Wet
gepubliceerd op 22 september 2017
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Uittreksel uit arrest nr. 71/2017 van 15 juni 2017 Rolnummer : 6250 In zake : de prejudiciële vragen over de wet van 4 maart 2013 houdende de algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 2013, de wet van 24 juni 2013 houdende eerste aan Het Grond

bron
grondwettelijk hof
numac
2017204542
pub.
22/09/2017
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

Numac : 2017204542

GRONDWETTELIJK HOF


Uittreksel uit arrest nr. 71/2017 van 15 juni 2017 Rolnummer : 6250 In zake : de prejudiciële vragen over de wet van 4 maart 2013 houdende de algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 2013, de wet van 24 juni 2013 houdende eerste aanpassing van de algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 2013 en artikel 508/19 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 23 november 1998 betreffende de juridische bijstand, gesteld door de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en E. De Groot, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 25 juni 2015 in zake de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » en anderen tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 20 juli 2015, heeft de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld : 1. « Schenden de wet van 4 maart 2013 ' houdende de algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 2013 ', tweede bijgevoegde tabel, sectie 12, afdeling 56, punt 1 ' Gerechtelijke bijstand ', en de wet van 24 juni 2013 ' houdende eerste aanpassing van de algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 2013 ', tweede bijgevoegde tabel, sectie 12, afdeling 56, punt 1 ' Gerechtelijke bijstand ', door de begroting van de juridische bijstand met betrekking tot de prestaties van de tweedelijnsadvocaten voor het jaar 2011-2012 vast te stellen op respectievelijk 70 789 000 euro en 5 888 000 euro, namelijk een maximumbedrag voor toegestane uitgaven van 76 677 000 euro, artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet, in zoverre die bepalingen een aanzienlijke achteruitgang van het recht op juridische bijstand doen ontstaan door de waarde van het punt betreffende de vergoeding van de tweedelijnsadvocaten die de openbare dienst van de juridische bijstand verstrekken, te beperken tot een bedrag van 25,76 euro in plaats van 28,03 euro (geïndexeerde waarde van het punt vastgesteld op 26,91 euro voor het voorgaande gerechtelijk jaar) ? »;2. « Schendt artikel 508/19 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 23 november 1998 ' betreffende de juridische bijstand ', door de Koning niet ertoe te verplichten het bedrag van de vergoedingen van de advocaten die juridische tweedelijnsbijstand verstrekken vast te stellen in samenhang met het aantal van hun prestaties en door het de Koning aldus mogelijk te maken een begroting in de vorm van een ' gesloten enveloppe ' vast te stellen om die verstrekkers te vergoeden, artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet, in zoverre die bepaling vereist dat de wetgever de essentiële elementen die het recht op juridische bijstand waarborgen, zelf moet vaststellen en niet toestaat dat aan de Koning de mogelijkheid wordt gelaten om een aanzienlijke achteruitgang in de bescherming van die fundamentele vrijheid door te voeren door de waarde van het punt ' Gerechtelijke bijstand ' te bepalen ? ». (...) III. In rechte (...) B.1.1. « Juridische eerstelijnsbijstand » neemt « de vorm [aan] van praktische inlichtingen, juridische informatie, een eerste juridisch advies of de verwijzing naar een gespecialiseerde instantie of organisatie », terwijl « juridische tweedelijnsbijstand » wordt « verleend aan een natuurlijke persoon in de vorm van een omstandig juridisch advies », in de vorm van « bijstand al dan niet in het kader van een procedure » of in de vorm van « bijstand bij een geding » (artikel 508/1, 1° en 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 23 november 1998 « betreffende de juridische bijstand »).

Juridische tweedelijnsbijstand wordt verleend door de advocaten die in dat kader prestaties wensen te verrichten, en wordt georganiseerd door het bureau voor juridische bijstand dat bij elke balie is ingesteld (artikel 446bis, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 23 november 1998; artikel 508/7, eerste en derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 23 november 1998, vóór de wijziging ervan bij artikel 3 van de wet van 6 juli 2016 « tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de juridische bijstand »).

Die advocaten moeten geregeld aan het bureau voor juridische bijstand verslag doen (artikel 508/11, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 23 november 1998).

B.1.2. Het Rijk kent vergoedingen toe aan de advocaten voor hun prestaties inzake juridische tweedelijnsbijstand, « onder de in artikel 508/19 bedoelde voorwaarden » (artikel 446bis, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 23 november 1998).

