Wet
gepubliceerd op 19 maart 2019
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Uittreksel uit arrest nr. 39/2019 van 28 februari 2019 Rolnummer 6852 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 23 tot 25 van de wet van 31 juli 2017 houdende diverse financiële en fiscale bepalingen en houdende maatregelen inzak Het Grond

bron
grondwettelijk hof
numac
2019201111
pub.
19/03/2019
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

Numac : 2019201111

GRONDWETTELIJK HOF


Uittreksel uit arrest nr. 39/2019 van 28 februari 2019 Rolnummer 6852 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 23 tot 25 van de wet van 31 juli 2017Relevante gevonden documenten type wet prom. 31/07/2017 pub. 11/08/2017 numac 2017040487 bron federale overheidsdienst financien Wet houdende diverse financiële en fiscale bepalingen en houdende maatregelen inzake concessieovereenkomsten sluiten houdende diverse financiële en fiscale bepalingen en houdende maatregelen inzake concessieovereenkomsten, ingesteld door de nv « Argenta Spaarbank ».

Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, P. Nihoul, T. Giet en J. Moerman, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 9 februari 2018 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 12 februari 2018, heeft de nv « Argenta Spaarbank », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Berger, Mr. M. Deketelaere en Mr. B. Peeters, advocaten bij de balie te Antwerpen, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 23 tot 25 van de wet van 31 juli 2017Relevante gevonden documenten type wet prom. 31/07/2017 pub. 11/08/2017 numac 2017040487 bron federale overheidsdienst financien Wet houdende diverse financiële en fiscale bepalingen en houdende maatregelen inzake concessieovereenkomsten sluiten houdende diverse financiële en fiscale bepalingen en houdende maatregelen inzake concessieovereenkomsten (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 11 augustus 2017, tweede editie). (...) II. In rechte (...) Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.1.1. Het Hof kan slechts uitdrukkelijk bestreden wetskrachtige bepalingen vernietigen waartegen middelen worden aangevoerd en, in voorkomend geval, bepalingen die niet worden bestreden maar die onlosmakelijk zijn verbonden met de bepalingen die moeten worden vernietigd.

Aangezien de verzoekende partij uitsluitend middelen aanvoert tegen de artikelen 23, a) en b), en 25 van de wet van 31 juli 2017Relevante gevonden documenten type wet prom. 31/07/2017 pub. 11/08/2017 numac 2017040487 bron federale overheidsdienst financien Wet houdende diverse financiële en fiscale bepalingen en houdende maatregelen inzake concessieovereenkomsten sluiten houdende diverse financiële en fiscale bepalingen en houdende maatregelen inzake concessieovereenkomsten (hierna : de wet van 31 juli 2017Relevante gevonden documenten type wet prom. 31/07/2017 pub. 11/08/2017 numac 2017040487 bron federale overheidsdienst financien Wet houdende diverse financiële en fiscale bepalingen en houdende maatregelen inzake concessieovereenkomsten sluiten), is het beroep slechts ontvankelijk in zoverre het tegen die bepalingen is gericht.

B.1.2. Uit de uiteenzetting van de eerste twee middelen blijkt dat de grieven van de verzoekende partij alle betrekking hebben op de verhoging van het bijdragepercentage voor de berekening van de bijdragen aan het Garantiefonds van 0,08 % naar 0,105 % .

De verzoekende partij bekritiseert niet de wijziging van de berekeningsgrondslag van de bijdrage van « deposito's die in aanmerking komen voor terugbetaling » naar « gedekte deposito's ».

Hoewel die elementen een onderlinge samenhang vertonen, blijkt uit de formulering van het verzoekschrift en van de memorie van antwoord dat de kritiek van de verzoekende partij in de eerste twee middelen uitsluitend is gericht tegen de verhoging van het bijdragepercentage, zodat het Hof zijn onderzoek daartoe beperkt.

