffende bloed en bloedderivaten van menselijke oorsprong, zoals ingevoegd bij artikel 68 van de wet van 10 april 2014 houdende diverse bepalingen inzake gezondheid; - de artikelen 69 en 70 van de wet van 10 april 2014 houdende diverse bepalingen inzake gezondheid.

Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 4 november 2015.

De griffier, P.-Y. Dutilleux De voorzitter, A. Alen


begin


Publicatie : 2016-02-

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^