Artikel 508/19 van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 23 november 1998 en gewijzigd bij artikel 2 van de wet van 21 april 2007 « betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat », bepaalde, vóór de wijziging ervan bij artikel 9 van de wet van 6 juli 2016 : « § 1. De advocaat int de aan de begunstigde toegekende rechtsplegingsvergoeding. § 2. De advocaten belast met de gedeeltelijk of volledig kosteloze juridische tweedelijnsbijstand doen verslag aan het bureau over elke behandelde zaak waarvoor zij in dit raam prestaties hebben verricht.

Dit verslag vermeldt eveneens de door de advocaat geïnde rechtsplegingsvergoeding.

Het bureau kent voor die prestaties aan de advocaten punten toe en het doet hierover verslag aan de stafhouder.

De stafhouder deelt het totaal van de punten van de balie mee aan de in artikel 488 bedoelde overheden die het totaal van de punten van alle balies meedelen aan de Minister van Justitie. § 3. Zodra hij de mededeling heeft ontvangen van de informatie bedoeld in § 2, kan de Minister van Justitie een controle laten uitvoeren op de wijze die hij bepaalt na raadpleging van de in artikel 488 bedoelde overheden. Hij gelast de betaling van de vergoeding aan die overheden die via de Ordes van Advocaten voor de verdeling ervan zorgen ».

De « in artikel 488 [van het Gerechtelijk Wetboek] bedoelde overheden » zijn de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » en de Orde van Vlaamse balies.

B.1.3. Artikel 2 van het koninklijk besluit van 20 december 1999 « houdende uitvoeringsbepalingen inzake de vergoeding die aan advocaten wordt toegekend in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand en inzake de subsidie voor de kosten verbonden aan de organisatie van de bureaus voor juridische bijstand », gewijzigd bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 19 juli 2006, bepaalde, vóór de wijziging ervan bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 21 juli 2016 : « De voorwaarden voor de toekenning, het tarief en de wijze van uitbetaling van de vergoeding omschreven in artikel 508/19, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 23 november 1998 betreffende de juridische bijstand, worden als volgt bepaald : 1° Het bureau voor juridische bijstand verleent aan de advocaten punten voor iedere aanwijzing of ambtshalve toevoeging ingevolge de artikelen 508/9 en 508/21 van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 23 november 1998, waarvoor de advocaten aantonen dat zij tijdens het afgelopen gerechtelijk jaar of tijdens de voorgaande jaren werkelijk prestaties hebben verricht.Het bureau baseert zich in dit verband op het verslag bedoeld in de artikelen 508/11 en 508/19, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij dezelfde wet.

De punten worden per prestatie verleend op grond van een lijst met de punten die voor bepaalde prestaties worden aangerekend. De minister stelt de lijst op voorstel van de Nationale Orde van Advocaten vast.

In alle gevallen kan het Bureau voor Juridische Bijstand, op grond van een behoorlijk gemotiveerde beslissing, het aantal punten herleiden, in functie van de verstrekte prestatie.

Er kunnen geen punten worden toegekend wanneer de stafhouder of het bureau voor juridische bijstand een advocaat aanwijst in gevallen waarin de artikelen 508/9 en 508/21 van hetzelfde Wetboek niet van toepassing zijn; 2° de stafhouders bezorgen aan de overheden bedoeld in artikel 488 van hetzelfde Wetboek voor 31 oktober van elk jaar, op de formulieren welke die overheden ter beschikking stellen, een lijst van de advocaten die de prestaties bedoeld in 1°, eerste lid, hebben verricht, waarbij voor elke prestatie opgave moet worden gedaan van : a) per aanwijzing en per ambtshalve toevoeging : - de identiteit en de woonplaats van de bijgestane persoon; - de punten toegekend wegens prestaties verricht ten aanzien van personen die volledige bijstand genieten; - de punten toegekend wegens prestaties verricht ten aanzien van personen die gedeeltelijke bijstand genieten, evenals het bedrag van de betaalde erelonen; b) het totaal van de punten en van de bedragen bedoeld in a). De stafhouders vermelden eveneens voor de gehele balie het totaal van de punten en van de bedragen bedoeld in b); 3° aan de hand van het totale aantal punten dat alle advocaten van het Rijk hebben behaald en van het bedrag bestemd voor de vergoedingen dat ingeschreven is op de begroting van het jaar waarin het betrokken gerechtelijk jaar eindigt, doen de overheden bedoeld in artikel 488 van hetzelfde Wetboek, voor 1 februari van elk jaar, voor het gehele Rijk een voorstel aan de minister betreffende de berekening van de waarde van één punt. In dit voorstel is de waarde van één punt gelijk aan het totale bedrag van de vergoedingen ingeschreven op de begroting vermeerderd met het totale bedrag van de gedeeltelijke betalingen van de erelonen gedeeld door het totale aantal van de punten van de advocaten.