B.1.3. Het derde middel is afgeleid uit een schending, door artikel 25 van de wet van 31 juli 2017Relevante gevonden documenten type wet prom. 31/07/2017 pub. 11/08/2017 numac 2017040487 bron federale overheidsdienst financien Wet houdende diverse financiële en fiscale bepalingen en houdende maatregelen inzake concessieovereenkomsten sluiten, van het beginsel van niet-retroactiviteit van de belastingwet. Het vierde middel is afgeleid uit een schending, door artikel 23, a) en b), van de wet van 31 juli 2017Relevante gevonden documenten type wet prom. 31/07/2017 pub. 11/08/2017 numac 2017040487 bron federale overheidsdienst financien Wet houdende diverse financiële en fiscale bepalingen en houdende maatregelen inzake concessieovereenkomsten sluiten, van de beginselen van behoorlijke regelgeving, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel.

B.1.4. Het Hof is bevoegd om uitspraak te doen op de beroepen tot vernietiging van een wet wegens schending van de regels tot verdeling van de bevoegdheden tussen de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten, of wegens schending van de artikelen 8 tot 32, 143, § 1, 170, 172 en 191 van de Grondwet.

Het Hof is niet bevoegd om een wet rechtstreeks te toetsen aan het beginsel van de niet-retroactiviteit of aan algemene rechtsbeginselen.

B.1.5. Aangezien het derde en het vierde middel enkel zijn afgeleid uit de schending van het beginsel van de niet-retroactiviteit en van de beginselen van behoorlijke regelgeving, zijn ze onontvankelijk.

Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.2.1. Krachtens het koninklijk besluit van 14 november 2008Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 14/11/2008 pub. 19/11/2008 numac 2008003449 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit tot uitvoering van de artikelen 26, 27, 28, 31, 34, 36 en 37 van de wet van 24 juli 2008 houdende diverse bepalingen type koninklijk besluit prom. 14/11/2008 pub. 19/11/2008 numac 2008003448 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit tot uitvoering van de artikelen 28, 32, 38 en 45 van de wet van 24 juli 2008 houdende diverse bepalingen type koninklijk besluit prom. 14/11/2008 pub. 17/11/2008 numac 2008003450 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit tot uitvoering van de wet van 15 oktober 2008 houdende maatregelen ter bevordering van de financiële stabiliteit en inzonderheid tot instelling van een staatsgarantie voor verstrekte kredieten en andere verrichtingen in het kader van d sluiten « tot uitvoering van de crisismaatregelen voorzien in de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, voor wat betreft de oprichting van het Garantiefonds voor financiële diensten » (hierna : het koninklijk besluit van 14 november 2008) moeten de in België gevestigde kredietinstellingen deelnemen aan een collectieve depositobeschermingsregeling die zij financieren.Deze depositobescherming wordt verzekerd door het Garantiefonds. Het huidige depositobeschermingssysteem is het gevolg van de omzetting van de richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 « inzake de depositogarantiestelsels (herschikking) » (hierna : de richtlijn 2014/49/EU).

De depositobeschermingsregeling heeft tot doel, wanneer een instelling in gebreke blijft, bepaalde categorieën van deposanten die geen bank- noch financieel bedrijf voeren, een schadevergoeding toe te kennen.

Die schadevergoeding bedraagt maximaal 100 000 euro.

B.2.2. De bijdragen die de kredietinstellingen verschuldigd zijn aan het Garantiefonds, worden berekend aan de hand van het potentiële bedrag van een financiële tegemoetkoming van de overheid. Om dit potentiële bedrag te bepalen, wordt uitgegaan van een percentage van de deposito's bij alle betrokken kredietinstellingen. Het aandeel van een specifieke kredietinstelling in dit totaalbedrag wordt bepaald aan de hand van, enerzijds, de deposito's bij die specifieke instelling, en, anderzijds, het risicoprofiel van de instelling, waarbij kredietinstellingen met een hoger risicoprofiel in verhouding meer moeten bijdragen dan kredietinstellingen met een lager risicoprofiel.

Het risicoprofiel wordt bepaald aan de hand van een risico-coëfficiënt die rekening houdt met het eigen vermogen van de instelling, de kwaliteit van haar activa en hun liquiditeit.

B.2.3. De verzoekende partij vordert de vernietiging van artikel 23, a) en b), van de wet van 31 juli 2017Relevante gevonden documenten type wet prom. 31/07/2017 pub. 11/08/2017 numac 2017040487 bron federale overheidsdienst financien Wet houdende diverse financiële en fiscale bepalingen en houdende maatregelen inzake concessieovereenkomsten sluiten. Die bepaling brengt de volgende wijzigingen aan in artikel 8 van het koninklijk besluit van 14 november 2008Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 14/11/2008 pub. 19/11/2008 numac 2008003449 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit tot uitvoering van de artikelen 26, 27, 28, 31, 34, 36 en 37 van de wet van 24 juli 2008 houdende diverse bepalingen type koninklijk besluit prom. 14/11/2008 pub. 19/11/2008 numac 2008003448 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit tot uitvoering van de artikelen 28, 32, 38 en 45 van de wet van 24 juli 2008 houdende diverse bepalingen type koninklijk besluit prom. 14/11/2008 pub. 17/11/2008 numac 2008003450 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit tot uitvoering van de wet van 15 oktober 2008 houdende maatregelen ter bevordering van de financiële stabiliteit en inzonderheid tot instelling van een staatsgarantie voor verstrekte kredieten en andere verrichtingen in het kader van d sluiten : « In artikel 8, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 14 november 2008Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 14/11/2008 pub. 19/11/2008 numac 2008003449 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit tot uitvoering van de artikelen 26, 27, 28, 31, 34, 36 en 37 van de wet van 24 juli 2008 houdende diverse bepalingen type koninklijk besluit prom. 14/11/2008 pub. 19/11/2008 numac 2008003448 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit tot uitvoering van de artikelen 28, 32, 38 en 45 van de wet van 24 juli 2008 houdende diverse bepalingen type koninklijk besluit prom. 14/11/2008 pub. 17/11/2008 numac 2008003450 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit tot uitvoering van de wet van 15 oktober 2008 houdende maatregelen ter bevordering van de financiële stabiliteit en inzonderheid tot instelling van een staatsgarantie voor verstrekte kredieten en andere verrichtingen in het kader van d sluiten tot uitvoering van de crisismaatregelen voorzien in de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, voor wat betreft de oprichting van het Garantiefonds voor financiële diensten, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 22 april 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/04/2016 pub. 12/05/2016 numac 2016003166 bron federale overheidsdienst financien Wet tot omzetting van richtlijn 2014/49/EU inzake depositogarantiestelsels en houdende diverse bepalingen sluiten, worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) in de bepaling onder 1°, worden de woorden ' een bijdrage van 0,08 pct.van het bedrag op 31 december van het vorige jaar, van de deposito's die in aanmerking komen voor terugbetaling ' vervangen door de woorden ' een bijdrage van 0,105 pct. van het bedrag, op 31 december van het vorige jaar, van de gedekte deposito's '; b) in de bepaling onder 1°bis, in de formule voor de berekening van de bijdragen, worden de woorden ' TC = de totale door het stelsel te innen bijdragen voor de kredietinstellingen naar Belgisch recht bedoeld in artikel 4, § 1, 1°, zijnde 0,08 pct.van het bedrag op 31 december van het vorige jaar, van de deposito's die in aanmerking komen voor terugbetaling. Voor de bijdrage verschuldigd in 2012 bedraagt het bijdragepercentage 0,26 pct. Voor de bijdrage verschuldigd in 2013 bedraagt het bijdragepercentage 0,13 pct. ' vervangen door de woorden ' TC = de totale door het stelsel te innen bijdragen voor de kredietinstellingen naar Belgisch recht bedoeld in artikel 4, § 1, 1°, zijnde 0,105 pct. van het bedrag op 31 december van het vorige jaar, van de gedekte deposito's. Voor de bijdrage verschuldigd in 2012 bedraagt het bijdragepercentage 0,26 pct. van de deposito's die in aanmerking komen voor terugbetaling. Voor de bijdrage verschuldigd in 2013 bedraagt het bijdragepercentage 0,13 pct. van de deposito's die in aanmerking komen voor terugbetaling.