Tenslotte delen de overheden bedoeld in artikel 488 van hetzelfde Wetboek, eveneens per balie en voor het gehele Rijk, aan de minister de gegevens mee die zijn omschreven in artikel 2, 2°, a, tweede en derde streepje; 4° na controle bepaalt de minister het totale bedrag van de vergoedingen en stelt hij de waarde vast van één punt.Hij geeft de overheden bedoeld in artikel 488 van hetzelfde Wetboek hiervan kennis en betaalt hen het bedrag van de vergoeding uit; 5° op basis van de beslissing van de minister, delen de overheden bedoeld in artikel 488 van hetzelfde Wetboek aan ieder stafhouder volgende gegevens mee : a) voor de gehele balie, het bedrag waarop de advocaten recht hebben, onder voorbehoud van de toepassing van artikel 6;b) per advocaat, voor de juridische bijstand aan personen die volledige bijstand genieten, de vergoeding waarop hij recht heeft, onder voorbehoud van de toepassing van artikel 6, zijnde het aantal punten die de betrokkene heeft behaald, vermenigvuldigd met de waarde van één punt;c) per advocaat, voor de juridische bijstand aan personen die gedeeltelijke bijstand genieten, de vergoeding waarop hij recht heeft, onder voorbehoud van de toepassing van artikel 6, zijnde het aantal punten die de betrokkene heeft behaald vermenigvuldigd met de waarde van één punt en verminderd met het bedrag van de erelonen die hij heeft ontvangen. Terzelfder tijd maken de overheden omschreven in artikel 488 van hetzelfde Wetboek de bedragen bedoeld in a) over op een bijzondere rekening die elke balie daartoe onder de rubriek ' vergoeding advocaten ' opent; 6° elke balie verdeelt de bedragen bedoeld in 5° die de overheden bedoeld in artikel 488 van hetzelfde Wetboek hebben overgemaakt, onder de advocaten;7° iedere aanwijzing of ambtshalve toevoeging wordt slechts eenmaal vergoed, hetzij bij het einde van de prestatie, hetzij wanneer het bureau voor juridische bijstand de advocaat van de aanwijzing of van de ambtshalve toevoeging ontheft ». De in de voormelde tekst bedoelde minister is de minister van Justitie (artikel 1, eerste streepje, van het koninklijk besluit van 20 december 1999).

Het gerechtelijk jaar begint op 1 september en eindigt op 30 juni (artikel 334, eerste lid, eerste zin, van het Gerechtelijk Wetboek).

B.2. De begroting van de Federale Overheidsdienst Justitie, die is uitgewerkt in tabel 2 die als bijlage bij de wet van 4 maart 2013 « houdende de algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 2013 » is gevoegd, voorziet, in het kader van activiteit 11 (« Goederen en diensten ») van programma 1 (« Gerechtelijke bijstand ») van organisatieafdeling 56 (« Gewone rechtsmachten »), in een vastleggingskrediet ter waarde van 70 789 000 euro voor de basisallocatie « Vergoedingen van de advocaten belast met de gerechtelijke bijstand ».

In tabel 2 die als bijlage bij de wet van 24 juni 2013 « houdende eerste aanpassing van de algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 2013 » is gevoegd, wordt dat krediet met een bedrag van 5 888 000 euro verhoogd.

Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag B.3. Uit het aan het Hof overgezonden dossier en uit de bewoordingen van de prejudiciële vraag blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet, van de bedragen van de kredieten die bij de wet van 4 maart 2013 en bij de wet van 24 juni 2013 tegenover basisallocatie 56.11.34.41.45 van de begroting van de Federale Overheidsdienst Justitie zijn ingeschreven, in zoverre, door de waarde van het punt waarvan sprake is in de voormelde artikelen 508/19 van het Gerechtelijk Wetboek en 2 van het koninklijk besluit van 20 december 1999, tot 25,76 euro te beperken, de bedragen van de voormelde kredieten het recht op juridische bijstand van de personen die prestaties hebben genoten die door een advocaat in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand zijn verricht en die het voorwerp hebben uitgemaakt van een verslag dat die advocaat tijdens het gerechtelijk jaar 2011-2012 aan het bureau voor juridische bijstand heeft bezorgd, aanzienlijk zouden verminderen.