Voor de bijdrage verschuldigd in 2014, 2015 en 2016 bedraagt het bijdragepercentage 0,08 pct. van de deposito's die in aanmerking komen voor terugbetaling. '; [...] ».

B.2.4. De bestreden bepaling wijzigt de berekening van de bijdragen die kredietinstellingen verschuldigd zijn aan het Garantiefonds.

Enerzijds, wordt de berekeningsgrondslag van de bijdrage aangepast van « deposito's die in aanmerking komen voor terugbetaling » naar « gedekte deposito's », en anderzijds, wordt het bijdragepercentage verhoogd van 0,08 % naar 0,105 % .

B.2.5. De wijziging van de berekeningsgrondslag van de bijdrage naar gedekte deposito's is het gevolg van de omzetting van de richtlijn 2014/49/EU, en houdt in dat deposito's die het maximumbedrag van de schadevergoeding van 100.000 euro overschrijden, voortaan slechts voor 100.000 euro worden meegerekend bij het bepalen van de bijdragen die de kredietinstellingen verschuldigd zijn. Omdat het bedrag van de gedekte deposito's bijgevolg lager ligt dan dat van de deposito's die in aanmerking komen voor terugbetaling, heeft de wijziging van de berekeningsgrondslag tot gevolg dat het totale bedrag van de bijdragen zou dalen indien het bijdragepercentage gelijk zou blijven.

B.2.6. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat het de bedoeling was van de wetgever om met de verhoging van het bijdragepercentage, de impact van de wijziging van de berekeningsgrondslag van de bijdrage te compenseren, om zo de financiering van de depositobescherming te waarborgen en het vertrouwen van de spaarder in het financieel bestel te bestendigen : « Door de omzetting van de richtlijn 2014/49/UE van 16 april 2014 door de wet van 22 april 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/04/2016 pub. 12/05/2016 numac 2016003166 bron federale overheidsdienst financien Wet tot omzetting van richtlijn 2014/49/EU inzake depositogarantiestelsels en houdende diverse bepalingen sluiten werd de berekeningsgrondslag van de jaarlijkse bijdragen gewijzigd.

Deze wijziging van de berekeningsgrondslag is van toepassing op de in 2017 verschuldigde bijdragen, die berekend zullen worden op basis van het bedrag van de deposito's op 31 december 2016.

Krachtens artikel 8, § 1, 1ter van het koninklijk besluit van 14 november 2008Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 14/11/2008 pub. 19/11/2008 numac 2008003449 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit tot uitvoering van de artikelen 26, 27, 28, 31, 34, 36 en 37 van de wet van 24 juli 2008 houdende diverse bepalingen type koninklijk besluit prom. 14/11/2008 pub. 19/11/2008 numac 2008003448 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit tot uitvoering van de artikelen 28, 32, 38 en 45 van de wet van 24 juli 2008 houdende diverse bepalingen type koninklijk besluit prom. 14/11/2008 pub. 17/11/2008 numac 2008003450 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit tot uitvoering van de wet van 15 oktober 2008 houdende maatregelen ter bevordering van de financiële stabiliteit en inzonderheid tot instelling van een staatsgarantie voor verstrekte kredieten en andere verrichtingen in het kader van d sluiten maken de gedekte deposito's de berekeningsgrondslag uit voor de jaarlijkse bijdragen van de kredietinstellingen en de beursvennootschappen. Onder gedekte deposito's wordt verstaan de door het Garantiefonds gewaarborgde deposito's ten belope van maximaal 100.000 euro.

Concreet zal deze wijziging van de berekeningsgrondslag, gelet op het feit dat de hoeveelheid gedekte deposito's kleiner is dan de hoeveelheid in aanmerking komende deposito's, zorgen voor een vermindering van het totale bedrag van de bijdragen die jaarlijks aan het Garantiefonds gestort worden.

Het is evenwel vereist dat de bijdragen die de kredietinstellingen en de beursvennootschappen in het kader van de depositobescherming verschuldigd zijn, tenminste hetzelfde niveau als de voorgaande jaren bereiken en dat ze op zodanige wijze evolueren dat ze het vertrouwen van de spaarder in het financieel bestel bestendigen.

Om het bedrag van de totale jaarlijks door het Garantiefonds geïnde bijdragen op hetzelfde niveau te houden, moet daarom de toepasselijke bijdragevoet aangepast worden. Een stijging van de bijdragevoet van 0,08 pct. tot 0,105 pct., kan de impact van de hierboven beschreven wijziging van de berekeningsgrondslag neutraliseren.

Richtlijn 2014/49/EU (artikel 10, 2.) bepaalt dat de Europese depositogarantiestelsels ervoor zorgen dat er ten minste een streefbedrag van 0,8 % van de gedekte deposito's wordt bereikt. Deze bepaling wordt omgezet bij artikel 27 van de wet van 22 april 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/04/2016 pub. 12/05/2016 numac 2016003166 bron federale overheidsdienst financien Wet tot omzetting van richtlijn 2014/49/EU inzake depositogarantiestelsels en houdende diverse bepalingen sluiten tot omzetting van richtlijn 2014/49/EU inzake depositogarantiestelsels en houdende diverse bepalingen. In ieder geval verhindert dit niet, zoals bepaald in de richtsnoeren EBA/GL/2015/10 geformuleerd door de Europese Bankautoriteit (zie punt 21, pagina 7), dat een depositogarantiestelsel hogere bijdragen kan vragen » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2488/001, p. 26).

Ten gronde Wat betreft het eerste middel B.3.1. Het eerste onderdeel van het eerste middel is afgeleid uit een schending, door artikel 23, a) en b), van de wet van 31 juli 2017Relevante gevonden documenten type wet prom. 31/07/2017 pub. 11/08/2017 numac 2017040487 bron federale overheidsdienst financien Wet houdende diverse financiële en fiscale bepalingen en houdende maatregelen inzake concessieovereenkomsten sluiten, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de richtlijn 2014/49/EU, met artikel 4, lid 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en met de artikelen 53 en volgende van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), doordat de algemene verhoging van het bijdragepercentage ertoe zou leiden dat niet langer voldoende rekening wordt gehouden met het risicoprofiel aan de deelnemers van het depositogarantiesysteem.

B.3.2. Zoals de Ministerraad opmerkt, is het uitgangspunt van het eerste onderdeel van het eerste middel, verkeerd.

De uniforme verhoging van het bijdragepercentage heeft geen invloed op de onderlinge verdeling van de bijdragen, die nog steeds gebaseerd is op dezelfde risicoweging die de verzoekende partij uitdrukkelijk niet bekritiseert. De verandering in de onderlinge verhouding van de bijdragen tussen kredietinstellingen met hogere en lagere risico-coëfficiënten is het gevolg van de wijziging van de berekeningsgrondslag van de bijdrage van « deposito's die in aanmerking komen voor terugbetaling » naar « gedekte deposito's ». Een kredietinstelling met een lagere risico-coëfficient, maar die hoofdzakelijk financiële middelen verkrijgt door het aantrekken van deposito's bij het grote publiek, ziet door die wijziging haar relatieve aandeel in het totaalbedrag toenemen, omdat veel van die deposito's het gedekte bedrag niet overschrijden. Een kredietinstelling die beschikt over een kleiner aantal deposito's, die echter het gedekte bedrag overschrijden, ziet door de wijziging van de berekeningsgrondslag haar relatieve aandeel in het totaalbedrag dalen, ondanks een eventuele hogere risico-coëfficient.