B.4.1. Artikel 23 van de Grondwet bepaalt : « Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden.

Daartoe waarborgen de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen.

Die rechten omvatten inzonderheid : [...] 2° het recht op [...] sociale, geneeskundige en juridische bijstand; [...] ».

B.4.2. Door het recht op juridische bijstand vast te leggen in het voormelde artikel 23, derde lid, 2°, naast het recht op sociale en geneeskundige bijstand, beoogde de Grondwetgever in eerste instantie « de mens in nood te beschermen ». Volgens de parlementaire voorbereiding « [beoogt] het artikel [...] echter meer, nl. een groter welzijn. Het gebrek aan juridische kennis of maatschappelijke weerbaarheid mag de particulier het genot van een recht niet ontnemen noch hem de formulering van een verweer ontzeggen » (Parl. St., Senaat, B.Z. 1991-1992, nr. 100-2/1°, p. 11, en nr. 10-2/3°, p. 19).

B.4.3. Artikel 23 houdt aldus ter zake een standstill-verplichting in die de bevoegde wetgever verbiedt het door de toepasselijke wetgeving geboden beschermingsniveau aanzienlijk te verminderen, zonder dat daartoe redenen van algemeen belang bestaan.

Hoewel de houder van het recht op juridische bijstand de rechtzoekende is, zou de financiering van de vergoeding van de advocaten die juridische tweedelijnsbijstand verstrekken, erop van invloed kunnen zijn indien zou worden aangetoond dat een verlaging van die vergoeding daadwerkelijk een weerslag heeft op het aantal advocaten die dergelijke prestaties wensen te verrichten, zodat het recht op juridische bijstand dat bij artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet aan de rechtzoekende wordt toegekend, aanzienlijk zou worden verminderd.

B.5. Het gerechtelijk jaar 2011-2012 is begonnen op 1 september 2011 en is geëindigd op 30 juni 2012.

De prestaties die door een advocaat in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand zijn verricht en die het voorwerp hebben uitgemaakt van een verslag dat die advocaat tijdens dat gerechtelijk jaar aan het bureau voor juridische bijstand heeft bezorgd, dateren van vóór 1 juli 2012.

Het inschrijven van een krediet op de algemene uitgavenbegroting van het jaar 2013, dat volgens de prejudiciële vraag ertoe strekt de vóór 1 juli 2012 verrichte prestaties van advocaten te financieren, heeft betrekking op prestaties die, per definitie, vóór het aannemen van die begroting zijn verricht.

Zoals de Ministerraad heeft onderlijnd, heeft de voortdurende stijging van het bedrag van de begrotingskredieten die zijn bestemd voor het vergoeden van de advocaten die belast zijn met de juridische bijstand, het mogelijk gemaakt een sterke waardevermindering van het punt te vermijden, ondanks de toename van het aantal beslissingen tot toekenning van juridische bijstand en dus de stijging van het totale aantal punten die aan de aangestelde advocaten zijn toegekend.

In tegenstelling tot hetgeen de eisende partijen voor de verwijzende rechter aanvoeren, zou uit de loutere toepassing van de in het geding zijnde bepalingen waarbij een globaal forfaitair bedrag voor de basisallocatie « Vergoedingen van de advocaten belast met de gerechtelijke bijstand » wordt vastgesteld, in zoverre zij eventueel een waardevermindering van het punt betreffende de vergoeding van de betrokken advocaten tot gevolg zouden kunnen hebben, niet kunnen worden afgeleid dat die daadwerkelijk een weerslag kunnen hebben gehad op de prestaties die zijn verricht, voordat zij waren aangenomen.

Bovendien blijkt uit de elementen van het dossier dat de eisende partijen in werkelijkheid kritiek leveren op een aanzienlijke achteruitgang in de vergoeding van de advocaten die prestaties verrichten, in zoverre de bij de in het geding zijnde bepalingen doorgevoerde vermindering van het bedrag van de waarde van het punt substantieel zou zijn in vergelijking met het bedrag dat in de voorgaande gerechtelijke jaren van kracht was. Een dergelijke vaststelling zou het niet mogelijk maken te dezen te besluiten dat het recht op juridische bijstand van de rechtzoekenden die prestaties van juridische tweedelijnsbijstand vermeld in een verslag bezorgd aan het bureau voor juridische bijstand tijdens het gerechtelijk jaar 2011-2012 hebben genoten, is aangetast. De prestaties die zij hebben kunnen genieten in het kader van het recht dat hun bij artikel 23, derde lid, 2°, wordt toegekend, werden immers daadwerkelijk verricht en zouden, van nature, niet opnieuw kunnen worden verricht indien de advocaten, ingevolge een vaststelling van schending van de in het geding zijnde bepalingen, weer een betere vergoeding zouden kunnen genieten die voor de toekomst van invloed zou zijn op hun prestaties.