Zoals reeds is vermeld in B.1.2, bekritiseert de verzoekende partij die wijziging niet. Integendeel, in haar memorie van antwoord benadrukt de verzoekende partij dat haar beroep enkel is gericht tegen de verandering van het bijdragepercentage.

Door de bijdragen voor alle kredietinstellingen met hetzelfde percentage te verhogen, heeft de bestreden bepaling tot gevolg dat de impact van de risico-coëfficiënt gelijk blijft en wijzigt zij de onderlinge verhouding tussen de verschillende kredietinstellingen niet.

B.3.3. Het eerste middel, in zijn eerste onderdeel, is niet gegrond.

B.4.1. Het tweede onderdeel van het eerste middel is afgeleid uit de schending, door artikel 23, a) en b), van de wet van 31 juli 2017Relevante gevonden documenten type wet prom. 31/07/2017 pub. 11/08/2017 numac 2017040487 bron federale overheidsdienst financien Wet houdende diverse financiële en fiscale bepalingen en houdende maatregelen inzake concessieovereenkomsten sluiten, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de richtlijn 2014/49/EU, met artikel 4, lid 3 van het VEU en met de artikelen 53 en volgende van het VWEU, doordat de verhoging van het bijdragepercentage ertoe leidt dat de streefwaarden voor de financiering voor het depositogarantiestelsel worden overschreden en aldus de harmonisatie die in de richtlijn wordt nagestreefd, wordt tenietgedaan.

B.4.2. Zoals is vermeld in B.2.6, was het de bedoeling van de wetgever om met de verhoging van het bijdragepercentage, de budgettaire impact van de wijziging van de berekeningsgrondslag van de bijdrage van « deposito's die in aanmerking komen voor terugbetaling » naar « gedekte deposito's » op te vangen, om zo de financiering van de depositobescherming op hetzelfde niveau te houden en het vertrouwen van de spaarder in het financieel bestel te bestendigen.

B.4.3. Krachtens artikel 10, lid 2, van de richtlijn 2014/49/EU, moeten de beschikbare financiële middelen van een depositogarantiestelsel uiterlijk op 3 juli 2024 ten minste een streefbedrag gelijk aan 0,8 % van het bedrag van de gedekte deposito's van zijn deelnemers belopen. Artikel 13, lid 1, van de richtlijn bepaalt dat de bijdragen worden gebaseerd op het bedrag van de gedekte deposito's en de mate van het risico dat de respectieve deelnemer loopt.

Het staat aan de wetgever om, binnen de grenzen die worden gesteld door de richtlijn 2014/49/EU, de methode te bepalen waarop de met de depositobeschermingsregeling nagestreefde doelstellingen kunnen worden bereikt. Niets belet hem daarbij rekening te houden met budgettaire overwegingen.

B.4.4. Uit overweging 27 bij de richtlijn 2014/49/EU blijkt dat deze een hoge graad van harmonisatie van de financiering van de depositogarantiestelsels nastreeft, en daarbij een hoog niveau van financiering van de depositogarantiestelsels wil waarborgen : « Het is noodzakelijk de methoden ter financiering van de depositogarantiestelsels te harmoniseren. De kosten voor de financiering van depositogarantiestelsels moeten in beginsel door de kredietinstellingen zelf worden gedragen, enerzijds, en de financieringscapaciteit van deze stelsels moet in verhouding staan tot de op hen rustende verplichtingen, anderzijds. Om ervoor te zorgen dat deposanten in alle lidstaten een vergelijkbaar hoog beschermingsniveau genieten, moet de financiering van depositogarantiestelsels op een hoog niveau worden geharmoniseerd met een uniform ex ante financieel streefbedrag voor alle depositogarantiestelsels ».