Een dergelijk potentieel gevolg zou zich enkel ten aanzien van nog te leveren prestaties en niet ten aanzien van voorbije prestaties kunnen voordoen.

B.6. De in het geding zijnde bepalingen doen derhalve geen afbreuk aan de essentie zelf van het door artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet gewaarborgde recht op juridische bijstand van de rechtzoekenden.

B.7. De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag B.8. Het Hof wordt ook verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet, van artikel 508/19 van het Gerechtelijk Wetboek, in zoverre die wetsbepaling, door de Koning niet ertoe te verplichten het totale bedrag van de vergoedingen die zijn uitbetaald aan de advocaten die prestaties in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand hebben verricht, te bepalen naar gelang van het aantal van die prestaties en door het Hem aldus mogelijk te maken een begroting in de vorm van een « gesloten enveloppe » vast te stellen, de Koning ertoe zou machtigen een essentieel element van het recht op juridische bijstand te regelen en Hem zou toestaan het niveau van bescherming van dat recht aanzienlijk te verminderen door de waarde van het punt te bepalen waarvan sprake is in die bepaling.

B.9. Artikel 23, tweede lid en derde lid, 2°, van de Grondwet verplicht de bevoegde wetgever ertoe het recht op juridische bijstand te waarborgen en de voorwaarden voor de uitoefening van dat recht te bepalen.

Die grondwetsbepaling verbiedt die wetgever echter niet machtigingen te verlenen aan de uitvoerende macht, voor zover die machtigingen betrekking hebben op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de wetgever het onderwerp heeft aangegeven.

Die grondwetsbepaling verplicht de wetgever niet om alle essentiële elementen van het recht op juridische bijstand te regelen en verbiedt hem niet om de uitvoerende macht ertoe te machtigen die te regelen.

B.10.1. Artikel 508/19 van het Gerechtelijk Wetboek bevat de « algemene regeling » van de vergoeding van de advocaten (Parl. St., Kamer, 1995-1996, nr. 549/14, p. 85), zijnde de « voorwaarden » waaronder « het Rijk vergoedingen [toekent] aan de advocaten voor hun prestaties inzake juridische [tweedelijns]bijstand » (artikel 446bis, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek).

B.10.2. De in het geding zijnde wetsbepaling bevat geen enkele machtiging aan de Koning.

Bovendien staat zij Hem niet toe het niveau van bescherming van het recht op juridische bijstand aanzienlijk te verminderen zonder dat daartoe redenen van algemeen belang bestaan.

Zij machtigt de Koning evenmin ertoe een begroting vast te stellen voor de vergoeding van de prestaties die door advocaten in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand zijn verricht, aangezien het aan de Kamer van volksvertegenwoordigers staat de begroting jaarlijks goed te keuren (artikel 174, eerste lid, van de Grondwet). Het komt enkel de wetgevende macht toe het totale bedrag van de vergoedingen die aan de advocaten zullen worden uitbetaald wegens prestaties die in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand zijn verricht, te bepalen.

B.11. De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - De bijlage bij de wet van 4 maart 2013 « houdende de algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 2013 » en de bijlage bij de wet van 24 juni 2013 « houdende eerste aanpassing van de algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 2013 », in zoverre zij de bedragen van de kredieten inschrijven tegenover basisallocatie 56.11.34.41.45 (« Vergoedingen van de advocaten belast met de gerechtelijke bijstand ») van de begroting van de Federale Overheidsdienst Justitie, schenden artikel 23, tweede lid en derde lid, 2°, van de Grondwet niet. - Artikel 508/19 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals het luidde vóór de wijziging ervan bij artikel 9 van de wet van 6 juli 2016 « tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de juridische bijstand », schendt artikel 23, tweede lid en derde lid, 2°, van de Grondwet niet.

Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 15 juni 2017.

De griffier, F. Meersschaut De voorzitter, J. Spreutels


begin


Publicatie : 2017-09-

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^