B.4.5. Uit de richtsnoeren betreffende de methoden voor het berekenen van bijdragen aan depositogarantiestelsels, opgesteld door de Europese Bankautoriteit, blijkt dat de richtlijn 2014/49/EU niet verhindert dat lidstaten die het streefbedrag voor de financiering van het depositogarantiesysteem reeds hebben bereikt, bijdragen blijven innen.

Krachtens die richtsnoeren moet het jaarlijkse streefbedrag van de financiering, en bijgevolg ook het bijdragepercentage, bepaald worden aan de hand van de resterende opbouwtijd voor het bereiken van het streefbedrag. Dit betekent echter niet dat dit percentage tot nul moet worden herleid eens dat streefbedrag is bereikt : « Het jaarlijkse streefbedrag wordt ten minste vastgesteld door het bedrag aan financiële middelen dat het depositogarantiestelsel nog moet innen om het streefbedrag te halen, te delen door de resterende opbouwtijd (uitgedrukt in jaren) voor het bereiken van het streefbedrag. Deze formule laat echter onverlet het eigen oordeel van lidstaten om te bepalen dat depositogarantiestelsels ook na het bereiken van het streefbedrag doorgaan met het innen van ex ante bijdragen » (Richtsnoeren betreffende de methoden voor het berekenen van bijdragen aan depositogarantiestelsels, EBA/GL/2015/10, p. 10).

B.4.6. Daaruit volgt dat de bepalingen van Europees recht die de verzoekende partij aanvoert, de Belgische wetgever niet verbieden om een hogere financieringsgraad na te streven dan de streefwaarde die wordt voorzien in artikel 10, lid 2, van de richtlijn 2014/49/EU, of om bijdragen te innen die ertoe leiden dat die streefwaarde wordt overschreden.

B.4.7. Volgens de Europese Commissie blijkt bovendien dat in 2014 in reeds een derde van de lidstaten de fondsen van het depositobeschermingssysteem meer dan één procent van de gedekte deposito's bereikten, waarbij in sommige lidstaten die fondsen zelfs twee of drie procent van de gedekte deposito's overschreden (Europese Commissie, Memo/14/296, 15 april 2014, p. 3). In een aanzienlijk deel van de lidstaten wordt het streefbedrag dus overschreden.

B.4.8. Het eerste middel, in zijn tweede onderdeel, is niet gegrond.

Wat betreft het tweede middel B.5. Het tweede middel verschilt slechts van het eerste onderdeel van het eerste middel, in zoverre het niet alleen is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11, maar ook uit die van artikel 172, eerste lid, van de Grondwet. Om dezelfde redenen als die welke hiervoor zijn uiteengezet, is het tweede middel niet gegrond.

Ten aanzien van het verzoek om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie B.6. De verzoekende partij wenst dat aan het Hof van Justitie van de Europese Unie prejudiciële vragen zouden worden gesteld.

Wanneer een vraag die betrekking heeft op de uitlegging van het Unierecht wordt opgeworpen in een zaak aanhangig bij een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, is die instantie, overeenkomstig artikel 267, derde alinea, van het VWEU, gehouden die vraag te stellen aan het Hof van Justitie. Die verwijzing is evenwel niet nodig wanneer die rechterlijke instantie heeft vastgesteld « dat de opgeworpen vraag niet relevant is of dat de betrokken gemeenschapsbepaling reeds door het Hof is uitgelegd of dat de juiste toepassing van het gemeenschapsrecht zo evident is, dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan » (HvJ, 6 oktober 1982, C-283/81, CILFIT, punt 21).

Nu uit de behandeling van het eerste middel blijkt dat aan die laatste voorwaarde is voldaan, is er geen noodzaak de door de verzoekende partij gesuggereerde prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie.

Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep.

Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten op het Grondwettelijk Hof, op 28 februari 2019.

De griffier, F. Meersschaut De voorzitter, A. Alen


begin


Publicatie : 2019-03-

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^